Scheiding van kerk en staat

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Van scheiding van kerk en staat is sprake wanneer de kerkelijke macht en staatkundige macht niet in dezelfde handen zijn en zij geen beslissende invloed op elkaar uitoefenen.

Scheiding van kerk en staat betekent in Nederland en België in de praktijk dat de staat en de kerk ieder hun eigen zaken regelen en zich niet met elkaar bemoeien of elkaar de regels voorschrijven. Het gaat bij deze vormgeving van de scheiding dus in de eerste plaats om het organisatorisch en bestuurlijk gescheiden houden van deze twee grootheden. De overheidsdienaren bemoeien zich niet met de kerk en de dienaren van de kerk bemoeien zich niet met de staat. De theorie is sinds de 19e eeuw in mindere of meerdere mate wereldwijd in praktijk gebracht. In Nederland en België is het beginsel van de scheiding van kerk en staat een fundamenteel uitgangspunt voor de inrichting van de huidige democratische rechtstaat.

In Nederland vloeit de scheiding voort uit het beginsel van gelijke behandeling, het neutraliteitsbeginsel, en de vrijheid van levensbeschouwelijke of godsdienstovertuiging uit artikel 1 en artikel 6 van de Nederlandse Grondwet.[1][bron?] In de afgelopen jaren is de maatschappelijke discussie over de verhouding tussen religie en politiek weer opgelaaid.[1] In Nederland kenmerkt de scheiding van kerk en staat zich bijvoorbeeld niet door een scheiding van religie en politiek, in tegenstelling tot landen als Frankrijk, India, Turkije, Verenigde Staten, Portugal en Japan. Wel is de consequentie ervan dat de wet het hoogste gezag heeft en religie in feite wordt getolereerd indien en voor zover religie of uitingen van religie niet in strijd zijn met de wet. Dit blijkt duidelijk uit het eerste lid van artikel 6 van de Nederlandse Grondwet: Ieder heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. De godsdienstvrijheid is zodoende altijd beperkt.

In Europese landen zijn over het algemeen drie verschillende vormen van de scheiding te vinden:[1]

  • Een staatsgodsdienst, zoals in Denemarken en Engeland, waar de staat privileges aan een bepaalde Kerk ter beschikking stelt en bepaalde geestelijken benoemt, terwijl de Kerk een deel van de afgevaardigden van het huis in de regering benoemt.
  • Coöperatie tussen kerk en staat, zoals in Nederland, België, Duitsland en Spanje; waar de staat zich inclusief neutraal, of compenserend neutraal opstelt ten opzichte van geloven.
  • Secularisme of Laïcisme, zoals in Frankrijk, Turkije en Portugal, waar een diepgaande scheiding van kerk en staat bestaat, oftewel exclusief neutraal; op scholen wordt geen godsdienstles gegeven, religieuze attributen en symbolen zijn in de publieke ruimte verboden en vrijzinnigheid geniet een grote mate van bescherming.

In Europa hebben religie en politiek lang dicht bij elkaar gelegen, en hebben veel landen langdurig vergaande bestuurlijke en politieke inmenging van kerken ondergaan, alsook andersom. In de Middeleeuwen mochten de kerkelijke en politieke bevoegdheden zelfs door zowel kerkelijke als wereldlijke overheden worden uitgeoefend, zelfs gelijktijdig. Tot op de dag van vandaag is dit het geval in het Vaticaan; de paus is naast geestelijk leider van de katholieke kerk ook staatkundig leider van Vaticaanstad.

Met de Verlichting en de Franse Revolutie kwam na eeuwen van inmenging onder Europese bevolkingen de roep naar een staatsrechtelijke scheiding van kerk en staat. Sindsdien is het een leidend principe in de staatsinrichting van democratische rechtsstaten, en is het in de loop van de 19e en 20e eeuw in bijna alle Europese landen, en wereldwijd, in de wet verankerd.[1]

België[bewerken]

De Belgische Grondwet kent evenals de Nederlandse Grondwet geen artikel dat expliciet tot scheiding van kerk en staat dwingt. Maar de scheiding kan wel worden geconcludeerd door de artikelen 20, 21, 22 en 181 van de Belgische grondwet in samenhang te beschouwen. Men noemt dit stelsel ook wel een stelsel van “relatieve scheiding” of “onderlinge onafhankelijkheid”, omwille van het feit dat de Belgische overheid ondanks de principiële scheiding van kerk en staat toch instaat voor het onderhoud en de oprichting van bidhuizen en het betalen van een wedde voor bedienaren van de (erkende) erediensten (art. 181 §1). Sinds 1993 is in België grondwettelijk vastgelegd (in het art. 181 §2) dat ook de vrijzinnige gemeenschap gesubsidieerd wordt. Ook de boeddhisten dienden een aanvraag voor erkenning en betoelaging op grond van dit artikel in, en worden sinds eind 2008 structureel gesubsidieerd onder het stelsel van de niet-confessionele levensbeschouwelijke gemeenschappen.

Nederland[bewerken]

In 1795 werd in Nederland, toen nog de Bataafse Republiek, door de Fransen de scheiding van kerk en staat ingevoerd. Deze is echter onvolledig.

Ook de Nederlandse Staat betaalde compensatie voor de onteigeningen tijdens de Franse Revolutie, maar daaraan kwam met een eenmalige afkoopsom door de overheid een eind in 1983, toen de Wet beëindiging financiële verhouding tussen Staat en Kerk werd ingevoerd. In Nederlandse openbare scholen bestaat sinds de Wet op het lager onderwijs van 1920 de mogelijkheid om godsdienst- of ander levensbeschouwelijk onderwijs te verzorgen; de school dient hiervoor een verwarmd en verlicht lokaal ter beschikking te stellen.

Voorbeelden van de onvolledige scheiding tussen kerk en staat zijn:

  • Politieke partijen met een religieuze grondslag.[bron?]
  • Het verbod op "smalende godslastering" uit 1932, opgeheven in 2013.[2][bron?]
  • Op Prinsjesdag sluit de Koning de troonrede af met een 'bede'.
  • De koning regeert volgens de aanhef van elke wet "bij de gratie Gods".
  • De Nederlandse 2-euromuntstukken dragen, net als vroeger de guldens en rijksdaalders, als randschrift de tekst "God zij met ons".
  • In veel gemeenteraden wordt de vergadering geopend en gesloten met een ambtsgebed.
  • Een kerkelijk huwelijk mag niet gesloten c.q. bevestigd worden voordat het burgerlijk huwelijk is gesloten. Kerkelijke bedienaren die zich hier niet aan houden zijn strafbaar.[bron?]
  • De Zondagswet verbiedt openbare vermakelijkheden op zondag voor 13.00 uur.
  • De Winkeltijdenwet verbiedt openstelling van winkels op de zondag. Wel mogen gemeenteraden maximaal 12 koopzondagen per jaar instellen. Ook mogen zij een bepaald gebied aanwijzen als toeristisch gebied, waarvoor dit verbod niet geldt.
  • Al het overheidspersoneel is verplicht vrij op vijf christelijke feestdagen.[bron?]
  • De meeste geestelijken in Caribisch Nederland zijn als rijksambtenaar in overheidsdienst.
  • Bij rechtszaken wordt aan getuigen de optie voorgelegd om de waarheid te spreken op grond van een eed op de Bijbel.

In Nederland staan alle politieke partijen de scheiding van kerk en staat voor, ook de SGP.[3]

De Parijse Commune kondigt de scheiding van kerk en staat af, beëindigt de subsidies aan de kerken en verklaart alle kerkelijke goederen tot staatseigendom.

Frankrijk[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie ook: Laïcisme

In Frankrijk wordt sinds 1905 met de wet tot séparation des Églises et de l'État de 'scheiding van Kerken en van de Staat' geregeld. In 1958 werd de regeling in de grondwet verankerd.

Op Franse scholen wordt strikt aan het principe vastgehouden. Religieuze afbeeldingen en kleding(stukken) zijn er taboe. In de staatsscholen wordt geen godsdienstles gegeven. In plaats van confessionele leerstof worden er vakken gegeven zoals ethiek en filosofie.

De Turkstalige wereld[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie ook: Laïcisme

In Turkse landen heerst een strenge vorm van secularisme, waarbij politieke partijen op religieuze grondslag verboden zijn. Volgens de grondwetten mag een religieuze instelling geen politiek belijden. Daarnaast is ook elke vorm van religieus onderwijs anders dan het beperkt behandelen van de grote wereldgodsdiensten verboden.

Voorbeelden in andere landen[bewerken]

In Groot-Brittannië is het staatshoofd ook hoofd van de Anglicaanse Kerk en hebben 26 Anglicaanse bisschoppen ambtshalve zitting in het Britse parlement.

In Noorwegen is de koning hoofd van de Noorse staatskerk.

In Denemarken zit er in de regering altijd een kerkminister ten behoeve van de officiële Deense staatskerk, die bepaalde taken namens de staat uitvoert.

In Griekenland bestaat geen officiële scheiding van kerk en staat.

In de Verenigde Staten is wel sprake van een scheiding van kerk en staat; religie heeft echter een veel nadrukkelijker invloed in het publieke domein dan in Europa.

In islamitische landen, op de Turkstalige landen na, is het beeld gemengd. Er zijn landen waar religie en politiek althans officieel strak worden gescheiden zoals Egypte, maar er zijn ook landen waar de geestelijken ook de politieke macht in handen hebben (Saoedi-Arabië, Iran) en er een zogeheten islamitische wetgeving (sharia) geldt.

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties