Eerste Concilie van Nicea
Het Eerste Concilie van Nicea in 325 wordt het eerste oecumenisch concilie genoemd. Het werd bijeen geroepen door keizer Constantijn de Grote, tijdens het pontificaat van Paus Silvester I en was een samenkomst van 318 bisschoppen. Hier werd de officiële leer van de toenmalige Kerk en van de latere Rooms-Katholieke en Oosters-orthodoxe Kerken vastgelegd.
Inhoud |
[bewerken] Onderwerp van het Concilie
De definitie van de Godheid van Christus. De eenheid en gelijkheid in wezen van de Zoon met de Vader. Tegen Arius, die de Godheid van Christus verloochende.
De voornaamste aanleiding tot bijeenroepen van het concilie was de onrust ontstaan door de leer verspreid door Arius. Hier kwam het hart van de Geloofsbelijdenis van Nicea tot stand, die echter pas later tijdens het Concilie van Constantinopel I 381 werd neergeschreven en aangevuld. Deze geloofsbelijdenis steunt onder meer op de verzoeningsleer van Irenaeus, en aldus het geloof in de erfzonde, en het geloof in één God. Het Oude Testament werd niet verworpen en de God van Jezus werd gelijkgesteld aan de God van het Oude Testament, JHWH. De goddelijke natuur van Jezus werd opnieuw bevestigd, en het idee van Jezus als hoogste schepping, zoals het Arianisme beweerde, werd verworpen. Pas door het Concilie van Constantinopel I werd ook de 'status' van de Heilige Geest als derde persoon van God vastgesteld, waarmee de christelijke leer van de triniteit voor altijd werd vastgelegd.
Op het concilie speelde Athanasius (de latere bisschop, maar toen nog diaken onder bisschop Alexander van Alexandrië) een belangrijke rol bij de bestrijding van het Arianisme. Op zijn voorstel werd de Griekse term 'homo-oesios' (= van hetzelfde wezen) voor de natuur van de Zoon ingevoerd, om de wezenseenheid van God de Vader en Zijn Zoon Jezus Christus tot uitdrukking te brengen. Slechts twee bisschoppen weigerden het besluit te ondertekenen. Drie anderen, onder wie Eusebius van Nicomedië, maakten een reserve, waarover nog een halve eeuw gestreden zou worden. Het "geloof van Nicea" zou de dogmatische referentie blijven voor alle andere concilies van de oude kerk.
Tijdens dit concilie werd ook de datum van Pasen vastgelegd, om de reden dat men vooral die "afschuwelijke Joden" niet wilde volgen. Het werd: de eerste zondag ná de volle maan ná de lente-equinox. Christenen die vasthielden aan de joodse berekeningswijze werden quartodecimanen genoemd.
Daarnaast werd de erenaam patriarch toegekend aan de vier bisschoppen van de belangrijkste steden in het christelijk Romeinse Rijk: Rome, Antiochië, Alexandrië en Jeruzalem.
[bewerken] Misvattingen
[bewerken] De canon van de Bijbel
Er bestaan verschillende onjuiste visies op de rol van het concilie in het vaststellen van de canon van de Bijbel. In feite is er helemaal geen bewijs voor een discussie over de canon tijdens het concilie.[1] De ontwikkeling van de canon van het Nieuwe Testament was een lang proces, dat al voor een groot deel vorm had gekregen rond 200 n.Chr. getuige de Canon Muratori. Op het concilie van Hippo (393 n.Chr.) en het concilie van Carthago (418 n.Chr.) werd de canon van de Bijbel officieel bekrachtigd.
[bewerken] Noten
| Voorganger: Concilie van Antiochië |
Concilie van Nicea 325 |
Opvolger: Concilie van Sardica |
| Zie de categorie First Council of Nicea van Wikimedia Commons voor meer mediabestanden. |