Scheiding van kerk en staat
Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Van scheiding van kerk en staat is sprake wanneer de kerkelijke macht en staatkundige macht niet in dezelfde handen zijn en zij geen beslissende invloed op elkaar uitoefenen.
Het betekent dat de staat en de kerk ieder hun eigen zaken regelen en zich niet met elkaar bemoeien of elkaar de regels voorschrijven. Het gaat bij deze scheiding dus in de eerste plaats om het organisatorisch en bestuurlijk gescheiden houden van deze twee grootheden. De overheidsdienaren bemoeien zich niet met de kerk en de dienaren van de kerk bemoeien zich niet met de staat. Aanhangers van het secularisme beijveren zich in de regel voor deze scheiding.
De scheiding van kerk en staat betekent dus niet de scheiding van religie en politiek, al is dat een gangbare misvatting.
In de Middeleeuwen konden in Europa de kerkelijke en politieke bevoegdheden door zowel kerkelijke als wereldlijke overheden worden uitgeoefend. Tot op de dag van vandaag is dit het geval in het Vaticaan. De Paus is naast geestelijk leider van de roomse kerk ook wereldlijk leider van Vaticaanstad. In diverse landen kent men nog het beginsel van een staatsgodsdienst, waar de staat privileges aan een bepaalde kerk ter beschikking stelt en ook duidelijke bevoegdheden heeft in de kerk bijvoorbeeld bij benoeming van geestelijken.
Inhoud |
[bewerken] België
De Belgische grondwet kent geen artikel dat expliciet tot scheiding van kerk en staat dwingt. Maar de scheiding kan wel worden geconcludeerd door de artikelen 20, 21, 22 en 181 van de Belgische grondwet in samenhang te beschouwen.
Ter compensatie van de massale onteigeningen van bezittingen van de Kerk tijdens de Franse Revolutie, staat de Belgische overheid in voor het onderhoud en de oprichting van bidhuizen en het betalen van een wedde voor bedienaars van de erediensten. Sinds 1993 is in België grondwettelijk vastgelegd dat ook de vrijzinnige gemeenschap gesubsidieerd wordt, ook al werden haar eigendommen nooit onteigend door de staat.
[bewerken] Nederland
In 1795 werd in Nederland, toen nog de Bataafse Republiek, door de Fransen de scheiding van kerk en staat ingevoerd. Deze is echter onvolledig.
Ook de Nederlandse staat betaalde compensatie voor de onteigeningen tijdens de Franse Revolutie, maar daaraan kwam met een eenmalige afkoopsom door de overheid een eind in 1983, toen de Wet beëindiging financiële verhouding tussen Staat en Kerk werd ingevoerd. In Nederlandse openbare scholen bestaat sinds de Wet op het lager onderwijs van 1920 de mogelijkheid om godsdienst- of ander levensbeschouwelijk onderwijs te verzorgen; de school dient hiervoor een verwarmd en verlicht lokaal ter beschikking te stellen.
Voorbeelden van de onvolledige scheiding tussen kerk en staat zijn:
- Op Prinsjesdag sluit de Koningin de troonrede af met een 'bede'.
- De koningin regeert volgens de aanhef van elke wet "bij de gratie Gods".
- De Nederlandse 2-euromuntstukken dragen, net als vroeger de guldens en rijksdaalders, als randschrift de tekst "God zij met ons".
- In veel gemeenteraden wordt de vergadering geopend en gesloten met een ambtsgebed.
- Een kerkelijk huwelijk mag niet gesloten c.q. bevestigd worden voordat het burgerlijk huwelijk is gesloten. Kerkelijke bedienaren die zich hier niet aan houden zijn strafbaar.
- De Zondagswet verbiedt openbare vermakelijkheden op zondag voor 13.00 uur.
- De Winkeltijdenwet verbiedt openstelling van winkels op de zondag. Wel mogen gemeenteraden maximaal 12 koopzondagen per jaar instellen. Ook mogen zij een bepaald gebied aanwijzen als toeristisch gebied, waarvoor dit verbod niet geldt.
De SGP is tegen de scheiding van kerk en staat gekant. Deze partij heeft in haar grondbeginselen staan dat men normen en waarden uit de Christelijke bijbel wil handhaven in de samenleving.
[bewerken] Frankrijk
In Frankrijk wordt sinds 1905 met de wet tot séparation des Églises et de l'État de 'scheiding van kerken en van de staat' geregeld. In 1958 werd de regeling in de grondwet verankerd.
Op Franse scholen wordt strikt aan het principe vastgehouden. Religieuze afbeeldingen en kleding(stukken) zijn er taboe. In de staatsscholen wordt geen godsdienstles gegeven. In plaats van confessionele leerstof worden er vakken gegeven zoals ethiek en filosofie.
[bewerken] Voorbeelden in andere landen
- In Groot-Brittannië is het staatshoofd ook hoofd van de Anglicaanse staatskerk en hebben 26 Anglicaanse bisschoppen ambtshalve zitting in het Britse parlement.
- In Noorwegen is de koning hoofd van de Noorse staatskerk.
- In Denemarken zit er in de regering altijd een kerkminister ten behoeve van de officiële Deense staatskerk, die bepaalde taken namens de staat uitvoert.
[bewerken] Misvattingen
- Door onbekendheid met de werkelijke betekenis wordt het begrip vaak en oneigenlijk gebruikt als argument om de religie weg te halen uit het publieke domein. Zo wordt in Nederland wel eens geargumenteerd dat partijen als het CDA, de ChristenUnie en de SGP geen bestaansrecht hebben in Nederland vanwege deze scheiding.
- Enkele Belgische journalisten stelden dat een kerk geen uitspraken zou mogen doen over wetten, wetsvoorstellen of politiek in het algemeen.
Dergelijke gedachten gaan uit van de idee dat de staat los moet staan van de religie. Dat is echter iets anders dan de scheiding van kerk en staat.
In Nederland werd de ARP als eerste politieke 'partij' opgericht om op politiek niveau de liberalen (die het katholicisme een gelijkwaardiger rol binnen het bestel wilden toebedelen) te confronteren met de 'antithese' (Abraham Kuyper). De angst voor een heropleving van het papisme (bisdommen in o.a. Haarlem en Utrecht, paus Pius IX en de Syllabus Errorum) en vermeende goddeloosheid (Marx publiceerde rond deze tijd zijn Communistisch Manifest) deed het protestantse deel der natie vermoeden dat een aanwezigheid op parlementair niveau het aangewezen middel was om de veranderingen van de Reformatie te verdedigen.
In landen waar een opstand tegen het katholicisme (Reformatie of Franse Revolutie) niet heeft gewoed, wordt dit onderscheid tussen 'scheiding kerk en staat' vs. 'scheiding religie en politiek' niet gemaakt en zou zoiets, tot op de dag van vandaag, nogal gekunsteld overkomen.

