Maarten Luther

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Maarten Luther geschilderd door Lucas Cranach de Oude in 1529

Maarten Luther (Duits: Martin Luther) (Eisleben, 10 november 1483 – aldaar, 18 februari 1546) was een Duitse protestantse theoloog en reformator. Begonnen als augustijner monnik (1506) die het sacrament van de priesterwijding ontvangen had (1507), ontwikkelde hij zich na zijn benoeming in 1508 tot hoogleraar in de moraaltheologie aan de Universiteit van Wittenberg tot dé leidende persoonlijkheid van de Reformatie in het Duitse Rijk. De publicatie van zijn academische stellingen tegen de handel in aflaten op 31 oktober 1517 is het symbolische begin van het protestantisme. In 1521 werd Luther geëxcommuniceerd door paus Leo X. Luthers naam wordt dikwijls in één adem genoemd met de reformatoren Huldrych Zwingli en Johannes Calvijn.

Leven[bewerken]

Tijdlijn voor Maarten Luther 1483-1546

Vroege jaren (tot 1517)[bewerken]

Maarten Luther werd op 1483 geboren te Eisleben in een van boerenfamilie stammende mijnwerkersfamilie. Zijn familie was mettertijd vrij rijk en hooggeacht geworden in de omgeving. Op 1483 werd Luther gedoopt in de Sint-Petrus-en-Pauluskerk in Eisleben en hij werd daarom naar de dagheilige Martinus van Tours vernoemd. Luther brengt zijn jeugd door in Mansfeld, waar hij later in het stadsbestuur zou worden gekozen.

In 1488 volgde Luther de Latijnse school te Mansfeld, vervolgens in Maagdenburg en tenslotte in Eisenach. Als jongetje van nog geen 12 jaar sprak, las en schreef hij reeds vloeiend in het Latijn. In mei 1501 werd de 17-jarige Luther als student ingeschreven aan de Universiteit van Erfurt, met de bedoeling jurist te worden. In mei 1505 begon hij met zijn eigenlijke studie rechten.

Dat jaar zou Luther intreden in het Augustijnenklooster in Erfurt. Later zou worden verteld dat hij dit deed naar aanleiding van een belofte gedaan tijdens een onweer. Het is het begin van een zoektocht naar een genadige God. Na een proefjaar werd hij in september 1506 wordt hij in de orde van de augustijner heremieten opgenomen. Begin april 1507 werd Luther tot priester gewijd.

In 1508 begon Luther filosofie te doceren aan de universiteit van Wittenberg. Hij zette tegelijkertijd zijn theologische studies voort. In 1510 of 1511 bracht Luther een bezoek aan Rome, maar in 1512 droeg zijn prior, Johan von Staupitz, hem op voorgoed naar Wittenberg te keren. In oktober 1512 werd Luther 'doctor der Heilige Schrift'. Van 1513 tot 1515 gaf Luther colleges over de Psalmen. Van 1515 tot 1516 gingen zijn colleges over de brief aan de Romeinen. In 1516 vormde de Brief aan de Galaten het onderwerp van zijn colleges.

Begin van de reformatie (1517-1522)[bewerken]

Op 31 oktober 1517 werden Luthers 95 stellingen gepubliceerd als reactie tegen de aflaatverkoop van Johann Tetzel, een Dominicanenpriester. Luther was namelijk geconfronteerd geweest met mensen die hun zonden kwamen biechten en daarna hun aflaten lieten zien, zodat hun biechtvader Luther hen geen boetedoening kon opleggen en slechts de vrijspraak (absolutie) kon geven. Het was een vergeven van zondestraffen door de paus, door te putten uit de verdienste van de goede werken van Christus en alle gelovigen. Hiervoor was weliswaar berouw nodig, maar het aankopen van de aflaat was voldoende om de zondestraffen kwijtgescholden te krijgen zonder grote persoonlijke inzet. Luther wil deze misstanden aanklagen en rechtzetten en gaat er van uit dat de paus de misbruiken van de aflaatverkoop ook zal veroordelen. De aflaat waartegen Luther in het bijzonder reageerde was de Jubileumaflaat voor de nieuwbouw van de St Pieterskerk. Op 11 november 1517 stuurde Luther de stellingen naar zijn vriend, prior Johannes Lang.

Van 1517 tot 1518 gaf Luther colleges over de brief aan de Hebreeën en nogmaals over de Psalmen. Op 23 augustus 1518 vaardigde paus Leo X een breve uit, gericht aan kardinaal Thomas Cajetanus, om Luther als notoire ketter te dagvaarden.

In Leipzig vond in 1519 het beroemde dispuut plaats tussen Luther en diens Wittenbergse collega Johannes Eck (1486-1543) over het primaatschap van de paus. Eck stelde dat de ontkenning van de goddelijke instelling van dat pauselijk primaatschap Luther op één lijn stelde met de ketters John Wyclif en Johannes Hus. Luther antwoordde hierop dat 'de leer van Wyclif en Hus inderdaad veel christelijke en evangelische elementen bevatte'. Daaruit volgde automatisch de conclusie dat het concilie van Konstanz, dat Hus in 1415 op de brandstapel had doen belanden, had gedwaald. Dit bevestigde Luther ook. Met het afwijzen van de onfeilbaarheid van de concilies wees Luther ook elk kerkelijk leerambt af. Enkel de Heilige Schrift (de 'Scriptura') was voor de christenen de enige onfeilbare gezagsinstantie: 'Sola Scriptura!'.

De theologische faculteiten van Leuven en Keulen veroordeelden in 1519, als eerste instellingen van de Christenheid, Luthers stellingen over de aflaat. Luther zou dan ook verwijzen naar de theologen als 'de ezels van Leuven'. Op 15 juni 1520 werd de dreigbul 'Sta op, o Heer' (Exsurge Domine), die de veroordelingen door Leuven en Keulen grotendeels herhaalde, bezegeld die 41 uitspraken van Luther verwierp. Luther werd opgedragen deze binnen 60 dagen herroepen. Eck zou de bul naar Duitsland brengen.

In de herfst van 1520 schreef Luther in het Duits 'Over de vrijheid van een christen' (Von der Freiheit eines Christenmenschen), dat hij naar paus Leo X stuurde als een samenvatting van wat hij had geleerd.

In oktober 1520 werden Luthers boeken in Leuven op de brandstapel gegooid. Op 10 december 1520 beantwoordde Luther op deze boekenverbranding door buiten de poorten van Wittenberg, bij de zogenaamde Luthereik, de bul te verbranden, samen met het pauselijk wetboek. Volgens Luther was dit wetboek nu het toonbeeld van tirannie. Wat begon als een streven naar hervorming, vertrouwend op de goede bedoelingen van de paus, veranderde nu in een totale breuk met de katholieke kerk. Het werd dus duidelijk dat Luther niet alleen een hervorming van de Kerk wil, maar fundamenteel dogmatisch anders dacht. Op 3 januari 1521 viel dan ook het kerkrechtelijk oordeel over Luther: de bul 'Het is de Romeinse Opperpriester toegestaan' (Decet Romanum Pontificem) deed Luther in de ban (excommunicatie)

Normaal volgde op een kerkelijke ban meestal een rijksban. De jonge keizer Karel V, die op 28 juni 1519 was verkozen, wilde weliswaar trouw zijn aan Rome, maar moest rekening houden met Luthers keurvorst Frederik de Wijze van Saksen, die hem in bescherming nam. De keizer besloot daarop Luther een vrij verhoor toe te staan op de rijksdag van Worms van 16 tot 25 april 1521. Hij werd daar gevraagd 20 van zijn boeken te herroepen. Luther weigerde echter ook maar iets te herroepen en verklaarde op 18 april dat hij zich alleen 'door getuigenissen der Schrift of duidelijke argumenten' zou laten overtuigen, want zijn geweten was 'gevangen' in Gods Woord. Hij zei dat het 'onzeker en gevaarlijk is, tegen zijn geweten te handelen. God helpe mij, Amen.' Of de uitdrukking 'Hier sta ik, ik kan niet anders' van Luther is, is niet zeker, maar het geeft wel zijn houding weer. Op 25 april besloot de keizer als beschermheer van de kerk op te treden. De volgende dag zou Luther Worms verlaten.

Werkkamer van Luther op de Wartburg

Een keizerlijk edict van 26 mei 1521 deed Luther daarop in de rijksban. Luthers keurvorst Frederik had Luther echter op 4 mei reeds in schijn laten ontvoeren en naar de Wartburg in Eisenach laten brengen. Daar leefde hij bijna een jaar lang als jonker Jörg (hij liet zijn hoofdhaar bijgroeien) en vertaalde hij het Nieuwe Testament naar het Duits. Hij maakte daarbij gebruik van de recente kritische uitgave van Erasmus, die later textus receptus zou worden genoemd. Luthers vertaling zou in 1522 worden gepubliceerd.

Op 9 maart 1522 verliet Luther echter de Wartburg, ondanks de ban, zonder verlof van zijn keurvorst.

Latere jaren (1523-1546)[bewerken]

In 1524 wees Luther de boerenopstand af (omwille van een conflict met hun leider Thomas Münzer) en spoorde zelfs de vorsten deze bloedig neer te slaan.

Op 13 juni 1525 trad hij met een uitgetreden cisterciënzerin, Katharina von Bora, in het huwelijk. Hij bevorderde tevens de groei van de nationale landskerken (Landeskirchen) met visitaties en kerkordes. Velen keerden zich af van Luther, waarmee het begin van de Reformatie door de vorsten werd ingezet door middel van de landskerk.

In de herfst van 1529 nodigde landgraaf Filips I van Hessen hem uit om met Zwitserse geloofsgenoten te spreken over onderlinge theologische verschillen.

In 1530 kwam keizer Karel V na 9 jaar afwezigheid terug in het Heilig Roomse Rijk en besloot hij dat er een beslissing over de Hervorming moest worden geveld. Op de Rijksdag van Augsburg zou hij daarom alle meningen aanhoren. Luthers medewerker Melanchthon stelde namens Luther de Confessio Augustana op, de geloofsbelijdenis van de reformatorische beweging. De Confessio was opvallend gematigd van toon, want Melanchthon en de zijnen hoopten op een mogelijke verzoening. Ze waren evenwel niet bereid toe te geven op de essentiële punten. Er werd in Augsburg geen overeenstemming bereikt en het Edict van Worms (1521) werd vernieuwd. De Rijksdag eiste het herstel van het bisschoppelijk gezag en de teruggave van de kerkelijke goederen die door de protestantse vorsten waren geconfisqueerd. Het Rijksdagbesluit werd echter enkel door de katholieke standen ondertekend. In 1531 werd het Schmalkaldisch Verbond door Duitse protestanten opgericht tegen Karel V.

In 1534 verscheen Luthers vertaling van het Oude Testament. Hij verkoos om de delen die in de Griekse Septuaginta voorkwamen, maar niet in de Hebreeuwse Masoretische teksten (de apocriefen) weg te laten. Deze apocriefen werden later weggelaten door bijna alle Protestanten. Vooral in deze geschriften vond men 'bewijzen' vóór de Rooms-Katholieke leer.

Luther stemde in 1536 in met de 'Wittenbergse Concordia' waarin overeenstemming wordt bereikt tussen lutheranen en aanhangers van Zwingli.

In de winter van 1546 reisde hij af naar zijn geboortestad Eisleben om te bemiddelen in een gravenruzie. Op 18 februari 1546 overleed Maarten Luther in Eisleben en werd vervolgens op bevel van zijn keurvorst in de Slotkerk te Wittenberg begraven.

Theologische opvattingen[bewerken]

Het evangelie is de ware schat van de kerk. Deze stelling, uit de 95 stellingen van 1517, is fundamenteel voor het inzicht in de theologie van Luther. In de middeleeuwen werd de vraag naar het rechtvaardig zijn voor God (vrijspraak van zonden) ook als deel van de christelijke verzoeningsleer gesteld. De rooms-katholieke leer ging ervan uit dat het rechtvaardig zijn voor God deels tot stand gebracht kon worden door het in onvoorwaardelijk geloof aan Christus verrichten van goede werken. Goede werken leveren daarmee een bijdrage aan het heil, het behoud. Door slechte werken (zonden) kon men - zo was de klassieke katholieke opvatting - de heiligmakende genade Gods verliezen. Door bestudering van de Romeinenbrief kwam Luther tot de opvatting dat rechtvaardiging een vrije gave Gods is die God bewijst aan goddeloze zondige mensen. Deze rechtvaardiging is verworven door Christus. De goddeloze krijgt deel aan de verworven gerechtigheid van Christus door het geloof (Romeinen 1:16,17). Het geloof verenigt met Christus en plaatst daarom de goddeloze weer in de juiste verhouding met God. De zonden worden niet door oprecht berouw (en/of de Biecht) vergeven, maar door het geloof "bedekt". Deze opvatting is fundamenteel geweest in het leven van Luther. Het doortrekt ook zijn hele theologie. Luther heeft de rechtvaardiging van de goddeloze weer voluit in het middelpunt van de theologie en de prediking geplaatst. Hij dacht hiermee precies in het voetspoor van de vroege Kerk te treden, vooral Augustinus, die eveneens de waarde van goede werken verminderde in het licht van Gods ontfermende genade. Calvijn heeft de rechtvaardiging van de goddeloze verder doordacht en uitgewerkt in zijn Institutie of onderwijzing in de christelijke religie. Calvijn wordt soms wel Luthers meest systematische leerling genoemd. De centrale gedachten van Luther komen ook weer terug in de theologie van Calvijn, hoewel er op bepaalde punten, zoals de viering van het Avondmaal, verschillen bestonden.

Luthers theologie werd direct aangevallen door zijn medehumanisten Erasmus en Hendrik VIII van Engeland. Hendrik VIII, die later zelf de Paus zou afzweren, werd door Paus Leo X in 1521 geëerd met de titel Defensor Fidei (Verdediger van het Geloof), omdat Hendrik een weerlegging van Luthers sacramentenleer schreef: Assertio Septem Sacramentorum adversus Martinum Lutherum (Een verdediging (assertie) van de zeven sacramenten, tegen Maarten Luther).

Luther en de vrije wil[bewerken]

Luther kent geen enkele waarde toe aan het persoonlijk oordeel van de mens. In zijn commentaar op de brieven van Paulus aan de Romeinen schrijft Luther:

Waar het op aankomt is dat ons eigen oordeel en onze eigen wijsheid, zich onthullend voor onze ogen, vernietigd moeten worden en uitgeroeid uit ons hart en uit ons ijdel ik.

Alleen indien God Zelf werkt is er hoop op eeuwige redding. Luther vervolgt:

Want God wenst ons niet te redden door ons eigen oordeel en inzicht, maar door een ons vreemd oordeel, door een oordeel dat niet uit onszelf voortkomt en niet uit onszelf ontspringt, maar dat tot ons komt van elders.

De onmacht van de mens tot zelfverlossing wordt door Luther aldus verbeeld: de wil van de mens is als een beest dat bereden wordt óf door God óf door Satan. De strijd om de macht over het beest is een strijd tussen God en Satan, en die strijd voltrekt zich volledig buiten de mens zelf om. In een aanval op de verdediging van de wilsvrijheid door Erasmus schrijft Luther:

Aldus is de menselijke wil, als ware hij een beest tussen beide in. Indien God hem berijdt, wil en gaat hij waarheen God wil. (...) Indien Satan hem berijdt, wil en gaat hij gelijk Satan wil. En het ligt niet in de macht van zijn eigen wil te kiezen, noch voor welke berijder hij gaan wil, noch welke hij zoeken wil. Maar de berijders zelf maken in strijd uit, wie hem voor eeuwig zal bezitten.

Dat lijkt een vrij hopeloze situatie voor de mens. Maar kan de mens misschien toch nog enige invloed uitoefenen? Dat kan alleen door volledige onderwerping aan God in volkomen nederigheid. Door deze opvatting kwam ook zijn uitspraak Wees een zondaar en zondig dapper, maar geloof nog dapperder in Christus.

Luther en de maatschappelijke ordening[bewerken]

Maarten Luther getekend door H.F. Helmolt (ed.), History of the World, Volume VII, Dodd Mead 1902

Wat betekende dit voor de maatschappelijke ordening? Luther is bepaald niet onduidelijk:

Zelfs indien de dragers van het gezag slecht zijn en goddeloos, is toch het gezag en zijn macht goed en van Godswege. (...) Derhalve, waar macht aanwezig is en bloeit, daar zij en blijve deze omdat God zo bevolen heeft.

Aan het volk komt niet het recht toe in opstand te komen tegen de wereldlijke macht. Luther:

Hoe slecht het bestuur ook moge zijn, toch zou God het dulden van zijn bestaan verkiezen, liever dan het gepeupel toe te staan te muiten, met hoeveel recht zij ook mogen handelen. (...) Een vorst hoort vorst te blijven, welk een despoot hij ook moge zijn. Hij onthoofdt noodzakelijkerwijs toch maar weinigen, daar hij onderdanen moet bezitten om heerser te kunnen zijn.

De man die zelf rebelleerde tegen de katholieke kerk, maar dit aanvankelijk niet wilde doen, schreef over het rebel zijn:

Laat daarom ieder die moorden, rammeien en steken kan, openlijk of geheim, het goed in gedachten houden dat niets giftiger, nadeliger en duivelser zijn kan dan een rebel.

Luther en het antisemitisme[bewerken]

Luther was volgens veel schrijvers in eerste instantie redelijk positief in zijn oordeel over de Joden. Hij vond het niet vreemd dat de Joden zich nooit bekeerd hadden, omdat de kerk er zo slecht aan toe was dat deze hen alleen maar kon afstoten van het christelijk geloof. Hij verwachtte dan ook dat bij verdere doorwerking van de Reformatie de Joden christenen zouden worden. In 1523 deed Luther nog een aanval op de katholieke kerk over hoe slecht zij de Joden behandeld zou hebben.

Hij bleef echter niet op dit standpunt staan. In 1543 verscheen Over de Joden en hun leugens (Von den Juden und Ihren Lügen), een antisemitische verhandeling over de Joden. Het bevat zeven maatregelen die volgens Luther tegen de Joden genomen moeten worden:

  1. Synagogen en Joodse scholen moeten in brand gestoken worden.
  2. Huizen van Joden moeten afgebroken en verwoest worden. In plaats daarvan moet hun een simpel dak of een stal worden toegewezen.
  3. Joodse gebedsboeken moeten afgenomen worden.
  4. Rabbijnen en andere Joodse geletterden moet, op straffe van de dood, verboden worden ooit nog iemand het Joodse geloof te leren.
  5. Sieraden en geld van de Joden moet afgenomen worden.
  6. Joden mogen zich niet meer op straat vertonen.
  7. Joden moeten opgepakt worden en in werkkampen gestopt worden om hen hun brood te laten verdienen.

De afkeer van Luther van de Joden is waarschijnlijk te verklaren uit zijn teleurstelling over het uitblijven van hun bekering. Hij uitte zich echter niet alleen heftig tegen de Joden en was even fel in zijn bestrijding van de wederdopers en de rooms-katholieken. Volgens de joodse auteur René Süss kwam het pamflet echter niet zomaar uit de lucht vallen en uitte Luther daarvoor ook al vrij zijn gedachten over zijn afkeer van de Joden[1]. Volgens hem is er nooit sprake geweest van een ommekeer in zijn denken over de Joden, maar was hij zijn hele leven al anti-Joods. Volgens Lutherkenner Joop Boendermaker klopt deze voorstelling van zaken niet en was Luther de Joden wel degelijk goedgezind in zijn eerdere jaren. Zo respecteerde Luther in die tijd de rabbijnen en vanwege zijn uitspraak dat Jezus een Jood was, werd hij door zijn tegenstanders een 'halve jood' genoemd.[2]

Luthers anti-judaïsme maakte Duitse lutheranen in de twintigste eeuw ontvankelijk voor nationaal-socialistische propaganda die naast het antisemitisme ook het 'Germaanse' karakter van de reformatie beklemtoonde. Het racistische motief voor de vervolging door de nazi's was echter vreemd aan Luthers theologisch gemotiveerde afwijzing van de Joodse religie.

Tijdsperiode van Luther[bewerken]

In de loop van de geschiedenis zijn er binnen de Rooms-katholieke Kerk geregeld mensen geweest die zich stoorden aan misstanden binnen deze kerk en opriepen tot een volgens hen authentiekere of fundamentelere beleving van het geloof. Deze nieuwe dissidente leraren werden vaak slechts plaatselijk gehoord en werden soms vroegtijdig gestopt door ze te veroordelen voor ketterij, waarna in de ergste gevallen martelingen en executies volgden. Voorbeelden zijn John Wyclif in Engeland, Johannes Hus in Bohemen; de Waldenzen in Frankrijk en de Moderne Devotie in hanzeatische steden in het noorden van de Nederlanden en Duitsland, met name het Keurvorstendom Saksen (Luther heeft les gehad op de Latijnse school in Maagdenburg die geleid werd door Broeders des Gemenen Levens (Brüder vom gemeinsamen Leben' of 'Windesheimer Chorherren' in het Duits))[3]

Wanneer Luther drie jaar nadat hij in de ban is gedaan een eigen onafhankelijke kerk sticht, wordt hij door velen in het Duitse rijk gevolgd. Duitsland bestond in die tijd uit vele kleine staten met een lokale graaf, bisschop, hertog of koning als heerser, die losjes verenigd waren in het Heilige Roomse Rijk. Velen van deze lokale heersers worden protestant - vaak uit opportunistisch oogpunt: men kan de Kerk en de daarmee verbonden Keizer van het Roomse rijk als concurrerende machtsfactor uitschakelen. De keus voor Luther wordt ongetwijfeld mede bepaald doordat Luther als noodoplossing de vorsten de positie van de bisschop liet overnemen en hen daarmee grote invloed gaf op de kerk in hun gebied. Het verschaft de lokale machthebbers het goddelijke alleenrecht te besluiten welke religie in hun gebied aangehangen diende te worden. De Katholieke Kerk toont verzet, maar na de Schmalkaldische Oorlog (1546 -1555) is er niet veel meer over van de politieke en culturele structuur in Duitsland.

Dat Luther uiteindelijk zo een grote invloed kon hebben heeft verschillende oorzaken:

  • de drukpers gaf de mogelijkheid nieuwe ideeën snel te verspreiden.
  • door conflicten tussen de keizer (Karel V) en de paus duurde het lang voordat de tegenstand tegen het lutheranisme goed was georganiseerd.
  • de keizer moest zijn keurvorsten ontzien in een tijd dat hij ze nodig had toen hij oorlog voerde of ten tijde dat er strijd dreigde. Hierdoor kon de keurvorst van Saksen Luther in bescherming nemen. Toen deze noodzaak verdween moest de keurvorst hem verstoppen.
  • Luther had veel bijval van de humanisten. Zij bestudeerden de klassieke talen. Luther gebruikte voor zijn vertaling van het Nieuwe Testament de door Erasmus een tiental jaren eerder opnieuw geredigeerde en in drukvorm uitgegeven Griekse tekst daarvan. Dat was iets waar de Roomse Kerk geen voorstander van was: zij baseerde haar vertaling van het Nieuwe Testament op de Vulgaat (die gebaseerd is op de oudere Griekse tekst) (Erasmus had zijn Grieks geleerd bij de Broeders des Gemenen Levens die dat eind 15de eeuw als nieuw vak op de door hen geleide Latijnse scholen (zoals bijvoorbeeld die in Maagdenburg die Luther ook bezocht) hadden ingevoerd).
  • Luthers Bijbelvertaling van de grondtekst naar de volkstaal was de eerste die sterk verspreid werd. Volksvertalingen bestonden reeds vroeger in de middeleeuwen, maar waren ongelooflijk duur omdat het zeker tot midden 15de eeuw handgeschreven (in plaats van gedrukte) kopieën betrof. Luthers Bijbelvertaling - met in de voetnoten zijn nieuwe leer - verbreidde zich sneller dan de katholieke reactie.
  • Er was in alle standen sterke ontevredenheid:
    • allereerst onder de adel : die was minder nodig, omdat:
      • het bestuur naar geschoolde juristen ging.
      • de legers werden uitgerust met vuurwapens.
      • het zakenleven, de nieuwe industrieën en het verkeer over grote afstanden vereisten gespecialiseerde financieringsmogelijkheden: de banken.
    • ook de boeren waren ontevreden want deze moesten vroeger een deel van hun opbrengst afstaan als pacht in natura maar nu in geld en diensten.
    • ontevredenheid onder plaatselijke heersers, stads burgers, handelaren en intellectuelen:
      • de aflatenhandel betekende een geldstroom uit de Duitse landen, straffeloosheid en een ondermijning van de moraal.
      • de wantoestanden in de Katholieke Kerk zoals ambtsverhandeling en ambtencombinaties werden niet bestreden.
      • de wereldse vorsten hadden de rijkdom van de kerk liever zelf in handen. Het sluiten van de kloosters bracht deze eigendommen aan de wereldse vorsten.
      • de decadente levenswijze en/of de onkunde en onwetendheid van vele geestelijken stuitte velen tegen de borst.

Werken[bewerken]

Voorafgaand aan de Rijksdag van Worms:

Werken tijdens zijn (gedwongen) verblijf te Wartburg (4 mei 1521-3 maart 1522: bijna één jaar)

vanaf 1522:

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]

Logo Wikiquote
Wikiquote heeft een collectie citaten gerelateerd aan Maarten Luther.
Logo Wikimedia Commons
Commons heeft meer mediabestanden op de pagina Martin Luther.

Bronnen, noten en/of referenties
  1. „Er loopt directe lijn van Luther naar Kristallnacht”. Reformatorisch Dagblad, 9 november 2005
  2. 'Antisemiet stond aan wieg van Reformatie'. Lodewijk Dros, Trouw, 7 november 2005
  3. Peter Nissen: Geloven in de Lage landen; scharniermomenten in de geschiedenis van het christendom. 2004 Davidsfonds Leuven