Celibaat

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Katholieke priesters leven celibatair

Celibaat (van het Latijn caelebs of coelebs = ongehuwd) is de term voor de bewuste keuze, ongehuwd te blijven, in het bijzonder verwijzend naar geestelijken, maar ook toepasselijk voor andere gelovigen. Iemand die leeft naar het celibaat, leeft celibatair. Omdat in veel kerken seksuele handelingen enkel binnen het huwelijk toegelaten zijn, houdt het celibaat dus volledige seksuele onthouding in.

In de religieuze geschiedenis van de mensheid heeft het celibaat steeds bestaan in een of de andere vorm en het komt vandaag voor in vele belangrijke wereldgodsdiensten zoals het hindoeïsme, het boeddhisme, het taoïsme en het christendom.

Celibaat binnen het christendom[bewerken]

De apostel Paulus prees zijn celibataire levenshouding: dat is te lezen in zijn brieven in het Nieuwe Testament van de Bijbel. De belangrijkste bijbelpassages hierover zijn te vinden in de Eerste brief van Paulus aan de Korintiërs. Hoewel hij het ongehuwd zijn ter wille van God en het prediken van Christus en Zijn kruisdood heel waardevol vond, beschouwde hij die manier van leven toch als een gave: hij raadde het aan, maar kon begrijpen dat niet elke gelovige man het aankon zonder vrouw te leven. De bekendste uitspraak van hem hieromtrent luidt: "Het is beter te trouwen dan van begeerte te branden."[1]

Celibaat binnen de Latijnse Kerk[bewerken]

Voor het priesterschap in de Katholieke Kerk volgens de Westerse of Latijnse ritus is het celibaat een vereiste, net zoals voor de intrede in een kloosterorde. Het idee is dat, doordat een persoon zich niet aan een aardse persoon bindt, een dichtere binding en een betere wijding van het leven aan God kan worden bereikt.

De vereiste van het celibaat werd voor het eerst als wetgeving vermeld in de Synode van Elvira in 306 (canon 33). Verschillende concilies in het Westen hebben deze wetgeving overgenomen. Onder paus Leo I (440-461) en paus Gregorius de Grote (590-604) werd de celibaatsplicht als wet opgelegd, nu ook voor subdiakens. Andere bronnen vermelden Paus Marcellus I (? - 309) als de eerste wetgever van het celibaat voor de wereldwijde Kerk. Een van de redenen is de mogelijkheid voor de priester, niet gehinderd door familiale beslommeringen, zich volledig te wijden aan de kerkgemeenschap en het offer. Het celibaat wordt ook begrepen als een teken van solidariteit met alleenstaanden en als verwijzing naar Jezus, die volgens de katholieke traditie celibatair geleefd heeft. Er bestaan ook verschillende praktische redenen voor het celibaat. Zo voorkomt het celibaat het ontstaan van priesterfamilies, waarin het priesterschap en kerkelijk bezit, van vader op zoon wordt overgedragen. Een celibataire priester is daarmee ook (geografisch) flexibeler in de loop van zijn gewijd leven.

Het celibaat is in de 10e en 11e eeuw in de Latijnse of Westerse kerk vaak geschonden geweest (zie nicolaïsme). Dit nicolaïsme ging vaak gepaard met simonie. Zowel Nicolaas II (1058-1061) als Gregorius VII (1073-1085) hebben beide fenomenen met succes bestreden (Gregoriaanse hervorming). In de vijftiende eeuw werd de katholieke kerk geleid door pausen die uit relaties met maîtresses diverse kinderen hadden (Innocentius VIII (1484-1492) en Alexander VI (1492-1503). Tijdens het kerkelijk Concilie van Trente (1545-1563), dat ten doel had een einde te maken aan de misstanden in de katholieke kerk, is andermaal besloten dat geestelijken het celibaat moeten respecteren.

In zijn encycliek Sacerdotalis caelibatus heeft Paus Paulus VI in 1967 nogmaals de argumenten uiteengezet die pleiten voor het verplichte celibaat in de Westerse Kerk.[2]

Gedurende de laatste 50 jaar is er binnen de Katholieke Kerk veel discussie over het celibaat. Velen spraken zich uit tegen het celibaat, onder andere omdat het tot een tekort aan priesters zou leiden. In Nederland sprak het Pastoraal Concilie van de Nederlandse Kerkprovincie zich in 1970 expliciet uit tegen het celibaat.

Celibaat binnen de Oosterse Kerken[bewerken]

In de Oosters-katholieke Kerken en de Orthodoxe Kerk geldt sinds de 4e eeuw de regel dat bisschoppen enkel onder celibatairen, uit de monniken gekozen worden. Gehuwde mannen kunnen wel tot diaken of priester gewijd worden. Het priestercelibaat wordt overigens in de Oosters-katholieke Kerken hoog in ere gehouden. In de Oosters-katholieke Kerken wordt de pastorale bediening meestal toevertrouwd aan ongehuwde priesters en onderhouden vele priesters in feite de wet van het celibaat, met uitzondering van de Maronieten en de katholieke Armeniërs.[3] In de Oosters-katholieke Kerken zijn de priesters die er vrijwillig voor gekozen hebben talrijk, vaak voortkomend uit hun contacten met Latijnse geestelijken en Jezuïeten. Echter kennen alle Oosters-katholieke kerken minstens enkele gehuwde pastoors en andere seculiere (niet-monastieke, niet in religieuze congregatie verblijvende) geestelijken, ook in Oost-Europa waar de Byzantijns-katholieke kerken van oostelijk Slowakije en de Oekraïne zelfs de priesteropvolging van vader en zoon kennen. In de Oosters-Orthodoxe en Oriëntaals-Orthodoxe kerken is het vrijwillige celibaat en de ongehuwde staat onder de parochiegeestelijken echter meer een uitzondering dan regel, hoewel zeker niet verboden.

Zowel in het Oosten als in het Westen leven de monniken een celibatair leven en mag degene, die het wijdingssacrament ontvangen heeft, daarna niet meer trouwen noch (als weduwnaar) hertrouwen. Van een parochiepriester in de Oosters-Orthodoxe Kerk wordt vaak sociaal verwacht dat hij gehuwd is en een gezin sticht.[bron?] Normaal gesproken zijn in de Orthodoxe Kerk alle monniken celibataire priesters met uitzondering van gehuwde priesters die weduwnaar geworden, of eventueel van hun vrouw gescheiden, zijn. Zij trouwen altijd vóór het ontvangen van de wijding. Vaak ging het priesterschap in de Oosterse Kerken over van vader op zoon. De betekenis van een van de meest voorkomende achternamen in Griekenland (Papadopoulos) en in Servië (Popovic) is trouwens "priesterzoon".

Kerken van de reformatie[bewerken]

Protestanten, Anglicanen en vrij-katholieken eisen van hun geestelijken geen celibaat. Rond 1845 ontstonden er in de Anglicaanse Kerk wel opnieuw kloosterorden. Ook in de zeldzame protestantse kloostergemeenschappen zoals Taizé en Grandchamp (in het Zwitserse Areuse) is het celibaat aanvaard.

Oudkatholieke Kerk[bewerken]

In de Oudkatholieke Kerk is de verplichting van het celibaat voor een priester thans opgeheven. In Duitsland sinds 1874 en in Nederland sinds 1922.

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. I Korintiërs 7:9
  2. Sacerdotalis caelibatus, encycliek van Paus Paulus VI, 23 juni 1967
  3. Grote Winkler Prins, zevende druk, Elsevier, 1967.