Etniciteit

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Een etniciteit is een sociaal-culturele identiteit, die een bepaalde groep mensen of een aantal bevolkingsgroepen verbindt.

Het concept etniciteit wortelt in het gegeven dat de leden van bepaalde bevolkingsgroepen zich identificeren met gezamenlijke kenmerken, zoals nationaliteit, stamverwantschap, religie, taal, cultuur of geschiedenis en de daaraan ontleende normen en waarden. Het gemeenschappelijke "erfgoed" vormt de etniciteit. Het woord komt van Grieks ethnikos, "behorende tot een ethnos. Dit woord duidde aanvankelijk op groepen mensen die in politiek, gebruiken en godsdienst met elkaar verbonden waren. Later verschoof de betekenis van het adjectief 'etnisch' naar volken en rassen.

Definities van etniciteit[bewerken]

De laatste decennia is het statisch definiëren van etnische groepen (ook wel etniciteiten genoemd) op basis van culturele eigenschappen in onbruik geraakt, om plaats te maken voor een dynamisch definiëren van de relaties tussen etnische groepen (inter-group relations) en de etnische grenzen die tussen verschillende etnische groepen ervaren en gehanteerd worden (ethnic boundaries, die het verschil aangeven tussen 'wij en zij'). Verschillen tussen etnische groepen zijn namelijk soms moeilijk te herleiden tot culturele kenmerken, omdat etnische groepen altijd onder invloed van elkaar staan. Etnische zelf-definities komen altijd tot stand door het maken van onderscheid ten opzichte van andere groepen. Etniciteit geeft daarom ook, vaak impliciet, aan wat men niet wil zijn. Alleen zeer geïsoleerde en inmiddels nauwelijks meer voorkomende etniciteiten definiëren zichzelf vanzelfsprekend, zonder zich daarbij af te zetten tegenover een buitenwereld.

Antropoloog Fredrik Barth gaf in zijn invloedrijke werk Ethnic Groups and Boundaries, The Social Organization of Culture Difference een benadering van etniciteit waarin etnische groepen zelf categorieën van ascriptie en identificatie zijn en dus het kenmerk hebben interactie tussen mensen te organiseren. Alle andere kenmerken van etnische groepen moeten aan dit eerste kenmerk gerelateerd worden. Hoofdzaak bij een onderzoek naar etnische groepen moet niet de samenstelling van de groepen zijn en hun geschiedenis, maar de etnische grenzen en het handhaven van die grenzen. Volgens Barth is het een misvatting te stellen dat de cultuurdragende eigenschap van een etnische groep hun voornaamste kenmerk is.

Antropoloog Thomas Eriksen legde uit waarom ascriptie en identificatie zo belangrijk zijn: "Deze benadering van etniciteit bepleit een focus op dat wat 'sociaal effectief' is in interetnische relaties. Barth bekijkt de etnische groep voornamelijk in termen van sociale organisatie. Daaruit volgt dat etnische groepen gedefinieerd moeten worden van binnenuit, vanuit het perspectief van haar leden. (…) Barth definieert etniciteit als categoriale ascripties die individuen classificeert op basis van hun 'basisidentiteit'. Omdat lidmaatschap van een etnische groep door de leden zélf moet worden erkend om sociaal effectief te zijn, is dit criterium cruciaal voor Barth."

("This approach to ethnicity advocates a focus on that which is ‘Socially Effective’ in inter-ethnic relations, and Barth regards the ethnic group chiefly in terms of social organisation. It follows that ethnic groups must be defined from within, from the perspective of their members. (…) Barth defines ethnicity as categorical ascriptions which classify individuals in terms of their 'basic, most general identity'. Since ethnic membership must be acknowledged by the agents themselves in order to be socially effective, this is the crucial criterion for Barth.")

Beide wetenschappers zijn typisch voor de anglo-amerikaanse benaderingswijze, die zich sinds het einde van de 19de eeuw richtte op pre-moderne volken, met name die in de gekolonialiseerde Derde Wereld. Deze, ook wel antropologie, genoemde wetenschap is echter niet goed toepasbaar op de etniciteit in Europa. Om de historische betekenis van etniciteit in de Europese verhoudingen te kunnen begrijpen, moet men een uitgangspunt zoeken in de filosofische benadering van Johann Gottfried Herder. Zie etnisch nationalisme.

Etniciteit herkenbaar in ras, taal en religie[bewerken]

Als regel heeft iedere etniciteit een eigen taal ontwikkeld, maar soms onderscheidt een etniciteit zich primair door religie. Het komt ook voor dat bepaalde sociale en beroepsgroepen zich als etniciteit hebben ontwikkeld. Soms kan een ras bepalend zijn, maar dan als afgeleide, namelijk door selectie binnen de groep, en zelden als oorzaak van het ontstaan van de groep. Ten slotte kunnen deze kenmerken, en dan elkaar versterkend, tegelijk voorkomen. Het is in Nederland gebruikelijk om de reikwijdte van het begrip ’’etnisch’’ als een administratieve categorie te beperken tot de identiteit van immigranten en hun nakomelingen uit de voormalige kolonies, uit Afrika en uit Azië. Daarmee wijkt dit versmalde begrip af van de betekenissen die buiten Nederland gelden. De wetenschappelijke waarde van een begrip met zoveel variatie is gering en het gebruik ervan vereist telkens opnieuw een nadere definiëring.

Relatie tussen nationaliteit en etniciteit[bewerken]

Nationaliteit en etniciteit komen vaak overeen en worden daarom vaak verward, maar beide concepten hebben toch een duidelijk verschil. Men kan ze het beste begrijpen als op elkaar aansluitende dus gefaseerde begrippen. Nationalisme was een beweging die in de negentiende eeuw opkwam en werd geleid door een intellectuele elite. Voor haar was de nationaliteit de basis van een modern staatsburgerschap. Zij wilden de verschillende culturen, zo men wil etniciteiten, en sociale lagen binnen de staat verbroederen en homogeniseren door het verspreiden van één (nationale) standaardtaal en één historische identiteit, op grond waarvan zich onderlinge herkenning en solidariteit zouden kunnen ontwikkelen als voorwaarden voor een democratische, uitdrukkelijk nationale, rechtsstaat. Daartoe ontwikkelde zich een dominante etniciteit tot nationaliteit en absorbeerde zij vervolgens andere etniciteiten. De ontwikkeling van de heterogene bevolking van Frankrijk tot ‘la grande nation’ is daarvan het voorbeeld. Vanuit het Île-de-France werden de regio’s vanaf de 15de eeuw in één staatkundig verband - niet zonder dwang en geweld - geharmoniseerd. In dit grotere Frankrijk vond eerst een adellijke elite elkaar, en vervolgens kwam in 18de eeuw een burgerlijke nationale elite naar voren die de adel onttroonde en in de Franse Revolutie ‘de Fransman’ schiep als de ‘citoyen’: de bewuste staatburger die in een gelijkwaardige positie aan het politieke proces van de staat ging nemen. Deze Fransman werd zelfs als universeel model gezien voor de politiek geëmancipeerde individu en de Franse revolutionairen beschouwden daarom alle mede-revolutionairen in de buurlanden ook als ‘Fransen’, en in de verovering van die staten zagen zij daarom geen bezetting maar een bevrijding. Dit universalisme kon echter geen stand houden en de individuele emancipatie zou in de 19de eeuw in elke staat een eigen nationaal programma gaan volgen en tot een veelvoud van elkaar bestrijdende nationalismen leiden. Zie staatsnationalisme.

Een voorbeeld waarbij het Franse model mislukte is Hongarije. Het Habsburgse Koninkrijk Hongarije slaagde er in de negentiende eeuw in om zowel etnische Hongaren (Magyaren) als Szeklers (een bevolkingsgroep van de Hongaarse minderheid in Roemenië) zich onderdeel te laten voelen van de Hongaarse natie. Maar ook de bovenlagen van tal van andere volken die in dit koninkrijk leefden - Slowaken, Duitsers, Joden, Roemenen - namen bewust de Hongaarse taal en cultuur over en werden aldus nationale Hongaren. De verdere ontwikkeling van de Hongaarse natie werd een halt toegeroepen door de ontbinding van het koninkrijk en de verdeling van haar grondgebied over nieuwe nationale staten in het Verdrag van Trianon, 1920. Daarnaast bestaat er een etnische groep Csángó's die eeuwenlang in Roemenië, vlak buiten het Hongaarse Rijk, heeft geleefd bij wie onder Roemeens gezag geen Hongaars nationaal bewustzijn tot ontwikkeling kon komen. De laatste jaren zijn echter de banden tussen de Csángó's en de Hongaren aangehaald en ontwikkelde zich bij een deel van hun alsnog een Hongaars nationaal bewustzijn.

In het geval van Nederland hebben de Friezen het langst een etnisch karakter behouden en dat bewust willen vormgeven met wat genoemd werd de Friese Beweging. De meeste Friezen gingen zich echter na de oprichting van Koninkrijk der Nederlanden als etniciteit onderdeel van de Nederlandse natie voelen. De politieke identiteit van Friese natie bleef die van een minderheid, waarnaast een breder grondvlak onder de Friezen bleef bestaan als Nederlanders met eigen regionaal-culturele identiteit, die zich met name uitte in het gebruik van een eigen taal.

Lange tijd hebben velen zich in de rooms-katholieke zuidelijke provincies afgewend gehouden van de ontwikkeling van een Nederlands natie en men zou daar kunnen spreken van een religieuze etniciteit die zich vormde in de eeuw van Verzuiling en een eigen identiteit ontwikkelde die bij sommigen tegenover die van de Nederlandse nationaliteit beleefd werd en voor velen als een nadrukkelijk andere - katholieke - variant van de Nederlandse identiteit gold. Hierin wordt duidelijk dat het Nederlandse natiebegrip nooit een eenduidig concept was maar bestond uit verschillende elkaar sceptisch of zelfs vijandig bejegenende varianten. Dit heeft de Nederlandse nationale identiteit een losser karakter gegeven dan de nationale identiteiten van andere landen zoals met name Duitsland en Frankrijk.

Het te verdedigen dat er een etnische groep "Marokkaanse Nederlander" bestaat. Mensen die een bewust Nederlandse nationale identiteit willen beleven naast een etnische groepsidentiteit als Marokkaan of specifieker als Berber. Daarnaast zijn er Marokkanen die zich primair tot de Marokkaanse natie voelen behoren en de Nederlandse als een formaliteit beschouwen. Voor de meesten geldt tussen deze uitersten een dynamische middenpositie. Dynamisch omdat die positie kan verschuiven in de persoonlijke ontwikkeling, maar ook kan wisselen tussen de sociale ruimtes waarin men verkeert: beroep, familie, geloof, politiek. Analoog hiermee kan van “Turkse Nederlander” gesproken worden, hoewel daarbij aangetekend moet worden dat de Turken een veel sterker gevormd nationaliteitsbesef hebben dat zich moeilijk als etniciteit ondergeschikt laat maken aan een andere natie. Voor de Koerden is dat dan weer minder een bezwaar omdat zij juist hun etniciteit benadrukken tegenover, zelfs boven hun formele Turkse nationaliteit.

De Vlamingen behoren in ruime zin tot de Nederlandse etniciteit in België, terwijl zij formeel deel uitmaken van de Belgische natie. Maar ‘Nederlands’ is in dit geval niet identiek met de Nederlandse nationaliteit. Dat de cultuur- en standaardtaal van de Vlamingen Nederlands is, maakt hen nog niet tot Nederlanders. Daarom kan men om verwarring te voorkomen beter spreken van een Vlaamse etniciteit waarbinnen de taal Nederlands (met inbegrip van de Vlaamse streektalen) is. Na de stichting van het Koninkrijk België waren deze Vlaamse identiteit en ook de Nederlandse taal ondergeschikt gemaakt aan de Belgische nationaliteit die zich primair in het Frans uitdrukte. Die Belgische nationale identiteit is sinds enkele decennia echter steeds meer verzwakt en de Vlaamse etniciteit heeft zich juist nationaal geëmancipeerd. De eindfase - een eigen Vlaamse nationale staat - ligt echter nog in het verschiet. Niettemin voelt een groeiend deel van de Vlamingen zich al behoren tot een Vlaamse natie. Het grootste deel neemt nog een middenpositie in, naast een afnemend deel dat primair zijn Belgische nationale identiteit wil blijven benadrukken.

Zie ook[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  • Barth, F. (1969) Ethnic Groups and Boundaries, The Social Organization of Culture Difference. Oslo.
  • Eriksen, T.H. (1993) Ethnicity and Nationalism, Anthropological Perspectives. Londen.