Abrikoos

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Abrikoos
Apricots.jpg
Taxonomische indeling
Rijk: Plantae (Planten)
Stam: Embryophyta (Landplanten)
Klasse: Spermatopsida (Zaadplanten)
Clade: Bedektzadigen
Clade: 'nieuwe' Tweezaadlobbigen
Clade: Fabiden
Orde: Rosales
Familie: Rosaceae (Rozenfamilie)
Geslacht: Prunus
Soort
Prunus armeniaca
L. (1753)
Abrikoos op Wikispecies Wikispecies
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Abrikozenbloesem
Abrikozen

De abrikoos (Prunus armeniaca) is een populaire steenvrucht. Ze stamt uit Noordoost-China tegen de Russische grens en dus niet uit Armenië, wat uit de soortaanduiding zou zijn af te leiden. De abrikoos kwam pas 3000 jaar later in Armenië aan en werd in 70 v.Chr. door de Romeinen via Griekenland over geheel Europa verspreid.

Het traditionele teeltgebied is het Hongaarse laagland. De Ottomanen hebben hier indertijd grote boomgaarden met abrikozen aangeplant, die na hun vertrek werden verwaarloosd. Pas aan het begin van de 19e eeuw werden weer abrikozen aangeplant om het stuiven van het zand tegen te gaan. Abrikozen zijn hier zeer geschikt voor omdat ze ook hitte en droogte goed kunnen verdragen.

Tegenwoordig worden abrikozen vooral in Italië en Spanje geteeld. Ook meer noordelijk zoals in het Oostenrijkse Wachau (Oostenrijk) en het Zwitserse kanton Wallis worden abrikozen geteeld. Turkije produceert 85% van de wereldproductie aan gedroogde abrikozen en abrikozenpitten.

Er bestaan ook soortkruisingen tussen abrikoos en Japanse pruim. Deze soortkruisingen worden aangegeven met de namen plumcot, aprium en pluot.

Teelt in Nederland[bewerken]

De abrikoos bloeit heel vroeg in het seizoen. In Nederland al in maart, waardoor er een grote kans bestaat op bevriezen van de bloemknoppen, de bloemen en/of de vruchtbeginsels. Ook bestaat er dan een grotere kans op slecht weer tijdens de bloei, waardoor bestuivende insecten niet altijd actief zijn en de bestuiving te wensen over kan laten. Door de genoemde omstandigheden draagt een abrikozenboom in Nederland slechts af en toe vruchten. Vanwege deze geringe oogstzekerheid worden abrikozen in Nederland niet commercieel geteeld.

Kunstmatige bescherming tegen nachtvorst kan de vruchtzetting verbeteren. Ook is de standplaats van belang. Een beschutte standplaats tegen een zuidmuur geeft een grotere kans op succes. Ook kan een abrikozenboom in de kas worden geplant.

De meestal alleenstaande kleine bloemen hebben witte tot roodachtige bloemblaadjes.

In Nederland rijpen de vruchten onder glas in juli en bij de buitenteelt in augustus. Bij vroegrijpende of laatrijpende rassen kan dit iets vroeger of later zijn.

De vrucht heeft een fluweelzachte huid en een gladde steen. Bij de meeste rassen ligt de steen los in het vruchtvlees.

Veel rassen zijn in meer of mindere mate zelfbestuivend (zelffertiel) maar door het aanplanten van verschillende rassen kan de vruchtzetting verbeteren.

Op eigen wortel kan de boom wel 10 m hoog worden. Een dergelijke groeikracht is ongewenst. Daarom wordt de abrikozenboom meestal geënt op een onderstam. Belangrijk bij de keuze van de onderstam is de groeikracht die de onderstam geeft aan de boom. Bij een zwak groeiende onderstam komen er in een jonger stadium al vruchten aan de boom en blijft de boom uiteindelijk kleiner. Dit is interessant voor particulieren met een kleine tuin en voor commerciële beplantingen (in het buitenland).

Sterk tot zeer sterk groeiende onderstammen zijn Myrobalan B en Brompton. Deze zijn daarom met name geschikt voor hoogstambomen.

Een matig sterke tot tamelijk sterke onderstam is de pruimenonderstam St. Julien-A. Dit is in Nederland op dit moment de meest gangbare onderstam voor abrikozen. Ook op deze onderstam worden de bomen echter vrij groot.

Een nieuwere zwak groeiende onderstam is Pumi-Selekt (een virusvrije selectie uit de soort Prunus pumila), welke met name in Duitsland in opkomst is. Pumi-Selekt is ook geschikt als onderstam voor perziken en nectarines, doch in verband met onverenigbaarheid niet voor pruimen.

Door snoei kan een struik, een boom of een leiboom verkregen worden.

Rassen[bewerken]

Omdat de abrikoos in Nederland geen commercieel gewas is, is er weinig tot niets gedaan aan vernieuwing van het rassenassortiment. Daarom zijn bij Nederlandse boomkwekers en tuincentra gewoonlijk slechts een zeer beperkt aantal oude rassen verkrijgbaar. Tot deze oude rassen behoren:

  • Tros Oranje: Dit ras is tot nu toe het meest verbreid in Nederland. Het is een oud ras met vrij kleine vruchten met vast vruchtvlees, welke meer geschikt zijn voor verwerking dan voor verse consumptie. De boom groeit krachtig en is goed winterhard. Zelffertiel. Goede vruchtbaarheid.
  • Bredase: Een zeer oud Nederlands ras. De vruchten hebben vast vruchtvlees en zijn iets groter dan die van Tros Oranje. Ondanks dat de kwaliteit iets beter zou zijn dan Tros Oranje, is ook Bredase meer geschikt voor verwerking dan voor verse consumptie. De bomen hebben een matige groeikracht en zijn goed winterhard. Zelffertiel. Goede vruchtbaarheid.
  • Hongaarse (ofwel Ungarischen Besten): Oud ras met een sterke groeikracht. Alhoewel dit ras in de Europese productiegebieden nog een belangrijke plaats in neemt, zijn er inmiddels betere rassen beschikbaar. Tamelijk grote vruchten met matig vast vruchtvlees. Geschikt voor verse consumptie en voor verwerking. Rijpt enigszins ongelijkmatig. Matige transporteerbaarheid. Zelffertiel. De vruchtbaarheid is niet altijd goed en de boom is niet altijd geheel winterhard. Er zijn verschillende mutanten van dit ras op de markt. Bekende mutanten zijn 'Klosterneuburger' en 'Landersdorf'.
  • Moorpark: Een zeer oud Engels ras met middelgrote gele vruchten met een goede smaak. Met name geschikt voor verse consumptie. Goede vruchtbaarheid. Matige groeikracht. Niet altijd geheel winterhard.
  • Royal (ofwel Blenheim): Ook een zeer oud ras met redelijk grote vruchten. Zacht vruchtvlees met een zeer goede smaak.

Via buitenlandse boomkwekers zijn ook wel bomen verkrijgbaar van andere rassen met goede eigenschappen. Voorbeelden van dergelijke andere rassen zijn:

  • Orangered (ook bekend als 'NJA32' of 'Bhart'): Een vrij nieuw ras uit New Jersey (USA) met tamelijk grote tot grote vruchten met een helderoranje grondkleur en een rode blos. Het oranje tot donkeroranje gekleurde vruchtvlees blijft bij rijpheid tamelijk stevig en heeft een goede smaak. Alhoewel Orangered niet altijd grote opbrengsten geeft, is Orangered een waardevol ras omdat deze vroeg rijpt in combinatie met de genoemde goede vruchteigenschappen. De boom groeit krachtig tot zeer krachtig. Volgens sommige bronnen is Orangered zelffertiel; volgens andere bronnen is deze echter zelfsteriel. De waarheid is waarschijnlijk dat Orangered deels zelffertiel is, doch dat de vruchtzetting verbetert bij kruisbestuiving (bijvoorbeeld door Hargrand, Goldrich of Bergeron). Resistent tegen het sharka-virus en ook overigens weinig vatbaar voor ziekten.
  • Goldrich (ook bekend als 'Sungiant' of 'Jumbo Cot'): Een vrij nieuw ras van Washington State University (USA). Geeft grote oranjegeel gekleurde vruchten. Stevig vruchtvlees, daardoor goed bewaarbaar en goed transporteerbaar. Bij volledige rijpheid verdwijnt de licht zure smaak en is de kwaliteit goed. Deels zelffertiel; de vruchtzetting verbetert derhalve bij kruisbestuiving (bijvoorbeeld door Aurora of Hargrand). Weinig vatbaar voor het sharka-virus (echter niet resistent) en ook overigens weinig vatbaar voor ziekten.
  • Hargrand: Een vrij nieuw ras (1980) van het Harrow Research Station in Ontario (Canada). Hargrand geeft zeer grote vruchten met een kleine pit en een enigszins onregelmatige vorm. Daardoor hebben ze (ondanks het grote formaat) een wat minder fraai uiterlijk. Het oranje gekleurde vruchtvlees is stevig en heeft een goede enigszins zure smaak. De boom heeft een middelsterke groeikracht. Deels zelffertiel; de vruchtzetting verbetert derhalve bij kruisbestuiving (bijvoorbeeld door Orangered). Goede vruchtbaarheid. Er worden bij Hargrand soms problemen gerapporteerd over boomsterfte, met name in geval van zeer overvloedige vruchtdracht. Hargrand is vatbaar voor het sharka-virus. Staat voor het overige bekend als een robuust ras.
  • Bergeron: Laat rijpend ras uit Frankrijk met grote ronde oranje vruchten met aan de zonzijde een rode blos. Belangrijk ras in Franse en andere Europese productiegebieden. De vruchten hebben een goede transporteerbaarheid en indien ze volledig rijp zijn, is het vruchtvlees stevig, sappig met een aromatische smaak. Rijpt enigszins ongelijkmatig. Robuuste boom met middelsterke tot sterke groeikracht. Door de wat latere bloei en doordat Bergeron zelffertiel is, behoort deze tot de meer oogstzekere rassen. Kan zeer productief zijn. Vatbaar voor het sharka-virus. Er wordt ook een mutant van Bergeron geteeld met de naam Tardif de Tain, welke nog later rijpt, doch voor het overige globaal dezelfde kenmerken heeft.
  • Aurora: Dit ras rijpt al twee weken voor Orangered en is daarmee een zeer vroeg rijpend abrikozenras. Middelgrote vruchten met mooie oranje kleur en rode blos. Goede smaak. Moet echter niet te lang bewaard worden omdat het vruchtvlees snel week wordt. Middelvroege bloei. Niet zelffertiel (Hargrand en Goldrich zijn onder meer geschikt als bestuiver). Kan erg productief zijn (mits de bestuiving en de weersomstandigheden niet in de steek hebben gelaten) en moet dan sterk worden gedund om de gewenste vruchtgrootte en kwaliteit te verkrijgen. Sterke groeikracht. Vertakt zich gemakkelijk.

Naast de bovenstaande rassen zijn er in het buitenland nog veel andere nieuwe(re) rassen beschikbaar, zoals: Tsunami, Spring Blush, Pinkcot, Sylvercot, Kuresia, Mino, Hilde, Clarina, Flavor Cot, Tom Cot, Vanilla Cot, Wonder Cot, Lilly Cot, Bergecot, Perle Cot, Kioto, Sylred, Sweetred, Big Red, Bergarouge, Bergeval, Vertige, Frisson, Rouge Tardif Delbard, Jenny Cot, Tardicot en vele anderen.

Pitten

Consumptie van abrikozenpitten[bewerken]

Abrikozenpitten hebben een hoog gehalte aan cyanogenische glycosiden, waaruit het zeer giftige blauwzuur kan vrijkomen. Gemiddeld bevatten abrikozenpitten 217 mg cyanide per 100 gram[1]. Een dodelijke dosis waterstofcyanide voor een volwassene is ongeveer 3,7 mg per kg lichaamsgewicht . Er zijn verschillende gevallen van cyanidevergiftiging bij kinderen door het eten van abrikozenpitten beschreven in de wetenschappelijke literatuur[1][2].

Een eventueel medicinale werking tegen kanker van het in abrikozenpitten aanwezige glycoside amygdaline (laetrile) is in onderzoek. Amygdaline blijkt in vitro prostaatkankercellen te kunnen doden.[3] In klinisch onderzoek kon een anti-kankerwerking van behandeling met amygdaline echter niet worden aangetoond.[4][5]

Conserveren en consumeren[bewerken]

Abrikozen kunnen lange tijd bewaard worden door ze te drogen. Ook kunnen ze worden ingelegd in brandewijn, deze "drank" wordt dan boerenmeisjes genoemd. Verder zijn abrikozen het belangrijkste ingrediënt van abrikotines.

Culturele aspecten[bewerken]

Kruisingen[bewerken]

Prunus besseyii X Prunus armeniaca: Deze kruising stamt uit het jaar 2010 en wordt van oorsprong Aprikyra genoemd.

Wikibooks Wikibooks heeft een studieboek over dit onderwerp: Ecologisch tuinieren - Abrikoos.
Bronnen, noten en/of referenties
  1. a b (en) SAYRE JW, KAYMAKCALAN S. Cyanide poisoning from apricot seeds among children in central Turkey. (1964) N Engl J Med 270:1113-1115. PMID 14121493.
  2. (en) Rubino MJ, Davidoff F. Cyanide poisoning from apricot seeds. (1979) JAMA 241:359. PMID 758548.
  3. (en) Chang HK, Shin MS, Yang HY, et al. Amygdalin induces apoptosis through regulation of Bax and Bcl-2 expressions in human DU145 and LNCaP prostate cancer cells. (2006) Biol Pharm Bull 29:1597-1602. PMID 16880611 gratis volledige artikel.
  4. (en) Moertel CG, Fleming TR, Rubin J, et al. A clinical trial of amygdalin (Laetrile) in the treatment of human cancer. (1982) N Engl J Med 306:201-206. PMID 7033783.
  5. (en) Milazzo S, Lejeune S, Ernst E. Laetrile for cancer: a systematic review of the clinical evidence. (2007) Support Care Cancer 15:583-595. PMID 17106659.