Heilig Grafkerk

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
De ingang, met ladder boven de ingang die niet verplaatst mag worden.
Plattegrond van de huidige kerk
Doorsnede van de Heilig Grafkerk

De Heilig Grafkerk of Verrijzeniskerk (Arabisch: كنيسة القيامة, Kanīsat al-Qiyāma, Hebreeuws: כנסיית הקבר , Cnesiat HaChever, Grieks: Ναός της Αναστάσεως, Latijn: Sanctum Sepulchrum) is een christelijke kerk in de ommuurde oude stad in Jeruzalem. De kerk wordt ook wel de Kerk van de wederopstanding genoemd. Volgens de overlevering is ze gebouwd op de plek waar Christus zowel gekruisigd als begraven zou zijn: het Heilig Graf. Het is sinds de 4e eeuw een belangrijk pelgrimsoord. Op de plaats van de kerk hebben meerdere kerken gestaan, die tijdens oorlogen en branden verloren gingen. Het huidige gebouw stamt uit 1149 en is in vroeg-gotische stijl gebouwd.

Beschrijving[bewerken]

Midden in de kerk bevindt zich het Heilige graf, een graftombe, op de plaats waarvan men vermoedt dat Jezus er begraven lag. Op deze tombe is de 14e statie van de Kruisweg uitgebeeld. Vlak voor de ingang zou het lichaam van Jezus gebalsemd zijn. Deze plaats wordt aangegeven met een grote marmeren steen. In het middenschip is een plaats te vinden waarvan destijds werd aangenomen dat het het middelpunt van de (platte) Aarde was. In de Adamskapel zou Adam begraven zijn. Onder de kerk bevindt zich de plaats waar destijds het kruis gestaan zou hebben.

In de kerk bevinden zich altaren en kapellen die door verschillende christelijke geloofsgemeenschappen worden beheerd. Alleen de protestanten zijn hier niet vertegenwoordigd.

Scepsis[bewerken]

In 19e eeuw ontstonden twijfels over de vraag of de kerk zich werkelijk op de plaats van de kruisiging bevond. Deze kruisiging zou volgens het Nieuwe Testament buiten de stadsmuren van Jeruzalem zijn voltrokken en de kerk bevond zich binnen de muren. Dit was voor de Britse generaal Gordon een reden om een nieuwe plaats aan te wijzen. Dit werd het zogenaamde Tuingraf. Later zou echter blijken dat de locatie van de Heilige Grafkerk zich ten tijde van het leven van Jezus buiten de muren bevond. Jeruzalem is een paar jaar na de dood van Christus uitgebreid waardoor de kruisigingsplaats binnen de muren kwam te liggen.

Geschiedenis[bewerken]

Tijdens de Bar Kochba-opstand, waarbij de Romeinen hardhandig optraden, werd Jeruzalem zwaar beschadigd. Keizer Hadrianus liet alle Joden verdrijven en liet de stad opnieuw opbouwen. Op de plek waar nu de Grafkerk staat werd in zijn opdracht een tempel ter ere van de godin Venus gebouwd.

Toen in de vierde eeuw Constantijn de Grote het christendom als geloof aannam, werd dit gebouw vervangen door een nieuw gebouw. Daarnaast werden in het Heilige Land nog twee kerken gebouwd. Deze werden gebouwd in opdracht van Macarius, destijds de bisschop van Jeruzalem. Voordat de bouw van start ging werd de bouwplaats echter uitgegraven en grondig onderzocht. Hierbij zouden een aantal relikwieën gevonden zijn, waaronder de Relikwieën van het Heilige Kruis.

Onder Constantijn de Grote werd boven het graf de eerste koepelkerk gebouwd (326 - '35).

In het jaar 335 werd de kerk ingewijd. Het gebouw werd bij de verovering van Jeruzalem door de Perzen onder sjah Khusro II in 614 zwaar beschadigd. De kerk werd later gerestaureerd.

Op bevel van de Fatimidische kalief Al-Hakim werd de Heilig Grafkerk in 1009 met de grond gelijk gemaakt. Al-Hakim, die geloofde een incarnatie van God te zijn en zeer puriteins was in zijn geloofsopvattingen, kon het niet verdragen dat zo'n belangrijke christelijke kerk in zijn rijk stond. Hij gaf opdracht om de "Kerk van de mestvaalt" zoals de moslims de kerk spottend noemden, te plunderen. (De Kerk van de Mestvaalt of Kanisat al-Qumana is een woordspeling op Kanisat al-Qiyama, de Arabische naam van de kerk.) Nadat zijn mannen eerst alle schatten van de kerk geroofd hadden, werd de kerk tot op de kale rotsbodem steen voor steen afgebroken. Zelfs de fundamenten werden weggehaald. Ook het graf van Jezus werd vernietigd. Wat nog restte werd in brand gestoken.[1]

Al-Hakim was waanzinnig geworden en haalde zich de woede van de moslims op de hals, omdat hij zich had laten uitroepen tot een incarnatie van God, waarna hij werd afgezet in 1021. Zijn opvolger kalief al-Zahir kreeg het gezag over Jeruzalem pas acht jaar later, in 1029, in handen. Hij beloofde de christenen dat zij een nieuwe Heilig Grafkerk mochten bouwen.[2]

In 1042 begon de Byzantijnse keizer Constantijn IX Monomachos met de wederopbouw van de Heilig Grafkerk, die in 1048 werd voltooid.

In 1149, tijdens de Kruistochten, werd de huidige kerk gebouwd.

De kerk werd in 1880 door een zware brand geteisterd, doch in de 19e eeuw opnieuw opgebouwd.

Navolging[bewerken]

In de middeleeuwen en in de 16e eeuw is het H. Graf vele malen gekopieerd voor plaatsing in kerken en kapellen. Ook werden kerken in de vorm van de Grafkerk te Jeruzalem gebouwd. Zij werd herhaaldelijk in de schilder- en prentkunst afgebeeld.

In vele middeleeuwse kerken noemt men een sarcofaag met een beeld van het lichaam van Christus, tezamen met een beeldengroep van enige mannen en vrouwen, engelen bij de graflegging aanwezig, Heilig Graf. Maar ook gedurende de Stille Week in de r.k. kerken een rustaltaar voor het H. Sacrament.

Beheer[bewerken]

Het heilige graf

Om het beheer van de kerk is eeuwenlang letterlijk gevochten. Niet alleen tussen moslims en christenen maar ook tussen verschillende christelijke groeperingen onderling. Zo werd het beheer dan ook steeds op andere families en kloosterordes overgedragen. Vaak na zeer gewelddadige incidenten.

De Grafkerk is sinds 1852 een simultaankerk, in handen van zes christelijke confessies. De hoofdbeheerders zijn het Grieks-orthodox patriarchaat van Jeruzalem, de Rooms-katholieke Kerk (de orde der Franciscanen) en de Armeens-apostolische Kerk voor de binnenkant van het gebouw. In de 19e eeuw kwamen de Syrisch-orthodoxe Kerk van Antiochië, de Koptisch-orthodoxe Kerk en de Ethiopisch-orthodoxe Kerk daarbij. Zij kregen slechts enkele kleinere schrijnen en taken toebedeeld. De Ottomaanse autoriteiten in Jeruzalem stelden in 1852 een strak schema op dat moest bepalen welk christelijk genootschap op welke plaats en wanneer plechtigheden mocht vieren. De relaties tussen de diverse kerken waren zo slecht dat de sleutels van het heiligdom werden toevertrouwd aan twee Palestijnse moslimfamilies. Dat is tot op de dag van vandaag het geval.[2]

Ook wordt een aantal delen (waaronder de hoofdingang) gezamenlijk beheerd. Aangezien de zes confessies het moeilijk eens worden, en elke partij een veto kan uitspreken, wordt er nooit iets verbouwd. Dit heeft op een aantal plaatsen tot ernstig achterstallig onderhoud geleid. De ingewikkeldheid van het beheer blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat een ladder die al meer dan 150 jaar op een balkon boven de ingang staat onder geen beding verplaatst mag worden. Een marmeren muur die op instorten staat is in 1947 door de Britten gestut maar nooit meer gerestaureerd. De Ethiopiërs wonen met een kleine groep monniken boven op het dak van de kerk. Dit Deir al-Sultan-Klooster wordt echter door de Kopten opgeëist en heeft sinds 2004 met instortingsgevaar te maken. De procedures rondom de opeising verhinderen een renovatie.

Ook nu zijn er nog regelmatig incidenten. In 2002 verplaatste een koptische monnik een stoel en dit was de aanleiding voor een vechtpartij tussen verschillende groepen monniken waarbij elf van hen in het ziekenhuis terecht kwamen.

Zie ook[bewerken]

Referenties[bewerken]

  1. Tom Holland - De gang naar Canossa. De westerse revolutie rond het jaar 1000 ISBN 978-90-253-6403-8
  2. a b www.katholieknederland.nl Encyclopedie, website katholiek Nederland