Kerkelijke Staat

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Stati Pontifici
 Byzantijnse Rijk 756–1870 Koninkrijk Italië (1861-1946) 
Emblem of the Papacy SE.svg
(Details)
Algemene gegevens
Hoofdstad Rome
Oppervlakte 41.187 km² (1859)
Bevolking 3.125.000 (1859)
Talen Italiaans en Latijn
Munteenheid Lire
Regering
Regeringsvorm Pontificaat
Dynastie n.v.t. (Lijst van pausen)
Staatshoofd Paus

De Kerkelijke Staat of de Pauselijke Staat behoorde tot de belangrijkste historische staten van Italië van ongeveer de 6e eeuw tot het Apennijns Schiereiland werd verenigd in 1861 door het koninkrijk Sardinië (waarna de Kerkelijke Staat, in minder territoriaal uitgebreide vorm, bleef bestaan tot 1870).

De Kerkelijke Staat bestond uit gebieden onder directe soevereine heerschappij van het pausdom. Op zijn hoogtepunt besloeg hij het grootste deel van de moderne Italiaanse regio's Romagna, Marche, Umbrië en Lazio. Deze regerende macht wordt gewoonlijk de wereldlijke macht van de paus genoemd, in tegenstelling tot zijn kerkelijke primaatschap.

Geschiedenis[bewerken]

Middeleeuwen[bewerken]

Uitbreiding van de Kerkelijke Staat rond 800

De pausen hadden reeds in de 4e eeuw aanzienlijke grondgebieden rond Rome verworven, het Patrimonium Petri. Ze wisten dit in de 5e eeuw uit te breiden door in de nadagen van het instortende West-Romeinse Rijk bescherming tegen invallende barbaren te bieden. Deze bezittingen maakten de bisschop van Rome in de 6e eeuw een van de grootste grondbezitters in Italië. Door de hervormingen van paus Gregorius I en het overstappen op een centraal bestuur kreeg dit gebied sterker het karakter van een eenheidsstaat, waarop de pausen met een beroep op een door Constantijn de Grote uitgevaardigde oorkonde, de later als vervalsing ontmaskerde Donatio Constantini, aanspraak maakten. Na de definitieve val van het Romeinse Rijk in West-Europa waren de Ostrogoten de baas in Italië en na hen de Byzantijnen. De Byzantijnen werden op hun beurt grotendeels teruggedrongen door de Longobarden. Paus Stefanus II (III) riep in 754 de hulp van de Frankische koning Pepijn de Korte in om de binnenvallende Longobarden-koning Aistulf af te slaan. Pepijn heroverde de bezette gebieden en schonk ze geheel aan de paus (Pepijnse Schenking), daarmee de aanspraken van het Byzantijnse Rijk op het voorheen door hen geregeerde Italië negerend. De paus werd hiermee heerser over Ravenna, de Pentapolis en de regio rondom Rome. In de 11e eeuw kwam door een alliantie met de Noormannen ook het hertogdom Benevento in pauselijk bezit.

de Kerkelijke Staat rond 1494

De Staat wist gedurende de middeleeuwen zijn soevereiniteit te bewaren. Deze stelde in de praktijk echter vaak niet veel voor, met name in de periode dat de pausen tijdens de zogenaamde Babylonische ballingschap der pausen (1309-1376) in Avignon resideerden. Gedurende de renaissance trachtten de pausen hun gezag weer te versterken en in de 15e eeuw werden gebieden rondom Parma, Modena, Bologna, Ferrara, Romagna en Perugia aan de Kerkelijke Staat toegevoegd, die onder paus Julius II zijn grootste omvang bereikte door zijn Oorlog van de Liga van Kamerijk. De betekenis van de staat nam na de 16e eeuw weer af en deze speelde in de internationale politiek geen rol van betekenis.

De Kerkelijke Staat tussen 1797 en 1808

Napoleontische tijd[bewerken]

De Franse Revolutie en de nasleep hadden desastreuze gevolgen voor de staat. De steden Modena, Bologna, Ferrara en Romagna werden de Kerkelijke Staat na de Franse invasie in 1797 ontnomen om de nieuwe Cispadaanse Republiek te vormen, die later samen met de Transpadaanse Republiek de Cisalpijnse Republiek vormde. Een jaar later werd de Staat geheel bezet, waarop de Fransen de Romeinse Republiek uitriepen. Paus Pius VI stierf in 1799 in ballingschap. De staat werd in 1800 hersteld, maar in 1808 opnieuw bezet en een jaar later geannexeerd door Frankrijk. De Kerkelijk Staat werd verdeeld in twee departementen, Rome en Trasimène.

Na 1815[bewerken]

De in deze periode geïntroduceerde liberale denkbeelden speelden ook na de restauratie van de Kerkelijke Staat door het Congres van Wenen (1815) een rol. In 1830/1831 vonden revoluties plaats tegen het reactionaire kerkelijke regime. Na een nieuwe revolutie in 1848 ontvluchtte paus Pius IX tijdelijk de stad, waarna in 1849 een nieuwe liberale Romeinse Republiek werd gesticht, die echter nog datzelfde jaar met hulp van Frankrijk, Oostenrijk en de Beide Siciliën werd heroverd.

De Kerkelijke Staat tussen 1859 en 1870

De Kerkelijke Staat vormde voor het Risorgimento (de Italiaanse eenheidsbeweging op liberale en patriottische grondslag) een obstakel, omdat hij Italië in tweeën verdeelde en buitenlandse mogendheden hem beschermden. Na de Oostenrijkse nederlaag in 1859 stemden de pauselijke gebieden Emilia, Umbrië en Marche voor toetreding tot het koninkrijk Italië. De paus restte nu nog slechts Lazio, het oude Patrimonium Petri.

Het einde kwam toen de Franse troepen die zich sinds 1849 in de Pauselijke Staat ophielden, zich in 1870 terugtrokken naar aanleiding van de Franse nederlaag in de Frans-Duitse Oorlog, waarop Victor Emanuel II het gehele gebied veroverde. Italië erkende in 1871 de onschendbaarheid en soevereiniteit van de paus, maar wees deze geen territorium toe. De Heilige Stoel weigerde de positie en bevoegdheid van de nieuwe Italiaanse overheid wettelijk te erkennen; paus Pius IX en zijn opvolgers tot Pius XI weigerden zich dan ook buiten Vaticaan te begeven; dit beslaat slechts een gebied van 0,44 km2.

Dit dispuut werd pas tijdens het bewind van Benito Mussolini opgelost krachtens de Verdragen van Lateranen in 1929 door erkenning van de soevereiniteit van Vaticaanstad. Sindsdien zijn de betrekkingen tussen Vaticaanstad en de Italiaanse staat redelijk goed te noemen.