Constantijn I de Grote

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Constantijn de Grote)
Ga naar: navigatie, zoeken
Constantijn de Grote
Kolossale buste van Constantijn in het Chiaramontimuseum (4e eeuw).
Kolossale buste van Constantijn in het Chiaramontimuseum (4e eeuw).
Geboortedatum ca. 280[1]
Sterfdatum 337
Tijdvak Tetrarchie
Periode 307-337
Voorganger Licinius
Constantius I
Opvolger Constantius II
Octavius (Brittannië?)
Staatsvorm dominaat
Medekeizer Galerius (306-311)
Maximinus II Daia (310-313)
Licinius (308-324)
tegen Valens (316-317)
tegen Martinianus (324)
Persoonlijke gegevens
Naam bij geboorte Constantinus
Naam als keizer Gaius Flavius Valerius Aurelius Constantinus
Bijnaam Magnus
Zoon van Constantius I Chlorus
Helena
Vader van Crispus (I)
Constantijn II (II)
Constantius II (II)
Constans (II)
Constantina (II)
Helena (II)
Gehuwd met Minervina (gestorven of gescheiden voor 307)
Fausta
Oom van Julianus Apostata
Licinius II
Hannibalianus
Nepotianus
Romeinse keizers
Portaal  Portaalicoon   Romeinse Rijk

Flavius Valerius Aurelius Constantinus[2] (Naissus, 27 februari ca. 280[1] - Ancyrona, 22 mei 337), bekend als Constantijn I de Grote, was een Romeins keizer. In juli 306 werd hij door zijn troepen uitgeroepen tot imperator en Augustus. Vanaf 308 werd hij als imperator en Augustus erkend. Door militaire overwinningen ging hij een steeds groter deel van het Romeinse Rijk regeren tot hij vanaf 324 alleenheerser werd.

Constantijn is vooral bekend als de eerste Romeinse keizer die zich zou hebben uitgesproken voor het christendom, en die de grondslag legde voor de christelijke fase van het Romeinse Rijk dat zich verder zou ontwikkelen tot het Byzantijnse Rijk. Met zijn edict van Milaan (313) maakte Constantijn een einde aan de christenvervolgingen.

Een andere grote daad was de stichting van een nieuwe hoofdstad voor het rijk, die al snel, naar haar stichter, Constantinopel werd genoemd. Constantinopel was strategisch gelegen aan een kruispunt van zowel land- als zeeroutes, en dichter bij het economische zwaartepunt van het rijk.

In de Byzantijnse liturgische kalender, gevolgd door de Oosters-orthodoxe Kerk en Oosters-katholieke Kerken met Byzantijnse ritus, zijn zowel Constantijn als zijn moeder Helena opgenomen als heiligen. Hoewel hij, anders dan een heel aantal andere Constantijnen, niet is opgenomen in de Latijnse lijst van heiligen, wordt hij in de Westerse kerktraditie geëerd met de titel "de Grote" voor zijn bijdrage aan het christendom.

Levensloop[bewerken]

Jeugd en opleiding[bewerken]

Constantijn werd op 27 februari van een onbekend jaar omstreeks 280 geboren te Naissus in de provincia Moesia.[1] Hij was de zoon van de Romeinse officier Constantius I Chlorus en Helena. Deze laatste was waarschijnlijk van zeer bescheiden afkomst, want onder andere Ambrosius vermeldt dat ze in een herberg werkte.[3] Waarschijnlijk was de relatie tussen de jonge officier en Helena een concubinatus.[4] Hoe lang de relatie tussen Constantius en Helena standhield, is onbekend. Toch zou zijn moeder een belangrijke rol hebben gespeeld in zijn opvoeding. Hij zou haar na zijn vaders dood de titel "Augusta" verlenen.[5]

Constantijn had drie halfbroers en drie halfzussen uit het ten laatste in 289 gesloten huwelijk van zijn vader met Flavia Maximiana Theodora, een (stief)dochter van de West-Romeinse keizer Maximianus: Julius Constantius, Flavius Dalmatius, Flavius Hannibalianus, Constantia, Eutropia en Anastasia.[6] Voor de rest is er maar weinig over zijn jeugd bekend. Zijn vader was waarschijnlijk onder de keizers Aurelianus en Probus officier geweest en trad pas onder Diocletianus op het politieke toneel.

De jonge Constantijn ontving een uitstekende opleiding. Hij leerde vloeiend Grieks spreken en zijn fascinatie werd gewekt voor de filosofie.[7]

Vader Constantius Caesar en Augustus (293-306)[bewerken]

Nadat Constantius in 293 als Caesar was opgenomen in Diocletianus' tetrarchie, woonde Constantijn aanvankelijk aan het hof van Augustus Diocletianus in Nicomedia. Later begeleidde hij Galerius in de oorlog aan de Donau.

In 305 deden beide Augusti, Diocletianus en Maximianus, troonsafstand en Constantius volgde Maximianus op als Augustus in het westen. Hoewel er in de families van de toenmalige keizers twee zonen waren die de juiste leeftijd hadden (Constantijn en Maxentius, zoon van Maximianus), werden beiden uitgesloten bij de machtsoverdracht. Het waren Severus II en Maximinus Daia die tot Caesares werden gepromoveerd.

Constantijn Caesar van Britannia en Gallia[bewerken]

Daarop verliet Constantijn Nicomedia om zich bij zijn vader te voegen in Gallia. Tijdens een veldtocht tegen de Picten van Caledonia werd Constantius echter ziek en hij stierf op 25 juli 306 in Eboracum (York). Generaal Chrocus, van Alamaanse oorsprong, en de troepen, die loyaal waren aan Constantius' nagedachtenis riepen Constantijn onmiddellijk uit tot Augustus.[8] Gallia en Britannia accepteerden de heerschappij van Constantijn, Hispania wees die af.

Hoewel Constantius binnen het opvolgingssysteem van de tetrarchie uit 305 als Augustus een nieuwe Caesar kon aanduiden, was Constantijns claim (of die van zijn troepen) op de titel Augustus hiermee in strijd. Daarom vroeg Constantijn aan Galerius, de Augustus van het oosten, om te worden erkend als opvolger van zijn vader. Galerius stond hem de titel Caesar toe, waarmee hij Constantijns heerschappij over het grondgebied van zijn vader erkende, en promoveerde Severus tot Augustus van het westen.[9]

Caesar in het westen (306-312)[bewerken]

Versterking Gallia[bewerken]

Bronzen (modern) standbeeld van Constantijn I in York, Engeland, nabij de plaats waar hij werd uitgeroepen tot Augustus in 306.

Voortaan was Constantijn als Caesar verantwoordelijk voor Britannia en Gallia. Hierdoor had hij het bevel over een van de grootste Romeinse legers, dat gelegerd was aan de belangrijke Rijngrens. Hoewel Gallia een van de rijkere regio's van het rijk was, had het erg te lijden gehad onder de crisis van de derde eeuw. Vele gebieden waren ontvolkt en steden waren tot ruïnes vervallen. Tijdens zijn verblijf in Gallia, van 306 tot 316, zette Constantijn zijn vaders politiek voort om de Rijngrens te versterken en de Gallische provinciae opnieuw tot bloei te brengen. Zijn voornaamste residentie was rond die tijd Augusta Treverorum (Trier).[10]

Onmiddellijk na zijn promotie tot Caesar, gaf Constantijn zijn vaders veldtocht in Britannia op en keerde hij terug naar Gallia om een opstand van de Franken te onderdrukken. Een andere expeditie tegen de Franken volgde in 308. Na zijn overwinning begon hij met de bouw van een brug over de Rijn in Colonia Claudia Ara Agrippinensium (Keulen) om een permanente vestiging te stichten aan de rechteroever van de rivier. Een nieuwe campagne in 310 moest worden afgeblazen vanwege Maximianus' opstand (zie onder). De laatste van Constantijns oorlogen aan de Rijngrens was die van 313, na zijn terugkeer uit Italia. Deze eindigde opnieuw in een overwinning voor Constantijn.[11]

Constantijns hoofddoel was stabiliteit, wat hij trachtte te bereiken door onmiddellijke, vaak wrede, strafexpedities tegen opstandige stammen. Zo toonde hij zijn militaire macht door de vijanden aan hun kant van de Rijngrens te verslaan en vele gevangenen af te slachten bij de spelen in de arena. Deze strategie bleek haar vruchten af te werpen. De Rijngrens bleef relatief rustig gedurende de rest van zijn regering.

Intriges Caesares, Augusti, usurpators en een ex-Augustus[bewerken]

In de interne conflicten van de tetrarchie probeerde Constantijn zo veel mogelijk neutraal te blijven. In 307 zocht ex-Augustus Maximianus (die onlangs was teruggekeerd op het politieke toneel na zijn (gedwongen) troonsafstand in 305) Constantijn op om zijn steun te krijgen in de oorlog van zijn zoon Maxentius tegen Severus II en Galerius. Daarop liet Constantijn zich van zijn eerste vrouw Minervina scheiden, de moeder van zijn zoon Crispus (305–326), om met Maximianus' dochter Fausta te huwen en zo hun bondgenootschap te bezegelen. Bovendien werd hij door Maximianus gepromoveerd tot Augustus, hoewel deze daarvoor niet de bevoegdheid had. Toch mengde hij zich niet in het conflict van Maxentius met de andere twee tetrarchen.[12]

Maximianus keerde in 308 terug naar Gallia nadat hij er niet in was geslaagd zijn zoon te onttronen. Later dat jaar vond de keizersconferentie van Carnuntum plaats, gehouden onder Diocletianus, Galerius en Maximianus. Maximianus - die opnieuw naar het purper had gegrepen - werd wederom gedwongen troonsafstand te doen en Constantijn moest zich opnieuw tevreden stellen met de titel Caesar. In 310 geraakte Maximianus betrokken in een samenzwering tegen zijn schoonzoon, toen Constantijn terugkwam van een campagne tegen de Franken.

Toen Constantijn hier echter lucht van kreeg, sloeg hij de opstand in korte tijd neer. Maximianus, die naar Massilia (Marseille) was gevlucht, werd uitgeleverd door zijn eigen troepen en gedood of gedwongen zelfmoord te plegen. Zowel Constantijn als Maximinus Daia waren niet tevreden met hun herwonnen positie van Caesar en evenmin met de aanstelling van Licinius tot Augustus als opvolger van de gestorven Severus II. Zij daagden hem uit door zichzelf Augustus te noemen, wat hen door Galerius in 310 was toegestaan, waardoor er dus officieel vier Augusti waren. Met Galerius' dood in 311 stierf de laatste tetrarch met genoeg autoriteit en motivatie om de tetrarchie voort te zetten, waardoor het systeem al snel begon in te storten. In de strijd om de macht die daarop volgde, verbond Constantijn zich met Licinius, terwijl Maximinus Maxentius benaderde, die toen nog steeds officieel werd beschouwd als een usurpator die Severus had verslagen en gedood.[12] Een andere - minder succesvolle usurpator - was Domitius Alexander (308–309) in Africa.

westen oosten
Periode Augustus Caesar Augustus Caesar
293-305 Maximianus Constantius Chlorus Diocletianus Galerius
305-306 Constantius Chlorus Severus Galerius Maximinus Daia
306-307 Severus Constantijn
307/308-310 Licinius
310*-311 **
311-313
313-324 Constantijn Licinius
324-337 Constantijn
* Vanaf nu zijn er vier Augusti.
** Galerius' gebied werd verdeeld onder Licinius en Maximinus Daia.

Overwinning op Maxentius, heerschappij Italia (312)[bewerken]

Een follis van Constantijn.

Nadat hij Hispania aan zijn machtsgebied had toegevoegd, stak Constantijn in 312 met zijn leger de Alpen over en viel hij Maxentius aan, die de macht in Italia had gegrepen. Maxentius’ troepen waren talrijker dan die van Constantijn; volgens een onbekend panegyricus beschikte Maxentius over een veronderstelde 100.000 man, waarvan zich een deel in het noorden van Italia in de regio van Turijn, Verona en Segusio had verzameld.[13] Volgens diezelfde Panegyricus kon Constantijn vanwege de constant bedreigde Rijngrens slechts een vierde van zijn gehele legermacht meenemen, wat neerkwam op ongeveer 40.000 man.[14] Dit leger bestond uit eenheden die in Britannia, Gallia en Germania waren gelegerd en die hierdoor meer ervaren waren in de strijd dan de eenheden uit Italia. Constantijn wist Maxentius' troepen dan ook snel te verslaan in veldslagen bij Turijn, bij Brescia en bij Verona. In deze laatste slag viel ook de praefectus praetorio van Maxentius, Ruricius Pompeianus.

De triomfboog van Constantijn in Rome, opgericht na zijn overwinning op Maxentius.

Constantijn trok nu op naar Rome en versloeg Maxentius op 28 oktober 312 in de slag bij de Milvische brug, wat hem tot de onbetwiste Augustus in het westen maakte. In de jaren die volgden zou hij zijn militaire overmacht op zijn rivalen in de uiteenvallende tetrarchie consolideren. Hij rekende ook voorgoed af met de Praetoriaanse garde, die zijn voorganger Maxentius had gesteund en waarvan de leiders vaak een bedreiging vormden voor de keizer.

Dank aan christelijke God én Romeinse goden[bewerken]

Tijdens de strijd om de pons Milvius liet Constantijn zijn soldaten een symbool aanbrengen op hun schilden, waarvan christenen geloven dat dit het labarum-symbool was. De verslagen van Eusebius – die zich waarschijnlijk op uitlatingen van Constantijn baseert die deze jaren later heeft gedaan – en Lactantius spreken elkaar deels tegen, maar zeggen eensgezind dat Constantijn zijn overwinning toeschreef aan de god van de christenen.[15] Het labarum en het ermee geassocieerde motto "in hoc signo vinces" (in dit teken zal je overwinnen) zou volgens de overlevering aan Constantijn zijn verschenen in een visioen toen hij in Saxa Rubra was, wat zou hebben geleid tot zijn uiteindelijke bekering tot het christendom.[16]

Onder historici is er echter discussie of dit teken een zuiver christelijke, een heidense (verwijzend naar de zonnegod) of een astronomische betekenis had.[17] Na zijn overwinning bij de Milvische brug bracht Constantijn overigens offers aan de Romeinse goden.

Edict van Milaan (313)[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Edict van Milaan voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

In 313 ontmoet Constantijn Licinius in Milaan om hun alliantie te verzekeren door het huwelijk van Licinius en Constantijns geliefde halfzus Constantia. Tijdens deze ontmoeting kwamen beide Augusti overeen om het zogenaamde edict van Milaan uit te vaardigen, hierdoor officieel de volledige godsdienstvrijheid in het Rijk uitroepen (in het bijzonder voor het christendom, dat echter pas onder Theodosius tot staatsgodsdienst zou worden verheven).[18] De conferentie werd echter ingekort, toen Licinius bericht ontving dat zijn rivaal Maximinus Daia de Bosporus was overgestoken en Licinius' grondgebied was binnengevallen. Licinius vertrok en wist uiteindelijk Maximinus te verslaan, waardoor hij nu heerser werd over het hele oostelijk deel van het Romeinse Rijk.

Verovering Illyricum op Licinius (314-316)[bewerken]

De relatie tussen de twee overgebleven Augusti verslechterde echter al snel en in 314 of 316 (de datering staat niet vast) stonden Constantijn en Licinius tegenover elkaar. De oorzaak voor hun strijd was een samenzwering tegen Constantijn, mogelijk op aanstichten van Constantijns halfzus Anastasia en haar echtgenoot Bassianus, wiens broer Senecio een officier van Licinius was.[19] Nadat het complot was ontdekt, weigerde Licinius echter Senecio uit te leveren. Dit moet Constantijn in zijn vermoeden hebben gesterkt, dat Licinius in meer of mindere mate was betrokken geweest in de samenzwering. Met zijn Gallisch-Germaanse troepen, ongeveer 20.000 man sterk, rukte Constantijn op en trok Illyricum binnen, waar Licinius hem met 35.000 man zou treffen bij Cibalae (het huidige Vinkovci). Licinius verloor de slag echter en moest in allerijl naar Thracia vluchten, waar hij nog troepen had gelegerd. In de buurt van Adrianopolis kwam het opnieuw tot een veldslag, die echter onbeslist bleef. Uiteindelijk kwamen Constantijn en Licinius tot een overeenkomst, waarbij de laatste feitelijk de hele Balkan moest ontruimen, zodat Constantijn Illyricum kon toevoegen aan zijn machtsgebied.

In 317 kwam het opnieuw tot een conflict in de slag bij Campus Ardiensis. Deze slag resulteerde in een overeenkomst waarbij Constantijns zonen Crispus en Constantijn samen met Licinius' zoon Licinius II als Caesares werden aangesteld.[20]

Overwinning op Licinius, Constantijn alleenheerser (320-324)[bewerken]

In 320 ging Licinius in tegen de godsdienstvrijheid die was vastgelegd in het edict van Milaan uit 313 door een nieuwe christenvervolging te beginnen.[21] Dit was een provocatie tegen Constantijn in het westen, die uiteindelijk zou uitlopen op de grote burgeroorlog van 324. Vanaf 321 dateerden beide rijksdelen niet meer gezamenlijk naar de gemeenschappelijke consuls, en in 322 resideerde Constantijn in Thessalonica, bijna aan de grens van hun beider machtsbereik, wat Licinius zeker moet hebben geprovoceerd. Licinius, geholpen door Gotische huurlingen, stond voor de traditionele Romeinse religie, terwijl Constantijn en zijn Franken optrokken onder de christelijke standaard van het labarum. Aan beide kanten zag men de strijd in religieuze termen. Hoewel ze in de minderheid leken te zijn, kwamen Constantijns troepen, ongeveer 170.000 man sterk, als overwinnaar uit de drie veldslagen in 324 bij Adrianopolis, de Hellespont, en Chrysopolis.[22]

Na de definitieve nederlaag van Licinius in 324 (hij werd in 325 beschuldigd van samenzweren tegen Constantijn en geëxecuteerd), werd Constantijn alleenheerser over het Romeinse Rijk.[23] Hij vierde zijn overwinning door het agnomen Victor (overwinnaar) aan te nemen en liet daarbij zijn vorige agnomen Invictus (onoverwinnelijke) vallen, dat een heidense connotatie had, daar hij deze naam moest delen met Sol Invictus. De tetrarchie had definitief afgedaan.

Een solidus van Constantijn, geslagen in Thessalonica (327).

Constantijn alleenheerser (324-337)[bewerken]

Moord op zoon en echtgenoot (326)[bewerken]

In 326 liet Constantijn zijn oudste zoon Crispus en kort daarop zijn vrouw Fausta, stiefmoeder van Crispus, doden. De aanleiding hiervoor is onduidelijk: de bronnen zijn onduidelijk en spreken elkaar deels tegen.

Volgens een overlevering in de bronnen zou Fausta Crispus ervan hebben beschuldigd een affaire met haar te hebben gehad, waarop Constantijn zijn zoon doodde. Toen hij later – mogelijkerwijs op aanwijzingen van zijn moeder Helena – vaststelde, dat de aanklacht vals was, doodde hij ook de intrigante zelf.

Er zijn echter ook andere verklaringen mogelijk, bijvoorbeeld dat Crispus misschien ontevreden was over zijn positie en (bewust of onbewust) in een intrige verwikkeld raakte, waarin mogelijk ook Fausta was betrokken.[24]

Stichting Constantinopel (330)[bewerken]

Constantijn met een stadsmodel van Constantinopel (mozaïek in de Hagia Sophia, ca. 1000)

Constantijn bouwde de oude Griekse kolonie Byzantion uit en hernoemde haar tot Nova Roma (Nieuw Rome). Hij liet in 330 speciale herdenkingsmunten uitbrengen ter ere van deze gebeurtenis. Deze stad werd, in plaats van Rome, het nieuwe Romeinse centrum van onderwijs, welvaart en culturele bewaring.

Constantijn gaf Nova Roma een eigen senaat en burgerlijke ambten zoals die van Rome. De herstichte stad werd beschermd door het vermeende Heilige Kruis, de staf van Mozes en andere relikwieën, hoewel een cameo die zich nu in het Hermitage museum bevindt Constantijn voorstelt terwijl hij wordt gekroond door de tyche van de nieuwe stad (zie afbeelding 7). De figuren van oude goden werden vervangen en vaak geassimileerd tot christelijke symbolen. Op de plaats van een tempel van Aphrodite verrees de nieuwe Kerk van de Heilige Apostelen. Enkele generaties later deed het verhaal de ronde dat een visioen Constantijn naar deze plek bracht, en dat een engel die niemand anders kon zien hem over de loop van de nieuwe muren had geleid. Na zijn dood werd zijn stad hernoemd tot Nova Roma Constantinopolitana (Constantinopel, van Konstantinou polis, Constantijns stad).[25] Constantijns beslissing was verstandig, daar de nieuwe stad strategisch beter gelegen was (ze lag aan een belangrijk verkeersknooppunt en was van de vaak bedreigde Donau- en oostgrenzen ongeveer even ver verwijderd; bovendien was ze beter beschermd) en ook in het steeds belangrijker wordende oosten was gelegen.

Een cameo die Constantijn gekroond door Constantinopel voorstelt.

In de nu vergrote stad verrezen talloze nieuwe bouwwerken, waarbij ook allerlei heidense motieven werden gebruikt. Het aanzien van de stad werd op allerlei manieren vergroot. Er was bijvoorbeeld een eigen praefectus urbanus, alsook een senaat. Bovendien voorzag Constantijn in compensatie voor hen die zich in zijn nieuwe stad vestigden. Nochtans werd de stad slechts na enkele decennia de daadwerkelijke hoofdstad van het oostelijke rijksdeel, en werd ook de stadsontwikkeling pas in de 5e eeuw beëindigd.

Rome, dat reeds enkele decennia vóór 330 slechts nog pro forma de hoofdstad was, verloor geleidelijk verder aan belang, hoewel het een belangrijk symbool van het "Eeuwige Stad"-idee bleef.

Consolidering rijksgrenzen[bewerken]

In 332 versloeg Constantijn de Goten en stelde door een verdrag (foedus) de Donaugrenzen veilig.[26] In 334 werden de Sarmaten verslagen. Constantijn, die op militair gebied een van de meest succesvolle Romeinse keizers was, nam ook in andere gevallen talrijke maatregelen voor de stabilisatie van de grenzen en beveiligde ook de Rijn- en Donaugrenzen verder met extra vestingen (bij Oescus aan de Donau werd een versterkt bruggenhoofd ingericht).

Legerhervormingen[bewerken]

Constantijn met zijn drie zonen die het rijk erfden.

De reeds eerder door Diocletianus begonnen (of beter: verder doorgevoerde) legerhervorming werd onder Constantijn voltooid. Zo was er vanaf nu een echt bewegingsleger (Comitatenses) en een grensleger (Limitanei). Constantijn zorgde hiermee voor een duurzame stabilisatie van de grensgebieden, aangezien de vijandige legers nu na een inval gemakkelijker zouden kunnen worden opgevangen achter de grens.

Ook voerde Constantijn het ambt van legerleider (magister militum) in, evenals nieuwe hofambten, zoals het ambt van quaestor sacri palatii (hoofd van de kanselarij) en magister officiorum (hoofd van de ambtenarij, dat echter reeds onder Licinius bestond). De drie posten van praefectus praetorio zouden worden omgevormd tot een leidinggevende functie over de civiele administratieve districten van het rijk.[27]

Binnenlands beleid[bewerken]

Op binnenlands vlak hield Constantijn ook vast aan de door Diocletianus uitgezette koers: sacrale, nu weliswaar niet meer heidens, maar christelijk gefundeerde positie van het keizerschap; toenemende binding van boeren aan de grond (cf. lijfeigenschap).

Overlijden[bewerken]

In 337 nam Constantijn zich een veldtocht voor tegen de Sassaniden, zogezegd ter bescherming van de christenen in Perzië (zie ook Romeins-Perzische oorlogen), maar moderne historici houden ook rekening met het motief van de Alexander-imitatio.[28] Kort voor het tot een veldtocht kwam, werd Constantijn echter erg ziek. Kort daarop overleed hij (Pinksteren 337) bij Nicomedia.[29] Zoals het toen gebruikelijk was, had Constantijn zich slechts kort voor zijn dood laten dopen door de Ariaanse bisschop Eusebius van Nicomedia. Ironisch genoeg werd hij na zijn dood vergoddelijkt door de senaat, zoals het daarvoor de gewoonte was om goede keizers te eren.

Opvolging[bewerken]

Constantijns drie nog levende zonen, Constantijn II, Constantius II en Constans, waren door Constantijn reeds vroeg als Caesares benoemd en volgden hem gezamenlijk op. Deze situatie leidde tot veel strijd tussen deze broers, oorlog, en een bloedbad waaruit Constantius uiteindelijk als overwinnaar tevoorschijn kwam.

Constantijn had ook nog twee dochters, Constantina en Helena, de echtgenote van de latere keizer Julianus Apostata.[30]

Aspecten van zijn regering[bewerken]

Houding tegenover Romeinse goden en christendom[bewerken]

Jeugd en bekering in 312[bewerken]

Een gouden medaillon met Constantijn en Sol Invictus en profil afgebeeld en de legende INVICTVS CONSTANTINVS MAX AVG geslagen in Ticinum in 313 (Cabinet des médailles de la Bibliothèque nationale de France)[31]

Mogelijk vereerde Constantijn net als zijn vader de zonnegod Sol Invictus, mogelijk kreeg hij het christelijk geloof, dat hij sinds zijn jeugd kende, mee van zijn moeder Helena.

Zijn overwinning in 312 op Maxentius (zie boven) schreef Constantijn toe aan de god van de christenen; hij dankte echter ook de Romeinse goden voor die overwinning. Diverse schrijvers stellen dat Constantijn zich in 312 of eerder tot het christendom bekeerde; sommigen van hen beschouwen die bekering trouwens als een ‘politiek berekenende daad’.[32]

Op de boog van Constantijn in Rome, opgericht om zijn overwinning bij de pons Milvius te herdenken, staan echter de heidense symbolen van de godin Victoria en de zonnegod. Eenduidig christelijke symbolen ontbreken. Het is echter mogelijk, dat Constantijn op de boog niet naar de god van de christenen verwees om zijn heidense onderdanen niet voor het hoofd te stoten.[33] Men schat dat in Constantijns tijd ongeveer twintig procent van de Romeinse bevolking christen was en een groter aantal van de militairen het christelijke geloof aanhingen.

Chronologie 313-325[bewerken]

In 313 vaardigde Constantijn met medekeizer Licinius het Edict van Milaan uit, waarin staat dat de Romeinse burgers vrij zijn zelf hun religie te kiezen en te belijden. Hiermee kwam een eind aan de christenvervolgingen, en werden geconfisqueerde kerkgoederen teruggegeven.

In 314 riep Constantijn het concilie van Arles samen. In 316 trad Constantijn op als rechter in een godsdienstig dispuut in de provincia Africa en veroordeelde hij de ketterij van het Donatisme.[34]

In 321 stelde hij de zondag als rustdag in voor het gehele rijk.[35] Hij stelde bisschoppen aan of zette ze weer af naar eigen goeddunken.

Na 324 verdwenen heidense muntemblemen en werden steeds meer christenen belangrijke ambten toevertrouwd, waarmee het belang van de traditionele culten meer en meer verdween. Incidenteel kwam het tot gevallen van plundering van heidense tempels en een verbod op private haruspiciae.[36]

In 325 riep hij het eerste concilie van Nicaea bijeen, het eerst effectieve oecumenische concilie (tenzij het concilie van Jeruzalem als oecumenisch wordt beschouwd). Tijdens dit concilie werd het Arianisme veroordeeld en de geloofsbelijdenis zoals die vandaag de dag bekend is vastgelegd. Het concilie van Nicaea wordt traditioneel beschouwd als het eind van de vroeg-christelijke periode.

Aanwijzingen voor Constantijns christelijke gezindheid[bewerken]

Gedurende zijn regering versterkte Constantijn de positie van de bisschoppen, hij bedeelde de kerk met landerijen, steunde de kerk op financieel gebied, stond privileges toe aan de clerus (bijvoorbeeld vrijstelling van bepaalde belastingen), promoveerde christenen tot hoge overheidsposten, en gaf eigendommen terug die waren geconfisqueerd tijdens de vervolging onder Diocletianus.[37] Hij stichtte basilicae en kerken, waaronder de Heilig Grafkerk in Jeruzalem en de oude Sint-Pietersbasiliek te Rome.

Wanneer Constantijn naar christenen schreef, maakte hij duidelijk dat hij geloofde dat hij zijn successen enkel en alleen aan de bescherming van de God van de christenen had te danken.[38] Volgens Eusebius beval Constantijn het schrijven van vijftig Bijbelkopieën voor de kerken in Constantinopel, omdat vele Bijbels tijdens de vervolgingen waren vernietigd, en liet Constantijn zijn zoons in het christelijk geloof onderwijzen.

Constantijn beschouwde zichzelf verantwoordelijk tegenover God voor de geestelijke gezondheid van zijn onderdanen en dus was het zijn plicht om orthodox te blijven in zijn geloof.[39] In de visie van Constantijn was het aan de kerk en de bisschoppen om te bepalen waaruit de gepaste verering van God bestond,[40] maar was het de rol van hem, de keizer, om de navolging van deze juiste doctrine af te dwingen, ketterijen uit te roeien en de kerkelijke eenheid te bewaren.[41]

Sommige geleerden stellen echter dat Constantijn misschien pas later in zijn leven, bijvoorbeeld na zijn veertigste jaar, christen werd.[42]

Constantijn en de joden[bewerken]

Constantijn voerde verscheidene legislatieve maatregelen in met betrekking tot de joden: het werd hen verboden christelijke slaven te hebben of hun slaven te besnijden. Bekering van christenen tot het jodendom werd verboden. Bijeenkomsten voor religieuze diensten werden beperkt, maar het werd joden toegestaan jaarlijks Jeruzalem binnen te gaan op Tisja be'Aaw, waarop de verwoesting van de tempel in 70 na Chr. (aan het einde van de Joodse Oorlog) wordt herdacht. Constantijn dwong van het eerste concilie van Nicaea ook een verbod af tegen het vieren van Pasen op de dag voor het joodse Pesach op 14 Niesan, zoals de quartodecimanen deden.[43]

Hervormingen[bewerken]

Munt van Constantijn met een voorstelling van de zonnegod Sol Invictus, die een wereldbol vasthoudt en zijn rechterhand omhoog steekt. De legende op de keerzijde leest SOLI INVICTO COMITI.

Constantijns iconografie en ideologie[bewerken]

Munten die voor keizers worden geslagen geven dikwijls informatie over hun persoonlijke iconografie. Zo verschijnen bij het begin van Constantijns regering aanvankelijk consequent voorstellingen van Mars en later (vanaf 310) van Apollo als zonnegod op de keerzijde van munten.[44] Mars werd geassocieerd met de tetrarchie en het gebruik van deze symboliek door Constantijn diende om de legitimiteit van zijn regering te benadrukken. Na zijn breuk met Maximianus in 309-310, claimde Constantijn een wettige afstammeling te zijn van de derde-eeuwse keizer Marcus Aurelius Claudius Gothicus ('Claudius Gothicus'), de held van de slag bij Naissus (september 268).[45]

Gothicus had beweerd de goddelijke bescherming van Apollo-Sol Invictus te genieten. Constantijn bevorderde ook een vereenzelviging van zichzelf met Sol Invictus, de laatste god die op zijn munten verscheen.[46]

Follis van Constantijn met op de keerzijde een labarum.

De keerzijden van zijn munten werden verscheidene jaren gedomineerd door de legende SOLI INVICTO COMITI ("van Sol Invictus' metgezel") (zie afbeelding 9). De voorstelling beeldde Apollo af met een zonnehalo, zoals Helios, en de wereldbol in zijn handen. In de jaren 320 had Constantijn zelf een halo. Er zijn ook munten die Apollo voorstellen terwijl hij met zijn zonnewagen over een schild rijdt dat Constantijn vasthoudt(zie afbeelding 5).[47] Elementen van deze associatie bleven zelfs na Constantijns beroemde bekering tot het christendom in 312 voortbestaan. Daarna begon langzaam maar zeker de christelijke symboliek, hoewel in sommige gevallen dubbelzinnig, op te duiken in de keizerlijke iconografie.[48] Een munt van rond 312, bijvoorbeeld, toont de chi-rho, de eerste twee letters van de naam Christus in het Grieks, op een helm die Constantijn draagt.[49]

Een voorbeeld van de "starende ogen" op munten uit de latere regering van Constantijn.

Een voortzetting van het iconografisch precedent kan in het grotere oog van het muntportret worden gezien. Dit suggereert een fundamentelere verandering in de officiële beeldvorming. Vanaf de late derde eeuw, begonnen portretten minder realistisch en meer geïdealiseerd te worden.[50] De keizer als keizer, niet slechts als een individu, is van primair belang. De meest voorkomende kenmerken van deze stijl zijn de brede kaak en gespleten kin. De grote starende ogen zullen in de loop van de vierde eeuw steeds groter worden: vergelijk met de vroege vijfde-eeuwse zilveren munten van Theodosius I.

Constantijns hof[bewerken]

Constantijn had veel respect voor cultuur en het christendom en zijn hofhouding bestond uit oudere, gerespecteerde en eerbare mannen. Hoewel voorname Romeinse families die het christendom weigerden aan te nemen, de toegang tot machtsposities werd ontzegd, bekeerde twee derde van zijn topambtenaren zich niet tot het christendom.[51]

Constantijns juridische erfenis[bewerken]

Constantijn voerde wetten in die de beroepen van slager en bakker erfelijk maakten, en, belangrijker nog, hij steunde het veranderen van het statuut van coloni (pachtboeren) naar dat van horigen. Zo legde hij onbedoeld de basis voor de Europese maatschappij gedurende de middeleeuwen.[52]

Constantijns wetten vormden in allerlei opzichten verbeteringen ten opzichte van die van zijn voorgangers, hoewel ze ook naar zijn meer gewelddadige periode verwezen.[53] Enkele voorbeelden:

  • Voor het eerst konden meisjes niet worden ontvoerd (dit verwees waarschijnlijk naar wegloopsters, die werden beschouwd als kidnappen omdat meisjes de iure niet konden instemmen met weglopen).
  • De doodstraf kon worden vervangen door een goedgekeurd bedrag.
  • Een gevangene werd niet langer in totale duisternis gevangen gehouden, maar moest de open lucht en het daglicht worden gegund.
  • Een veroordeeld man werd toegelaten te sterven in de arena, maar hij kon niet worden gebrandmerkt op zijn "hemels verfraaid" gezicht, maar slechts op zijn voeten (omdat God de mens naar Zijn beeld maakte).
  • Slavinnen of chaperons die werden betrapt op het toelaten dat het meisje voor wie ze verantwoordelijk waren, werd verleid, kregen gesmolten lood in de keel.
  • Gladiatorenspelen werden bevolen te worden afgeschaft in 325, hoewel dit geen echt effect had.[54]
  • De rechten van een meester over een slaaf werden ingeperkt, hoewel een slaaf nog steeds kon worden doodgeslagen.
  • Pasen kon in het openbaar worden gevierd.

Constantijns nalatenschap[bewerken]

Contemporain bronzen hoofd van Constantijn (4e eeuw, Musei Capitolini).

Hoewel hij zijn eretitel "De Grote" lang na zijn dood van christelijke historici kreeg, had hij deze titel alleen al op basis van zijn militaire prestaties en overwinningen kunnen claimen. Naast het herenigen van het rijk onder één keizer, behaalde Constantijn belangrijke overwinningen op de Franken en Alemannen in 306–308, de Franken opnieuw in 313–314, de Visigoten in 332 en de Sarmaten in 334. Tegen 336 had Constantijn het grootste deel de provincia Dacia heroverd, die Aurelianus in 271 noodgedwongen had moeten prijsgeven. Kort voor zijn dood plande Constantijn een grote expeditie om een einde te maken aan de overvallen op de oostelijke provinciae door het Perzische Rijk.[55]

Het Byzantijnse Rijk beschouwde Constantijn als haar stichter en ook het Heilige Roomse Rijk rekende hem onder de eerbiedwaardige figuren uit zijn geschiedenis. In zowel het oosten als het westen werden keizers soms begroet als een "nieuwe Constantijn" (novus Constantinus).[56] De meeste oosterse christelijke kerken beschouwen Constantijn als een heilige.[57] In het oosten wordt hij soms "isapostolos" of de "13de apostel" genoemd.[58]

Legende en de Donatio Constantini[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Donatio Constantini voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

In latere periodes raken historische feiten overschaduwd door legendes. Omdat het ongepast werd geacht dat Constantijn pas op zijn sterfbed was gedoopt en dan nog door een Ariaanse bisschop (dus van twijfelachtige orthodoxie), ontstond een legende dat paus Silvester I (314-335) de "heidense" keizer zou hebben genezen van lepra. Volgens deze legende werd Constantijn na zijn genezing gedoopt en schonk hij gebouwen aan de paus. In de achtste eeuw dook voor het eerst een document genaamd de "Donatio Constantini" op, waarin de pas bekeerde Constantijn de wereldlijke regering over Rome, Italië en het westen overdroeg aan de paus. In de hoge middeleeuwen werd dit document gebruikt en aanvaard als basis voor de wereldlijke macht van de paus, hoewel het werd afgedaan als een vervalsing door keizer Otto III en betreurd als de wortel van de pauselijke wereldlijkheid door de poëet Dante Alighieri. De 15e-eeuwse filoloog Lorenzo Valla bewees uiteindelijk dat het document inderdaad een vervalsing was.[59]

Constantijn in Geoffrey van Monmouths Historia[bewerken]

Omwille van zijn faam en het feit dat hij tot imperator was uitgeroepen in het latere Groot-Brittannië, werd Constantijn later ook beschouwd als een Britse koning. In de 11e eeuw publiceerde de Engelse schrijver Geoffrey van Monmouth een fictief werk genaamd Historia Regum Britanniae, waarin hij verhaalde over de vermeende geschiedenis van de Britten en hun koningen vanaf de Trojaanse Oorlog, koning Arthur en de Angelsaksische verovering. In dit werk beweerde Geoffrey dat Constantijns moeder Helena feitelijk de dochter was van "King Cole", de mythische koning van de Britten en eponiem stichter van Colchester. Een dochter van King Cole was voordien nooit voorgekomen in de overlevering, tenminste niet in de geschreven overlevering, en deze afstamming kwam waarschijnlijk voort uit Geoffrey's verlangen om een ononderbroken koninklijke bloedlijn te creëren. Geoffrey meende dat het onwelvoeglijk was voor een koning om minder nobele voorouders te hebben. Geoffrey beweerde eveneens dat Constantijn werd uitgeroepen tot "koning van de Britten" te York, eerder dan tot keizer.[60]

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]

Logo Wikimedia Commons
Commons heeft meer mediabestanden op de pagina Constantine I (emperor).
Bronnen, noten en/of referenties

Referenties

  1. a b c Zijn geboortejaar is omstreden, maar recente encyclopedie-artikels plaatsen zijn geboorte rond 280 (cf. J.F. Matthews - D. MacGillivray Nicol, art. Constantine, in Encyclopedia Britannica. Online edition (2007); U. Mattejiet, art. Konstantin I. (d. Gr.), röm Ks., in Lexikon des Mittelalters 5 (1991), klm. 1372.). Oliver Schmitt pleit voor het jaar 275 (O. Schmitt, Constantin der Große (275–337), Stuttgart - e.a., 2007, pp. 84-85.).
  2. In het Latijn was Constantijns officiële keizerlijke titel IMPERATOR CAESAR FLAVIVS CONSTANTINVS PIVS FELIX INVICTVS AVGVSTVS, (Imperator Caesar Flavius Constantinus, de vrome, de gelukkige, de onoverwonnene, Augustus). Na 312 voegde hij er MAXIMVS ("de grootste") aan toe, en na 325 verving hij invictus ("de onoverwonnene") door VICTOR ("de overwinnaar"), daar invictus te veel herinnerde aan Sol Invictus.
  3. Ambrosius, de Obitu Theodosii 42, p. 295; cf. Anon. Valesii, Excerpta Valesiana 2.2: "matre vilissima".
  4. Hieron., Chron. anno. 2322; Orosius, VII 25; Chron. Pasch. A.D. 304, I, p. 516, ed. Bonn; Zos., II 8.
  5. Eusebius, Vita Const. III 47.
  6. H. Pohlsander, The Emperor Constantine, Londen - New York, 1996, pp. 12-13, 71, fig. 9.
  7. T.D. Barnes, Constantine and Eusebius, Cambridge - Londen, 1981.
  8. Precieze gegeven kan men niet uit het bronnenmateriaal halen. Maar zeer waarschijnlijk had Constantius zijn zoon systematisch als zijn opvolger naar voren geschoven, cf. O. Schmitt, Constantin der Große (275–337), Stuttgart - e.a., 2007, pp. 102–106.
  9. H. Pohlsander, The Emperor Constantine, Londen - New York, 1996, pp. 14-15.
  10. H. Pohlsander, The Emperor Constantine, Londen - New York, 1996, pp. 16-17.
  11. H. Pohlsander, The Emperor Constantine, Londen - New York, 1996, pp. 15-16; O. Schmitt, Constantin der Große (275–337), Stuttgart - e.a., 2007, pp. 117-118.
  12. a b H. Pohlsander, The Emperor Constantine, Londen - New York, 1996, pp. 15-16.
  13. C.E. Nixon - B.S. Rodgers (introd. trad. com.), In Praise of Later Roman Emperors: The Panegyrici Latini, Berkeley - e.a., 1994, p. ?: Panegyricus Constantinii 12.3.
  14. De getalopgaven schommelen in de moderne literatuur, vooral door de vaak onnauwkeurige aantallen gegeven in de bronnen, cf. J. Vogt, Constantin der Große und sein Jahrhundert, München, 19602, p. 158 (ca. 40.000 man) en E. Herrmann-Otto, Konstantin der Große, Darmstadt, 2007, p. 39 (25.000 à 30.000 man). Voor het verloop van de veldtocht cf. ook de degelijke en gedetailleerde voorstelling bij O. Schmitt, Constantin der Große (275–337), Stuttgart - e.a., 2007, pp. 138ff.
  15. Eusebius, Hist. Eccl. IX 9; Eusebius, Vita Const. I 28; Lactantius, Mort. Pers. 44.5-8. Een „heidense variant“ biedt de Panegyricus van Nazarius uit het jaar 321. Zie in verband met de overlevering van de bronnen E. Herrmann-Otto, Konstantin der Große, Darmstadt, 2007, pp. 48ff.
  16. Eusebius, Vita Const. I 28. Vgl. Lactantius, Mort. Pers. 44.5-8 (deze vermeldt niet dit motto). Men moet hierbij niet vergeten dat visioenen in de antieke historiografie niet zelden achteraf werden toegevoegd.
  17. E. DePalma Digeser, The Making of A Christian Empire: Lactantius and Rome, Londen, 2000, p. 122.
  18. H. Pohlsander, The Emperor Constantine, Londen - New York, 1996, p. 24.
  19. M. DiMaio Jr., art. Anastasia (Daughter of Constantius I Chlorus), in DIR (1996).
  20. H. Pohlsander, The Emperor Constantine, Londen - New York, 1996, pp. 38-39.
  21. H. Pohlsander, The Emperor Constantine, Londen - New York, 1996, pp. 41-42.
  22. H. Pohlsander, The Emperor Constantine, Londen - New York, 1996, pp. 42-43.
  23. Eutropius, X 6.1; Hiëronymus, Chron. Olymp. 275 p. 313; Zosimus, II 28.2 (§ 50); R. MacMullen, Constantine, New York, 1969.
  24. Cf. onder anderen E. Herrmann-Otto, Konstantin der Große, Darmstadt, 2007, pp. 141ff.; O. Schmitt, Constantin der Große (275–337), Stuttgart - e.a., 2007, pp. 221ff.
  25. R. MacMullen, Constantine, New York, 1969.
  26. Cf. J. Spielvogel, Die Gotenpolitik Kaiser Konstantins I. zwischen altrömischer Tradition und christlicher Orientierung, in T. Hantos - G.A. Lehmann (edd.), Althistorisches Kolloquium aus Anlaß des 70. Geburtstags von Jochen Bleicken, Stuttgart, 1998, pp. 225–238.
  27. Terwijl men vroeger de inrichting van de praetoriaanse prefecturen aan Constantijn toeschreef, gaat men er tegenwoordig van uit dat deze pas in de jaren 360 hun uiteindelijk vorm vonden. Een overzicht van de onderzoeksgeschiedenis en een relatief actuele status quaestionis biedt J. Migl, Die Ordnung der Ämter. Prätorianerpräfektur und Vikariat in der Regionalverwaltung des Römischen Reiches von Konstantin bis zur Valentinianischen Dynastie, Frankfurt am Main, 1994.
  28. Zo bijvoorbeeld O. Schmitt, Constantin der Große (275–337), Stuttgart - e.a., 2007, pp. 260 ff.
  29. Zie in verband hiermee ook de brief van Constantijn aan Shapur II: Eusebius, Vita Constantini IV 9–13; cf. M. Raub Vivian, Eusebius and Constantine’s Letter to Shapur: Its Place in the Vita Constantini, in Studia Patristica 29 (1997), pp. 164–169.
  30. H. Pohlsander, The Emperor Constantine, Londen - New York, 1996, p. 77, fig. 9.
  31. Cf. T. Grünewald, Constantinus Maximus Augustus: Herrschaftspropaganda in der Zeitgenössischen Überlieferung, Stuttgart, 1990.
  32. Constantijn bekeerde zich waarschijnlijk ten laatste vanaf 312 tot het christendom, zie onder anderen T.D. Barnes, Constantine and Eusebius, Cambridge, 1981; H. Brandt, Konstantin der Große. Der erste christliche Kaiser, München, 2006. In het onderzoek is dit punt echter omstreden: Jacob Burckhardt beschouwt de keuze van Constantijn voor het christendom als een zuiver politiek berekende daad, anderzijds geloven onder anderen Andreas Alföldi en Joseph Vogt in een echte religieuze bekering van Constantijn. Het belangrijkste werk in verband met Constantijns bekering is K.M. Girardet, Die Konstantinische Wende, Darmstadt, 2006. Zie ook E. Herrmann-Otto, Konstantin der Große, Darmstadt, 2007, pp. 42ff., O. Schmitt, Constantin der Große (275–337), Stuttgart - e.a., 2007, pp. 155ff.
  33. Cf. B. Bleckmann, Konstantin der Große, Reinbek, 1996, pp. 58ff.
  34. H. Pohlsander, The Emperor Constantine, Londen - New York, 1996, p. 34.
  35. Corpus Iuris Civilis III 12 § 2.
  36. E. Herrmann-Otto, Konstantin der Große, Darmstadt, 2007, pp. 164ff.
  37. R. Gerberding - J.H. Moran Cruz, Medieval Worlds: An Introduction to European History 300-1492, New York, 2004, pp. 55-56.
  38. P. Brown, The Rise of Western Christendom: Triumph and Diversity, AD 200-1000, Oxford, 20032, p. 60.
  39. J. Richards, The Popes and the Papacy in the Early Middle Ages 476-752, Londen, 1979, pp. 14-15.
  40. J. Richards, The Popes and the Papacy in the Early Middle Ages 476-752, Londen, 1979, p. 16.
  41. J. Richards, The Popes and the Papacy in the Early Middle Ages 476-752, Londen, 1979, p. 15.
  42. R. Gerberding - J.H. Moran Cruz, Medieval Worlds: An Introduction to European History 300-1492, New York, 2004, p. 55, P. Brown, The Rise of Western Christendom: Triumph and Diversity, AD 200-1000, Oxford, 20032, p. 61.
  43. Eusebius, Vita Constantinii III 18; Theodoretus, Hilotheos historia I 9 (het epistel van keizer Constantijn, omtrent de zaken afgehandeld op het concilie, gericht aan die bisschoppen die niet aanwezig waren).
  44. C.M. Odahl, Constantine and the Christian Empire, Londen - New York, 2004, p. 95.
  45. H. Pohlsander, The Emperor Constantine, Londen - New York, 1996, pp. 22, 62-63.
  46. N. Hannestad, Roman Art and Imperial Policy, Århus, 1988.
  47. E. Babelon, Un nouveau medaillon en or de Constantin le Grand, in Melanges Boissier: recueil de memoires concernant la litterature et les antiquites romaines dedie a G. Boissier, Parijs, 1903, pp. 49-55. Zie ook: C. Vermeule, The Imperial Shield as a Mirror of Roman Art on Medallions and Coins, in C. Carson - C.M. Kraay (edd.), Scripta Nummaria Romana: Essays Presented to Humphrey Sutherland, Londen, 1978, p. 180.
  48. P. Bruun, Studies in Constantinian numismatics: papers from 1954 to 1988, Rome, 1991.
  49. H. Pohlsander, The Emperor Constantine, Londen - New York, 1996, pp. 40-41, fig. 4.
  50. J. Elsner, Perspectives in Art, in N. Lenski (ed.), The Cambridge companion to the Age of Constantine, Cambridge, 2006, pp. 261-262.
  51. C.G. Herbermann - G. Grupp, art. Constantine the Great, in New Catholic Encyclopedia IV (1908), R. MacMullen, Constantine, New York, 1969, J.J. O'Donnell, The demise of paganism, in Traditio 35 (1979), p. 81, T.D. Barnes, Christians and pagans in the reign of Constantius, in A. Dihle (ed.), L'église et l'empire au IVe siècle, Genève, 1989, pp. 315-321, T.D. Barnes, Statistics and the conversion of the Roman aristocracy, in JRS 85 (1995), p. 141.
  52. A.H.M. Jones, The Later Roman Empire, 284-602: A Social Economic and Administrative Survey, II, Baltimore, 1964, p. 795.
  53. Z. Hazard Potter, Influence of Christianity on the Roman Law, in the American Church Review 30 (1878), p. 340.
  54. H. Pohlsander, The Emperor Constantine, Londen - New York, 1996, p. 69.
  55. H. Pohlsander, The Emperor Constantine, Londen - New York, 1996, p. 72.
  56. O.a. Clovis: Gregorius van Tours, Historia Francorum II 31; Karel de Grote: Codex Carolin. epist. 49, III.II p. 195. Zie ook E.G. Grimme, Novus Constantinus. Die Gestalt Konstantins des Grossen in der imperialen Kunst der mittelalterlichen Kaiserzeit, in Aachener Kunstbläter 22 (1961), pp. 7-20.
  57. H. Pohlsander, The Emperor Constantine, Londen - New York, 1996, pp. 83-87.
  58. S.N.C. Lieu - D. Montserrat (edd.), From Constantine to Julian: Pagan and Byzantine views: a source history, Londen, 1996, p. 99.
  59. Lorenzo Valla, De falsa et ementita Constantini Donatione declamatio (1440). (link naar editie en Engelse vertaling uit 1922)
  60. Geoffrey van Monmouth, Historia Regum Britanniae, pp. 132-133.

Literatuur

Etalagester
Etalagester Dit artikel is op 8 augustus 2009 in deze versie opgenomen in de etalage.