Vroege christendom

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Deel van een serie artikelen over het
christendom
Christendom
..Pijlers
..Christelijke feesten

Portaal  Portaalicoon  Christendom

Het vroege christendom of de geschiedenis van de eerste christenen wordt gewoonlijk gerekend vanaf het eerste pinksterfeest (waarschijnlijk in 30 of 33) tot aan de erkenning van het christendom door keizer Constantijn de Grote met het Edict van Milaan (313), tot aan het Eerste Concilie van Nicea (325), de eerste poging om consensus te bereiken in de Kerk, of (minder vaak) tot aan de wijding van paus Gregorius I op 3 september 590.

Het Nieuwe Testament[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Nieuwe Testament voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Het Nieuwe Testament als bron voor het ontstaan van het christendom[bewerken]

Er zijn geen primaire bronnen die informatie geven over het allereerste begin van het christendom in de 1e helft van de 1e eeuw. De vroegste geschriften, die zeer lastig precies zijn te dateren, zijn de Brieven van Paulus (±51-±62) die waren gericht aan de eerste christelijke gemeenschappen in steden rondom de Middellandse Zee. Deze werden gevolgd door de Algemene zendbrieven (±60-±100), de Handelingen van de Apostelen (±60-±90), de Openbaring van Johannes (±68-±95) en ten slotte de evangeliën (±70-±110) die het leven van Jezus beschreven. Er circuleerden echter veel brieven en verslagen waarvan de historische juistheid en/of het auteurschap werd betwijfeld (zoals de Brief aan de Hebreeën) en men begon vermeende authentieke documenten te canoniseren en vermeende vervalste documenten af te schrijven als 'apocriefen'. Uiteindelijk doorstonden 27 geschriften de kritische canonisering die in de 2e eeuw in gang gezet werd en formeel afgerond werd tegen het einde van de 4e eeuw; deze verzameling van brieven en verslagen werd het huidige Nieuwe Testament.[1]

Naast de geschriften van het Nieuwe Testament werpen ook de alleroudste geschriften van de Apostolische Vaders, zoals de brieven van Clemens en de Didachè, licht op de geschiedenis van het christendom in de eerste eeuw.

Het is zeer moeilijk om het Nieuwe Testament middels historisch onderzoek te bevestigen. De geschriften, die elkaar dikwijls tegenspreken, dateren allemaal van minstens 20 jaar nadat Jezus zou zijn gestorven en opgestaan, en er zijn maar zeer weinig niet-christelijke "tijdgenoten" (voor het eerst begin 2e eeuw) die over Jezus en de eerste christenen schreven: Plinius de Jongere in 112, Tacitus in 115 en Suetonius in 121.[2] De echtheid van twee vermeldingen in het boek Oude geschiedenis van de Joden (geschreven tussen 79 en 94) van de Joodse historicus Flavius Josephus, die zouden gaan over Jezus Christus, wordt door historici sterk in twijfel getrokken, zie Flavius Josephus over Jezus.

Het ontstaan van het Nieuwe Testament[bewerken]

Het jodendom van waaruit het christendom ontstaan is, kent een sterke orale traditie. Dat wil zeggen dat ooggetuigen van Jezus' leven nieuwe volgelingen mondeling vertelden over zijn leven en daden. Aangezien de vroegste christenen een spoedige wederkomst verwachtten, voelden zij geen behoefte een biografie van hun leider te schrijven. Zij bleven eenvoudig in Jeruzalem, wachtten op de wederkomst van Jezus en probeerden in de tussenliggende periode anderen ervan te overtuigen dat Jezus de Messias was door verhalen te vertellen over wat hij had gezegd en gedaan, waarbij zij hun "bewijsvoering" volledig baseerden op de Hebreeuwse Bijbel. Positief gesteld was dit een gebruikelijke manier om gegevens over Jezus' leven te bewaren. Deze vorm was echter vooral geschikt om Jezus' volgelingen te helpen bij hun verschillende handelingen. Negatief gesteld werden Jezus' woorden en daden uit hun context gehaald (Jezus' feitelijke leven en bediening) en geplaatst in een heel andere context (de prediking en leer van de discipelen).

De jaren verstreken en Jezus kwam niet terug. Op enig moment werden passages die regelmatig van pas kwamen bij het evangelisatiewerk opgeschreven. Sommige daarvan werden op onderwerp samengevoegd. Deze (nog altijd korte) passages worden pericopen genoemd. Dit zijn de bouwstenen van de synoptische evangeliën. Met de groei en verspreiding van het vroege christendom groeiden ook deze pericopen en begonnen deze onderling te verschillen. Op een verder punt in de tijd werden deze pericopen samengevoegd tot proto-evangeliën. Deze term duidt werken aan die redelijk afgeronde verhalen inzake Jezus' leven beschreven, een serie pericopen, maar nog niet het volledige verhaal.

Uiteindelijk werd het eerste evangelie geschreven. De meeste onderzoekers denken dat dit Marcus was, kort na 60. Tussen 70 en 90 werden ook Matteüs en Lucas geschreven.[3] Een belangrijke theorie is dat deze evangeliën zich (ook) baseerden op een gezamenlijke bron, de zogenaamde bron Q.

Het is van belang te benadrukken dat we niet weten hoe dit exact is gegaan. We herleiden dit proces vanuit het eindproduct. We weten dat de uiteindelijke auteurs pericopen verplaatsten, want in het ene evangelie verschijnen ze in de ene en in het andere evangelie in een andere context. We herleiden dat dit in de voorgaande tientallen jaren gebeurde. We weten niet (zeker) dat er fysiek pericopen bestonden, we herleiden dit aan de hand van het feit dat het materiaal soms chronologisch, soms op onderwerp in de evangeliën verschijnt.

Het beschikbare materiaal toont aan dat de evangeliën anoniem werden geschreven en zonder toeschrijving aan een auteur bleven tot het midden van de tweede eeuw.[4] Er circuleerden tientallen verschillende evangeliën.

Net als evangeliën circuleerden er vanaf ongeveer 100 talloze "brieven" die - al dan niet terecht - werden toegeschreven aan apostelen, zoals Paulus en Petrus, maar ook van Jakobus, Judas en Barnabas. Naast tientallen evangeliën en brieven, waren er ook diverse Apocalypsen in omloop.

Korte inhoud van het Nieuwe Testament[bewerken]

Jezus van Nazareth[bewerken]

In het Nieuwe Testament wordt beschreven hoe de volgelingen van Jezus van Nazareth geloofden in zijn leer dat God 'zijn volk had bezocht' en een profeet en meer dan een profeet had gezonden[5], een voorbeeld en leraar in de weg van de waarheid en rechtvaardigheid die zelfs groter was dan Johannes de Doper[6], de Messias of gezalfde leider. Zij geloofden dat hij wonderen had verricht, niet om indruk te maken op twijfelaars, maar uit compassie. Verzoeken van personen die wonderen vroegen om zijn goddelijke missie te bewijzen, werden afgewezen[7]: zijn macht kwam uit de aanwezigheid van de Vader en werd alleen onderscheiden door hen "met oren om te horen".[8] Degenen die hoopten op een heilige oorlog tegen de Romeinse bezetter van Judaea werden ook teleurgesteld: Jezus leerde bevatte geen verzet, maar liefde voor vijanden.[9] Wel onderwees hij zonder twijfel dat aardse autoriteit relatief was en zelfs dat Gods koninkrijk dat hij zou brengen de wet van Mozes en de cultus in de Joodse tempel zou doen eindigen. De hogepriesterlijke families in Jeruzalem vonden hem een bedreiging van hun macht en van hun politieke samenwerking met de Romeinse overheden. Jezus' bewering dat met zijn komst Gods heersen over de aarde begon, maakte de weg vrij voor de aanklacht van godslastering, die zonder veel moeite werd omgevormd tot een aanklacht bij de prefect Pontius Pilatus dat Jezus tot opstand aanzette. Jezus werd verraden door een van zijn intiemste volgelingen, Judas Iskariot, werd gearresteerd en gedurende het Pesach-feest geëxecuteerd door kruisiging - een zekere dood, waarbij de martelperiode zo lang mogelijk werd gerekt. Voor Jezus' discipelen was zijn kruisiging niet het einde. De opstanding van Jezus wordt in de vroegste christelijke teksten in twee verwante, maar te onderscheiden verslagen weergegeven. De eerste variant spreekt van een lege graftombe of een wederopstanding na begrafenis, van verschijningen aan apostelen, aan vrouwelijke discipelen en andere getuigen. De tweede variant spreekt van de Heer die werd overgeleverd van de beperkingen en eigenschappen van het menselijke leven tot aanwezigheid bij zijn volk op ieder moment en op iedere plaats[bron?].

Het ontstaan van de kerk[bewerken]

De apostolische beweging ervoer Jezus' aanwezigheid in hun aanbidding, in de aankondiging van goddelijke vergeving en vernieuwing, zichtbaar aanwezig in de 'sacramenten' (een veel latere Latijnse term voor een religieus symbool met instrumenteel effect). Deze aanwezigheid in en met de gemeenschap was voor hen het teken van Gods koninkrijk op aarde.

Het geloof dat Jezus Gods gezalfde profeet en koning (Messias) was, was fundamenteel voor de vroege kerk. De christenen zagen zich niet als buiten het jodendom, hoewel Jezus stevige taal had gesproken over de farizeeën. God riep de Joden als eerste. De roeping van de heidenen was enige tijd een onderwerp van discussie. Voor de eerste christenen was Jezus niet de stichter of grondlegger van de gemeenschap van Gods volk, maar de climax van een lange geschiedenis van goddelijk onderwijs aan de mensheid door de inspiratie van de profeten van Israël. Om Jezus' betekenis te verklaren, wendden zij zich tot de Hebreeuwse Bijbel, zowel de mozaïsche wet als de profetische geschriften. De christenen deelden het monotheïsme van de Joden volledig. Ze geloofden dat God, door de dood van Jezus als zoenoffer, een "nieuw verbond" had gesloten, niet alleen met de Joden, maar met alle volken van de aarde.

Dit was een onderwerp van verhitte discussie in de apostolische gemeente. Veel aanhangers van de jonge kerk waren farizeeën, een nauwkeurige en toegewijde partij van de Joden, die het belangrijk vond hun nationale religie vrij te houden van liberale assimilatie met de omringende heidense wereld, vooral het hellenisme. Voor hen was het verwerpelijk te veronderstellen dat nog iets nodig was na de Mozaïsche wet.

Deze controverse speelde naast de vraag over autoriteit. Werd de opgestegen Heer vertegenwoordigd door zijn familieleden, in het bijzonder 'Jakobus de broer van de Heer'? De vroege verslagen wekken de indruk dat Jakobus erkend werd als hoofd van de gemeenschap in Jeruzalem. Aan zijn zijde stonden de apostelen, degenen aan wie Jezus de opdracht had gegeven op te roepen tot berouw in verband met het nabije koninkrijk Gods. De opgestane Heer was niet alleen aan vrouwen, Petrus en de andere van de Twaalf verschenen, maar ook aan Jakobus.[10] Jakobus belichaamde strikt conservatisme met betrekking tot het onderhouden van zowel de morele als de ceremoniële wet. Onder de apostelen had Petrus een algemeen erkende positie van leiderschap: de evangelie-traditie heeft expliciete commissies van Jezus aan hem bewaard[11] en zijn prominente rol wordt bevestigd in de brieven van Paulus. Volgens Handelingen zette Petrus de deur voor lidmaatschap van de kerk open voor de heidenen. Hij schijnt een middenpositie te hebben ingenomen, waarbij hij geloofde dat heidenen niet hoefden te worden besneden of Joodse feestdagen hoefden te onderhouden, maar zich wel moesten houden aan de Joodse voedselwetten.

De levenswijze van de eerste christenen[bewerken]

In het begin van het boek Handelingen vinden we een beschrijving van de manier waarop de eerste christenen in Jeruzalem leefden:

"En zij volhardden in de leer van de apostelen en in de gemeenschap, in het breken van het brood en in de gebeden. En er kwam vrees over iedereen; en er werden veel wonderen en tekenen door de apostelen gedaan. En allen die geloofden, waren bijeen en hadden alle dingen gemeenschappelijk; en zij verkochten hun bezittingen en eigendommen en verdeelden die onder allen, naar dat ieder nodig had. En zij bleven dagelijks eensgezind in de tempel bijeenkomen, en terwijl zij van huis tot huis brood braken, namen zij gezamenlijk voedsel tot zich, met vreugde en in eenvoud van hart; en zij loofden God en vonden genade bij heel het volk. En de Heere voegde dagelijks mensen die zalig werden, aan de gemeente toe."[12]

"En de menigte van hen die geloofden, was een van hart en een van ziel; en niemand zei dat iets van wat hij bezat, van hemzelf was, maar alles hadden zij gemeenschappelijk."[13]

Paulus[bewerken]

Paulus van Tarsus, een gehelleniseerde Jood met Romeins burgerschap, nam een radicaal andere positie in. Hij was farizeeër van origine, uit een farizeïsche familie[14], en als heftig conservatief had hij de jonge kerk op gewelddadige wijze vervolgd, maar werd op dramatische wijze bekeerd door een visioen van de opgestane Heer.[15] Vanaf dat moment verplichtte hij zichzelf ertoe Jezus' leer te verspreiden tot ver buiten de Judaïstische wereld. Zijn verwerping van de opvatting dat niet-Joden de Mozaïsche wet zouden moeten houden, impliceerde een breuk tussen kerk en synagoge; zijn theologie had immense sociale gevolgen. Tegelijk was hij ervan overtuigd dat in de kerk de Joden en heidenen in één verbond zouden moeten worden verenigd.

"Vrijheid van de wet" was echter een bedwelmende term voor heidense bekeerlingen zonder een achtergrond van de sterk morele opvoeding die door orthodox Joodse families werd gegeven. Al heel vroeg werd Paulus geconfronteerd met oppositie, waarbij de ene partij stelde dat de vrijheid van de Geest hen zo emancipeerde van sociale conventie dat ze konden doen wat ze wilden, in het bijzonder deelnemen aan seksuele uitspattingen, terwijl de andere partij juist volhield dat het leven van de Geest inhield dat het huwelijk moest worden verworpen. In de heidense wereld was het een wijdverbreid geloof dat seksuele betrekkingen tussen man en vrouw de ziel verhinderde tot hogere dingen te stijgen en dat iemand die werd begunstigd met de liefde van een god, de sterfelijke liefde moest afzweren. De apostel beklemtoonde dat het huwelijk geen zonde was en het celibaat, een gave die niet aan allen gegeven was, beter voor de zendingsdienst van Gods koninkrijk.

Paulus geloofde dat de onderscheidende kern van het christendom lag in de historische feiten van het evangelie; de historische Jezus was dezelfde als de Christus van zijn geloof, die ook Gods oneindige wijsheid was in de schepping. Ook Johannes geloofde dat God op unieke wijze tegenwoordig was in Jezus. Maar zelfs al zo vroeg als het Evangelie volgens Johannes (ongedateerd, maar vaak gedateerd rond het einde van de eerste eeuw - later is niet mogelijk) impliceert de "incarnatie" al een manifestatie van het eeuwige Woord van God binnen de tijd en geschiedenis. In de Brief aan de Hebreeën (door een anonieme, geleerde en beschaafde christen geschreven) wordt eenzelfde nadruk aangetroffen op de spontaniteit en volheid van Jezus' menselijkheid en op het geloof dat in hem de eeuwige Zoon van de Vader is gekomen om de gelovigen met hem te verenigen; hij is de pionier van redding van de gelovigen, hun vertegenwoordiger en degene die degenen die hun vertrouwen in hem stellen naar de Vader en het hemelse gezelschap zal brengen.

De zendingsreizen van de apostel Paulus, vooral in het Hellenistische deel van het Romeinse Rijk, droegen het christendom tot buiten de grenzen van het toenmalige Israël. Paulus en zijn medewerkers (Timothéus, Titus en Lukas) brachten het christendom in alle grote steden van het Romeinse Rijk. Dit gebeurde onder meer in Antiochië, Efeze, Korinthe en Rome. Door Paulus' zendingsactiviteiten waren er rond het jaar 100 al christelijke gemeenschappen van enige omvang in Palestina, Klein-Azië, Griekenland en Rome.

Ook andere apostelen zoals Petrus zouden zendingsreizen hebben gemaakt buiten Israël. Volgens latere overlevering werden in de jaren '60 Paulus en Petrus in Rome ter dood gebracht. Petrus' mogelijke verblijf in Rome geldt als rechtvaardiging voor de machtspositie van de paus binnen de rooms-katholieke kerk maar is binnen het protestantisme omstreden.

Identiteit van de jonge kerk[bewerken]

Aanvankelijk spraken de rabbijnen over prediker Jezus en zijn aanhang als de 'ober gelila'ah' of 'rondreizende Galileeërs' zoals er in die tijd wel meerdere waren.[16] Na Jezus' dood had men het over Christelijke Joden en werd de jonge christelijke kerk beschouwd als een Joodse sekte.[17] Incidenteel werden ze aangeduid als "De Weg"[18], maar in Antiochië worden zij voor het eerst "christenen" genoemd[19], een term die slechts drie keer in de Bijbel voorkomt.[20] In Jeruzalem alleen al waren er (tien)duizenden Joden die Jezus als Messias aannamen in die tijd [21]

Organisatie van de vroege christelijke kerk[bewerken]

De oudste (of in het Grieks presbyter waar priester van is afgeleid) was een al bestaande joodse functie of ambt, dit werd binnen het christendom overgenomen. Voor het eerst in Handelingen 14:23 wordt melding gemaakt van de aanstelling van oudsten door Paulus en Barnabas in elke gemeente die ze bezochten, klaarblijkelijk om de leiding van de gemeente op zich te nemen nadat Paulus en Barnabas weer vertrokken waren. Ook in Jeruzalem waren er al oudsten in de christelijke gemeenten werkzaam naast de apostelen[22].

Al heel vroeg in de tijd van de apostelen worden speciaal mensen aangesteld voor de 'dagelijkse ondersteuning van de weduwen' en voor de 'gemeenschappelijke maaltijden'[23], dit zou de basis vormen voor het ambt van diaken. Zij hadden kennelijk een eigen taak teneinde de apostelen te ontlasten. Diakenen worden pas later in het Nieuwe Testament expliciet bij name genoemd, in 1 Timoteüs 3:8-13.

Evenals de diaken, wordt ook de opziener (of in het Grieks episcopos waar bisschop van is afgeleid) voor het eerst genoemd in 1 Timoteüs [24]. Titus was zo'n opziener, en hij was blijkbaar bevoegd om oudsten aan te stellen[25].

Het christendom in de tweede eeuw[bewerken]

De apostolische vaders[bewerken]

De 'apostolische vaders' bouwen in de tweede eeuw verder op het werk van de apostelen. Het christendom kent een grote uitbreiding in het Romeinse Rijk maar wordt ook tegengewerkt en lokaal vervolgd. In deze eeuw zijn er veel martelaren. Bekend zijn: Ignatius van Antiochië, Polycarpus van Smyrna, Justinus Martyr (Flavia Neapolis), Blandina, Perpetua en Felicitas (Carthago).

Een van de grote figuren in de jonge kerk is Irenaeus uit Klein-Azië, die in zijn jeugd toehoorder was van Polycarpus van Smyrna.

Apologeten staan op. Quadratus van Athene, Aristides van Athene en Justinus de Martelaar zijn bekende verdedigers van het christelijke geloof.

Groei van de kerk[bewerken]

Het christendom groeide omdat de christenen een boodschap van verlossing brachten die de maatschappelijke onderlaag (slaven, armen, ongewenste kinderen, prostituees, enz.) aansprak. Ook was de christelijke kerk bij uitstek een instelling die zich metterdaad bekommerde om de minderbedeelden. Ook het verwerpen van de bij de Joden verplichte besnijdenis (bekering werd aantrekkelijker) en het feit dat christenen geen politieke, economische of militaire agenda hadden maar zich integendeel vooral toelegden op spirituele zaken droeg bij tot de steile opgang van de christelijke kerk[bron?].

Interne kerktwisten[bewerken]

Binnen de christelijke kerk ontstaat er strijd ten gevolge van het ontstaan van verschillende standpunten en inzichten:

  • Een reeds vanaf het eerste begin bestaande joods-christelijke stroming rond Jacobus (de leider van de christelijke gemeenschap in Jeruzalem), later voortgezet als Ebionieten, vindt dat de kerk van Paulus te veel van de joodse leer is gaan afwijken;
  • Sommigen willen de christelijke leer vermengen met de gnostiek (zie hieronder);
  • Marcion (Sinope, Anatolië) wil onder invloed van de gnostiek grote delen van de Bijbel afschaffen (zie hieronder);
  • Volgens Montanus (Anatolië) was de werking van de Heilige Geest het belangrijkste geloofspunt van het christendom

In antwoord op deze verschillen van inzicht komt de kerk in deze eeuw tot het opstellen van een geloofsbelijdenis (de apostolische geloofsbelijdenis in 12 artikelen), tot de eerste instelling van een canon (de lijst gezaghebbende boeken van de Bijbel) en tot de instelling van het bisschopsambt. De inzichten die verworpen worden, komen als dwalingen te boek te staan (later aangeduid als ketterijen). De gnostici en montanisten zijn als dwaling fel bestreden, terwijl de Ebionieten zonder veel strijd vanzelf zijn verdwenen.

Gnostiek[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Gnostiek voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Het concept van historiciteit van de gebeurtenissen in de evangeliën, als een openbaring van nieuw licht van God, was niet eenvoudig te vatten in de heidense wereld. Beschaafde heidenen waren gewend mythen over goden allegorisch op te vatten, als een denkbeeldige beeldtaal om de natuurlijke orde te beschrijven of als projectie van de psychologische staat waarin mensen konden verkeren. Gnostiek was het resultaat van deze "gebruikelijke" interpretatie van het christelijke verhaal, waarbij de bewering goddelijke geheimen te onthullen wordt gecombineerd met een mengsel van mythen en rites die werden ontleend aan diverse religieuze tradities. Gnostiek was (en is) een theosofie met verschillende ingrediënten. Occultisme en oosterse mystiek werden vermengd met astrologie, magie, kabbalistische elementen uit de Joodse traditie, een pessimistische opvatting van Plato's doctrine dat de ware woonplaats van mensen niet in deze stoffelijke wereld ligt en als belangrijkste katalysator de christelijke opvatting inzake verlossing door Christus. Een dualisme van lichaam en geest, van materie en onstoffelijke zaken, werd gecombineerd met een krachtig determinisme of geloof in de predestinatie: de gnostici (of "mensen die weten") zijn de uitverkorenen, hun zielen zijn deeltjes van het goddelijke, streven naar bevrijding van het stoffelijke en de macht van de planeten.

De meeste gnostische sektes beweerden de geheime tradities te volgen die Jezus zijn apostelen in het geheim had onderwezen. Ze verzamelden spreuken van Jezus die hun eigen interpretatie ondersteunden (zoals het Koptische Evangelie van Thomas) en boden hun aanhangers een alternatieve, rivaliserende vorm van het christendom. Gnostische leraren beweerden dat hun dualisme de oorsprong van het kwaad beter verklaarde dan de orthodoxe leer van de kerk dat de geschapen wereld van een volmaakt goede en almachtige God afkomstig is. Sommigen beklemtoonden dat de onvolmaaktheden van de schepping in overeenstemming zijn met die van de Hebreeuwse Bijbel, die zij laag achtten. De Schepper was incompetent en kwaadwillend.

Tegenwoordig bestaat nog maar één tweede-eeuwse sekte - de Mandaeërs in Irak - maar de versie van de gnostische mythologie en geloofspraktijk die werd onderwezen door de derde-eeuwse ketter Mani werd een millennium lang verspreid van Cádiz tot China: één tekst werd aan het einde van de vierde eeuw in Spanje geschreven door Priscillianus van Ávila en krijgt pas zin in het licht van de manicheïsche catechismus uit ongeveer 800, die alleen in het Chinees is overgeleverd.

Gnostiek is in de ene of andere vorm altijd een bijverschijnsel van de kerk gebleven. De kerk ging al snel in de tegenaanval. Zo wordt in de Eerste brief van Johannes de aanval ingezet tegen de gnostische stelling dat het onmogelijk is dat in Christus de eeuwige God zichzelf bezoedeld zou hebben door vlees aan te nemen en de kruisiging zou moeten hebben verduren. In het verlengde daarvan ontkenden de gnostici de betekenis van de sacramenten van de doop en eucharistie. Sommige sektes boden hun aanhangers een "vuurdoop", mogelijk een innerlijke psychologische reflectie. Mani viel de kerk aan op het gebruik van wijn (in zijn ogen een uitvinding van de Duivel) en het geven van enige bijzondere betekenis aan het gewijde brood. Het vroege opduiken van dit soort ideeën verklaart mogelijk de intensiteit waarmee het Evangelie volgens Johannes de noodzaak om te worden wedergeboren "met water en de Geest" benadrukt en het deelnemen aan het hemelse brood en de ware wijnstok.[26] Paulus beklemtoonde nadrukkelijk dat door het ontvangen van het gebroken brood en de geschonken wijn de gelovige deelneemt in de zelfopoffering van de Zoon van de Vader in zijn gebroken lichaam en vergoten bloed.[27] Alleen gedoopte leden mochten deelnemen aan deze dankzegging (eucharistia). Eraan deelnemen was een zo onderscheidend kenmerk van lidmaatschap dat in tijden van vervolging in de tweede en derde eeuw, stukjes van het gewijde brood werden rondgebracht naar gedoopte gelovigen in de gevangenis of op een ziekbed.

Veel gnostische sektes zagen de sacramenten als magisch of juist als een symbool voor een subjectieve psychologische staat binnenin de individuele gelovige. Ze minachtten bisschoppen, priesters en diakenen, maar ze stonden vrouwen toe leidende posities in te nemen en de liturgie voor te zitten, terwijl de orthodoxe gemeenschappen dit niet toestonden. Ze sloegen geen kruisteken, want voor hen was het lijden van Jezus geen historische gebeurtenis maar een symbool voor de universele staat van het menselijke ras.

Marcion[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Marcion van Sinope voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

In de eerste helft van de tweede eeuw paste Marcion de gnostische kritiek op en verwerping van de Schepper-God van de Hebreeuwse Bijbel tot in het extreme toe. Hij en zijn volgelingen maakten lijsten van de morele tegenstrijdigheden tussen de Hebreeuwse Bijbel en het Nieuwe Testament en walgden van allegoriseren om moeilijkheden te vermijden. Hij was van mening dat de apostolische geschriften zelf vervuild waren, door onbekende personen die het christelijke geloof Joods wilden houden. Marcion geloofde dat zelfs de apostelen zelf de bedoelingen van hun Meester ernstig verkeerd hadden begrepen en niet hadden gezien hoe nieuw zijn boodschap feitelijk was. Om die reden begon hij met het produceren van een gezuiverde tekst van de brieven van zijn held Paulus, dan het evangelie van Paulus' metgezel Lucas (de andere evangeliën verwierp hij), waarvan hij dacht dat het in de oorspronkelijke vorm een werk van Paulus was.

Het vaststellen van de canon van het Nieuwe Testament[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Canonvorming van het Nieuwe Testament voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

In zekere zin trof deze actie van Marcion de christelijke gemeenschap als donderslag bij heldere hemel. Er was eenvoudig nooit een vraag geweest over het al dan niet terechte gezag van evangeliën, brieven of openbaringen. Opeens werd het dringend noodzakelijk vast te stellen welke werken "juist" waren en welke vervalsingen of op andere wijze onwaardig in de kerken gebruikt te worden. In tegenstelling tot Marcion accepteerden veel gnostische sektes talloze evangeliën en produceerden zelf "geheime" of apocriefe evangeliën, handelingen, brieven en apocalypsen. Veel van deze "apocriefe" teksten schilderden Jezus af als een heftig pleitbezorger voor seksuele onthouding. In sommige werden de terughoudende tradities over Jezus' kindertijd doorontwikkeld tot verhalen over Maria's ouders en haar (wonderbaarlijke) geboorte en eeuwigdurende maagdelijkheid.

Canoniciteit werd door de christelijke kerk bepaald aan de hand van veronderstelde apostolische oorsprong. Bijvoorbeeld het evangelie van Marcus was canoniek omdat volgens de traditie Marcus de verkondiging van de apostel Petrus op schrift gesteld had. Bij de canonisering moest men er rekening mee houden dat sommige boeken ten onrechte pretenteerden geschreven te zijn door een bepaalde auteur; als dat het geval is spreekt men van pseudepigrafen. Enkele boeken waarbij veel discussie was over het auteurschap hebben uiteindelijk het voordeel van de twijfel gekregen en zijn gecanoniseerd. Van veel boeken was het van het begin af aan duidelijk dat het pseudepigrafen betrof, deze werden dan ook niet opgenomen in de canon. De boeken die buiten de canon gevallen zijn worden apocriefe boeken genoemd.

We kunnen ons van proces van canonisering alleen een voorstelling maken door de brieven te lezen die de "kerkvaders" schreven en ontvingen. Rond 155 meldde Justinus het bestaan van vier evangeliën. Tussen 170 en 180 zette Tatianus in zijn Diatessaron de vier evangeliën naast elkaar. In deze periode werden de andere geschriften van het Nieuwe Testament ook al genoemd. Tussen 150 en 180 bestond dus een verzameling van nieuwtestamentische geschriften met apostolisch gezag. De samenstelling verschilde per kerk. Vanaf 180 verschijnen de evangeliën plotseling met verwijzing naar de naam van de (toegeschreven) auteur. Rond 180 noemde Theophilus van Antiochië dertien brieven van Paulus.

In de jaren die volgen begint meer overeenstemming te ontstaan over de canon. Ireneüs erkent rond 185 alle boeken van het Nieuwe Testament met uitzondering van Brief aan de Hebreeën, Filemon, Judas, 2 Johannes en 3 Johannes. Hippolytus van Rome erkent rond 200 dezelfde boeken als Ireneüs. Er is een document gevonden, de 'Canon Muratori', gedateerd rond 170, met een lijst van boeken van het Nieuwe Testament. Deze lijst bevat alle boeken, met uitzondering van Hebreeën, 1 Petrus, 2 Petrus en 3 Johannes. Tertullianus erkent rond 200 alle boeken, behalve Hebreeën, Jakobus en 2 Petrus. Clemens van Alexandrië erkent in diezelfde tijd alle boeken van het Nieuwe Testament, maar daarnaast ook apocriefen en heidense geschriften. In zijn omgeving was kennelijk nog geen duidelijke canon. Vanaf 210 ontstaat er discussie over Hebreeën, Jakobus, Judas, 2 Petrus, 2 en 3 Johannes en Openbaring.

Het christendom in de derde eeuw[bewerken]

De kerkvaders[bewerken]

De theologen die gepubliceerd hebben in de eerste eeuwen van het christendom en daarmee bijgedragen hebben aan de opbouw van het 'mainstream' christendom worden door de christelijke kerk als kerkvader aangeduid.

De christelijke kerk vindt een machtige verdediger in Tertullianus (160-220), een aanvankelijk heidense jurist en advocaat die in 195 tot het christendom overgaat. In het Apologeticum verdedigt Tertullianus de christenen. Tertullianus stelt dat het bloed der martelaren het zaad van de kerk is. Origenes schrijft de eerste christelijke dogmatiek.

Er ontstaan in deze eeuw drie belangrijke centra van het christelijke geloof:

Interne kerktwisten[bewerken]

Er worden vragen gesteld aangaande de goddelijke natuur van Christus. Sommigen (onder andere Paulus van Samosata) geloven niet in de godheid van Christus. Anderen (zoals Praxeas en Sabellius) geloven niet in zijn mens-zijn. De stelling dat Christus waar God en waar mens is krijgt echter de overhand binnen de christelijke kerk.

Ook zijn er invloeden vanuit de niet-christelijke omgeving. Het neoplatonisme benadrukt de dualiteit tussen geest en stof. Het manicheïsme probeert de gnosis, oosterse religie en christendom te verenigen. Ook de mithrasverering dringt de kerk binnen. Ondanks deze interne spanningen blijft het christendom terrein winnen.

Vervolgingen en erkenning[bewerken]

Aanvankelijk was het christendom slechts een van de vele religies uit het Oosten die een alternatief boden voor de eeuwenoude, steriel geworden Grieks-Romeinse godheden. Maar in de strijd om de zielen met Isis en Osiris uit Egypte, Mithras uit Perzië en de Anatolische Cybele-cultus kwam Jezus duidelijk als winnaar uit de bus. Zijn leer was immers het meest open, zonder geheimzinnige inwijdingen zoals bij veel andere en enigszins elitaire, in het Rijk bloeiende, godsdiensten gebruikelijk was. Hij richtte zich tot iedereen zonder aanzien van ras of stand en bood het vooruitzicht op een feestelijk hiernamaals dat aanvankelijk vooral aantrekkelijk was voor slaven en 'kleine luyden', voor wie het leven op aarde heel wat somberder perspectieven bood.

De eerste christenen profiteerden daarbij van de staatkundige eenheid van het Romeinse Rijk, die de hele mediterrane wereld verenigde en waarbinnen zij gebruik konden maken van drukbevaren handelsroutes en, zeker niet in de laatste plaats, van het uitgebreide Romeinse wegennet. Volgens de traditie zou Paulus, na van zijn gevangenschap in Rome vrijgesproken te zijn, nog een zendingsreis in Spanje hebben ondernomen. Wat zeker is, is dat naast christelijke gemeenten in Italië, Egypte, Griekenland, Carthago, Gallië en de verdere oostelijke Middellandse Zee kusten ook in Spanje in de eerste eeuw al grotere christelijke gemeenten aanwezig waren. Volgens alweer de traditie zou het christendom in de eerste eeuw zelfs nog verder naar Ethiopië, Mesopotamië en India zijn gebracht. In de tweede eeuw werden ook de overige provincies van het Romeinse Rijk bereikt waaronder Germania Inferior waarin gedeeltelijk de huidige Lage Landen liggen. De eerste generaties christenen - die wel het hoogste politieke gezag van de keizer erkenden maar niet de goddelijke status van de keizer, wat voor de Romeinse wet een halsmisdrijf was - werden in sommige tijden vervolgd tijdens de zogenaamde christenvervolgingen. Dit gebeurde tijdens campagnes die in sommige districten werden uitgevoerd. Het duidelijkste voorbeeld van vervolging stamt uit de tijd van Decius omstreeks 250 en Diocletianus aan het begin van de 4e eeuw. In de tijd van Diocletianus waren christenen ook aan het hof heel gewoon, maar in 303 besloot de keizer, vooral onder invloed van Galerius, het christendom in de ban te doen. Het bleek echter al gauw dat de Kerk al veel te groot en wijdverspreid was om deze ban ook werkelijk uit te voeren en tien jaar later, in 313, verklaarde Constantijn de Grote de vrijheid van godsdienst.

Voor de verdere geschiedenis van het christendom:

Nuvola single chevron right.svg Zie Geschiedenis van het christendom voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Sporen van de eerste christenen[bewerken]

Algemeen wordt een papyrusfragment (Papyrus 52) met tekst uit het Evangelie volgens Johannes als het het oudst bewaarde christelijke fragment beschouwd. Dit fragment wordt rond 125 gedateerd. Een tijdlang is gedacht dat de Dode Zee-rollen, geschreven voor 68, een snipper (7Q5) met tekst uit het Evangelie volgens Marcus bevatten. Bijzonder is ook de eerste duidelijk christelijke inscriptie, het grafschrift van de Frygische bisschop Abercius dat in 1882 in zuidoost-Turkije is gevonden. De door de bisschop zelf opgestelde tekst meldt hoe hij in navolging van Paulus de uiteinden van het Rijk heeft bereisd om de blijde boodschap uit te dragen. Uit de derde eeuw stammen voorts de eerste tekeningen en reliëfs van Petrus en Paulus, graftombes met de beeltenis van Jezus als de Goede Herder en een curieuze getuigenis van de eerste kerstening: een grafsteen met zowel heidense als christelijke opschriften. Zij is afkomstig uit het Vaticaan, dat toen nog een begraafplaats was voor alle gezindten. Petrus ligt er hoogstwaarschijnlijk begraven te midden van volgelingen van Jupiter, Serapis en Hekate.

Vroeg-christelijke kunst[bewerken]

De vreedzame co-existentie met andere religies, waar de kerkvaders een einde aan zouden maken, laat zich ook goed aflezen uit twee goedbewaarde drinkbekers, die in de vierde eeuw in dezelfde werkplaats in Keulen werden vervaardigd. De afbeeldingen op de bekers zijn vrijwel identiek: een vrouw die een man een kelk aanreikt. Maar op de ene beker stellen zij Diana en Apollo voor en luidt de tekst: "Neem de beker en geniet", terwijl het bij de andere beker gaat om Eva en Adam, met de woorden: "Geniet van God, drink en leef."

Een ander voorbeeld is een set tafelgerei uit Engeland, waarvan het bord is versierd met heidense godheden en het bestek met christelijke monogrammen.

Het leven en de kunst van de vroege christenen wordt vooral weergegeven in een rijke en afwisselende hoeveelheid archeologische vondsten uit het hele Romeinse Rijk: beelden, tombes, fresco's, gebruiksvoorwerpen, sieraden, munten, speelgoed en kleine persoonlijke eigendommen die zijn aangetroffen in de catacomben, die normaal gesproken dienden als grafkelders, maar waar tijdens de vervolgingen de ondergedoken christenen wel samen kwamen.

Een voorbeeld van de vroegchristelijke schilderkunst zijn de fresco's in grafkelders. De christenen wilden in die tijd niet begraven worden met heidenen en zorgden ervoor dat hun grafkelders of catacomben versierd waren met christelijke taferelen. Zij geloofden in de redding in het hiernamaals en dit geloof werd de essentie van de vroegchristelijke grafkunst. Christus werd op fresco’s vaak afgebeeld als de Goede Herder. Ook op details van sarcofagen keert dit thema vaak weer.

De stijl van de vroegchristelijke kunstvoorwerpen sluit nog aan bij het laatklassieke realisme, maar het is duidelijk te zien dat voor deze artiesten de boodschap belangrijker was dan de esthetische vormen. Symbolen zoals de vis (Ichtus) (Christus), het anker (de zekerheid van het geloof) en het christogram, Christus' in elkaar gevlochten initialen X (chi) en P (rho), vaak samen met 'alfa en omega' (begin en einde), nemen daarom de plaats in van de levensechte voorstellingen van de profane kunst. (Het kruis duikt pas op in de vijfde eeuw, toen de kruisiging als straf voor halsmisdrijven al was afgeschaft.) In die tijd (derde en vierde eeuw) werd ook de basis gelegd voor een nieuwe thematiek die gedurende een periode langer dan een millennium de beeldende kunst van Europa zou domineren: Christus en de apostelen, de opstanding van Lazarus, de wonderen van Jezus, de aanbidding der wijzen en sommige oudtestamentische scènes als de drie mannen in de hete oven en de - op een Vaticaanse sarcofaag fel realistisch weergegeven - avonturen van Jona in de grote vis; dat waren ook in de derde en vierde eeuw al geliefde onderwerpen. Bijzonder fraai zijn ook een tiental piepkleine reliëfs met ivoorsnijwerk uit de vierde en vijfde eeuw. De geboorte van Christus, zijn lijdensweg, de zelfophanging van Judas Iskariot en zelfs een afbeelding van de allereerste basiliek die keizer Constantijn boven het graf van Petrus liet aanleggen, zijn hierop te zien.

Zie ook[bewerken]

Externe link[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Encarta-encyclopedie Winkler Prins (1993-2002) s.v. "Nieuwe Testament". Microsoft Corporation/Het Spectrum.
  2. Encarta-encyclopedie Winkler Prins (1993-2002) s.v. "Jezus". Microsoft Corporation/Het Spectrum.
  3. Over de datering van de synoptische evangeliën, zie E.P. Sanders en M. Davies (1989): Studying the Synoptic Gospels, blz. 5-21
  4. E.P. Sanders en M. Davies (1989): Studying the Synoptic Gospels, blz. 7-15, 21-24
  5. Lucas 7:26
  6. Johannes 1:26,27
  7. Matteüs 12:38-42
  8. Marcus 4:1-12
  9. Lucas 6:35
  10. 1 Korintiërs 15:5-7
  11. Matteüs 16:16-18; Lucas 22:31,32; Johannes 21:16,17
  12. Handelingen 2:42-47
  13. Handelingen 4:32
  14. Handelingen 23:6
  15. Handelingen 9:1-20
  16. Het Koninkrijk van God en de Mensenzoon.http://home.tiscali.nl/~mensenzoon/1.htm
  17. Handelingen 24:14
  18. Handelingen 9:2, 19:9, 23, 22:4, 24:14,22
  19. Handelingen 11:26
  20. Handelingen 11:26, 26:28 en 1 Petrus 4:16
  21. Handelingen 21:20
  22. Handelingen 15:2 en verder
  23. Handelingen 6:1-6
  24. 1 Timoteüs 3:1-7
  25. Titus 1:5
  26. Johannes hoofdstukken 3, 6 en 15
  27. 1 Korintiërs 10:15-17