Belgische Grondwet

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Download een gesproken versie van dit artikel Beluister
1.
(info)
2.
(info)
3.
(info)

De eerste, unitaire, Belgische Grondwet werd gestemd in 1831. België is een constitutionele parlementaire monarchie, kent het principe van ministeriële verantwoordelijkheid voor het regeringsbeleid en huldigt de scheiding tussen wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht. De Grondwet was oorspronkelijk in het Frans opgesteld. De eerste officiële Nederlandstalige versie dateert van 1967. Tot daarvoor had de Nederlandse versie slechts de status van vertaling. In 1991 werd ook een Duitstalige versie officieel aangenomen. Bij het opstellen van de Grondwet was België een centralistische staat, maar sinds 1970 werd België geleidelijk omgevormd tot een federale staat in het kader van opeenvolgende staatshervormingen.

De laatste ingrijpende wijziging van de Grondwet werd in 1993 doorgevoerd. Naar aanleiding daarvan werd besloten om de hele Grondwet opnieuw te publiceren in een gecoördineerde versie (Belgisch Staatsblad).

Een van de belangrijkste wijzigingen was de invoering van het Grondwettelijk Hof (tot 2007:Arbitragehof), een rechtscollege dat er op toe ziet dat de Grondwet door de verschillende wetgevende instanties wordt nageleefd. Momenteel kan zij alle wetten toetsen aan titel II, art. 170, 172 en 191 van de Grondwet.

De hand van Koning Leopold rustend op de constitutie

De Grondwet is een grendelgrondwet, hetgeen inhoudt dat grondwetswijzigingen enkel kunnen plaatsvinden wanneer deze door beide Gemeenschappen worden onderschreven.

Op 29 maart 2012 werd de Grondwet voor het laatst gewijzigd, en wel artikel 195 van de Grondwet, waaraan een overgangsbepaling werd toegevoegd.

Historische aspecten[bewerken]

Op 25 november 1830 wordt de grondwet, geschreven door een commissie aangesteld door het Voorlopig Bewind voorgelegd aan het Nationaal Congres. Op 7 februari 1831 sloot het Nationaal Congres de debatten en stemde voor de Belgische Grondwet.

De Belgische grondwet is een evenwichtige synthese van de Franse Grondwetten van 1791, 1814 en 1830, de Nederlandse Grondwet van 1815 en het Engelse staatsrecht. De tekst van de grondwet is echter geen juridisch amalgaam geworden, maar een originele creatie. Haar elementaire principes zijn vandaag de dag nog steeds van toepassing.

Titel I. Het Federale België, zijn samenstelling en zijn grondgebied[bewerken]

In 1831 was België een centralistisch georganiseerde staat georganiseerd in 3 niveaus: het nationale niveau, de provincies en de gemeenten. De federalisering van België voegde hieraan het regionale niveau toe. Volgens art. 1 van de Grondwet is België nu een federale Staat, samengesteld uit Gemeenschappen en Gewesten

Het regionale niveau is aldus opgebouwd uit twee soorten federale entiteiten: de gemeenschappen en de gewesten. De gemeenschappen zijn de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap en de Duitstalige Gemeenschap (art. 2). De gewesten zijn het Vlaams Gewest, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (art.3).

België is verdeeld in vier taalgebieden: het Nederlandse taalgebied, het Franse taalgebied, het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad en het Duitstalige gebied. Deze taalgebieden dienen om de territoriale bevoegdheid van de gemeenschappen en de gewesten af te bakenen. De grenzen kunnen enkel gewijzigd worden door een bijzondere wet (ook wel bijzondere meerderheidswet genoemd). (art.4)

Art. 5 geeft de verdeling van het grondgebied in provincies weer. Art. 6 bepaalt dat de provincies bij wet kunnen onderverdeeld worden in gemeenten. De grenzen van de Staat, de provincies en gemeenten kunnen enkel gewijzigd worden bij wet (art. 7)

Titel II. De Belgen en hun rechten[bewerken]

In deze titel wordt een reeks fundamentele rechten opgesomd. Ook al spreekt de Grondwet over de rechten van de Belgen, zijn ze in principe van toepassing op iedereen die op het Belgisch grondgebied verblijft, tenzij objectieve rechtvaardigingen bestaan voor een verschillende behandeling. In art. 8 en 9 wordt daarom bepaald in welke gevallen men Belg kan worden.

Een samenvatting van de grondrechten:

  • Alle Belgen zijn gelijk voor de wet (art. 10)
  • Discriminatie in de toepassing van rechten en vrijheden is verboden. De gelijkheid van vrouwen en mannen is gewaarborgd. (art. 11)
  • Het recht waarborgt voor vrouwen en mannen de gelijke uitoefening van hun rechten en vrijheden, en bevorderen meer bepaald hun gelijke toegang tot de door verkiezing verkregen mandaten en de openbare mandaten. (art. 11bis)
  • De vrijheid van de persoon is gewaarborgd. Niemand kan worden vervolgd dan in de gevallen die de wet bepaalt en overeenkomstig wettelijke procedures. (art. 12)
  • Ieder heeft het recht naar een rechter te stappen overeenkomstig de wettelijke voorwaarden. (art. 13)
  • Straffen kunnen enkel worden ingevoerd of toegepast krachtens een wet. (art. 14)
  • De woning is onschendbaar, huiszoekingen kunnen enkel in die gevallen die de wet voorschrijft. (art. 15)
  • Het recht op eigendom moet gerespecteerd worden. Onteigening kan enkel in het algemeen belang, in die gevallen en volgens de procedure door de wet bepaald en tegen een billijke en voorafgaande schadeloosstelling. (art. 16) De straf van verbeurdverklaring van (alle) goederen kan niet worden ingevoerd (art. 17).
  • De burgerlijke dood is afgeschaft en kan niet opnieuw worden ingevoerd. (art. 18)
  • De vrijheid van eredienst en de vrije openbare uitoefening ervan zijn gewaarborgd. Misbruik van deze vrijheden kan evenwel bestraft worden. (art. 19, 20 en 21)
  • De vrijheid van meningsuiting is gewaarborgd. Misbruik van deze vrijheden kan evenwel bestraft worden. (art. 19)
  • Ieder heeft het recht op eerbiediging van zijn privéleven en zijn gezinsleven. Uitzonderingen kunnen enkel bij wet ingevoerd worden. (art. 22)
  • Elk kind heeft recht op eerbiediging van zijn morele, lichamelijke, geestelijke en seksuele integriteit. (art. 22bis)
  • Ieder heeft het recht een menswaardig leven te leiden. (art. 23) Dit recht omvat meer bepaald de volgende rechten:
    • het recht op arbeid en op de vrije keuze van beroepsarbeid in het raam van een algemeen werkgelegenheidsbeleid dat onder meer gericht is op het waarborgen van een zo hoog en stabiel mogelijk werkgelegenheidspeil, het recht op billijke arbeidsvoorwaarden en een billijke beloning, alsmede het recht op informatie, overleg en collectief onderhandelen;
    • het recht op sociale zekerheid, bescherming van de gezondheid en sociale, geneeskundige en juridische bijstand;
    • het recht op een behoorlijke huisvesting;
    • het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu;
    • het recht op culturele en maatschappelijke ontplooiing.
  • Het onderwijs is vrij. De gemeenschap waarborgt de keuzevrijheid van de ouders. De gemeenschap richt neutraal onderwijs in. De neutraliteit houdt onder meer in, de eerbied voor de filosofische, ideologische of godsdienstige opvattingen van de ouders en de leerlingen. Ieder heeft recht op onderwijs, met eerbiediging van de fundamentele rechten en vrijheden. De toegang tot het onderwijs is kosteloos tot het einde van de leerplicht. (art. 24)
  • De drukpers is vrij. Censuur kan niet worden ingevoerd. (art. 25)
  • De Belgen hebben het recht vreedzaam en ongewapend te vergaderen (art. 26)
  • De Belgen hebben het recht van vereniging. (art. 27)
  • Ieder heeft het recht verzoekschriften bij de openbare overheden in te dienen (art. 28).
  • Het briefgeheim is onschendbaar. (art. 29)
  • Het gebruik van een bepaalde taal mag enkel opgelegd worden voor handelingen van het openbaar gezag en voor gerechtszaken. (art. 30)
  • Eenieder heeft het recht openbare ambtenaren voor hun daden van bestuur te vervolgen, volgens de procedure in de wet bepaald. (art. 31)
  • Ieder heeft het recht elk bestuursdocument te raadplegen en er een kopie van te krijgen. Uitzonderingen moeten door de wet bepaald worden. (art. 32)

Naast de mensenrechten die in titel II van de Grondwet worden opgesomd, genieten de Belgen ook de rechten die vervat liggen in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, dat gesloten werd in het kader van de Raad van Europa. Op de naleving van dat verdrag wordt toegezien door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg.

Sinds 2003 kan het Grondwettelijk Hof, alle wetten, decreten en ordonnanties toetsen aan titel II van de Grondwet, en de rechten vervat in art. 170, 172 en 191 (in verband met de gelijkheid van Belgen en vreemdelingen, het verbod te discrimineren op het vlak van belastingen, ... ). Zo kan vermeden worden dat er wetten in strijd met deze mensenrechten zouden toegepast worden. Op die manier wordt de naleving van de rechten van de Belgen dus verzekerd. Bij de interpretatie van de rechten uit titel II van de Grondwet maakt het Grondwettelijk Hof ook gebruik van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens zodat er geen verschillende interpretaties van dezelfde beginselen kunnen ontstaan.

Titel III. De Machten[bewerken]

In deze titel wordt de staatsstructuur van België vastgelegd volgens het principe van de scheiding der machten. De wetgevende, de uitvoerende en de rechterlijke macht worden in principe aan verschillende instanties toevertrouwd. Deze instanties moeten elkaar in het oog houden, zodat ze hun macht op een verantwoorde manier uitoefenen. Deze drieledige structuur wordt op alle niveaus van de staat toegepast, van het federale tot het gemeentelijke niveau.

In principe moet de macht van de staat uitgeoefend worden door de instanties die de grondwet aanwijst (art. 33). Het is door dit artikel dat er in België geen referendum kan ingevoerd worden zonder de Grondwet te wijzigen: het aannemen van een wet wordt in de Grondwet immers opgedragen aan de Koning, Kamer van Volksvertegenwoordigers en Senaat en dus niet aan de bevolking door middel van referendum. Wanneer men toch een referendum zou organiseren zou de wetgevende macht dus niet uitgeoefend worden zoals bepaald in de Grondwet (het laatste lid van artikel 41 laat nu wel een volksraadpleging toe op gemeentelijk en provinciaal niveau, "over de aangelegenheden van gemeentelijk of provinciaal belang").

Art. 34 stelt daarentegen uitdrukkelijk dat de uitoefening van bepaalde machten of bevoegdheden toevertrouwd kan worden aan volkenrechtelijke instellingen. Hiermee wordt onder andere het lidmaatschap van België van de Europese Gemeenschap bedoeld.

Het federale niveau[bewerken]

De bepalingen over het federale niveau zijn niet nieuw; de artikelen die vroeger het nationale niveau regelden werden gewoon overgenomen, op een paar uitzonderingen na.

De grondwet stelt alvast in het vooruitzicht dat de federale overheid slechts uitdrukkelijk toegewezen bevoegdheden zal hebben. Alle residuaire bevoegdheden zullen door het regionale niveau behartigd worden. Vooraleer deze wijziging in voege kan treden moet in de grondwet een lijst met de federale bevoegdheden komen (art. 35). Deze bepaling is nog niet van kracht (waardoor het residu nog bij de federale overheid ligt) omdat er eerst een bijzondere wet moet aangenomen worden die bepaalt wie bevoegd zal zijn voor het residu (verdeling tussen de gemeenschappen en gewesten). Bovendien moet er een lijst komen van de bevoegdheden van de federale overheid, wat een erg omvangrijke taak is. Bovendien ligt dit politiek erg gevoelig.

De federale wetgevende macht[bewerken]

De federale wetgevende macht wordt uitgeoefend door de koning, de Kamer van Volksvertegenwoordigers en de Senaat tezamen (art. 36). De wetgevende bevoegdheid wordt uitgeoefend door middel van wetten, bijzondere wetten, interpretatieve wetten, naturalisatiewetten, begrotingswetten, programmawetten, kaderwetten, opdrachtwetten en volmachtenwetten.

De federale kamers[bewerken]

Federale verkiezingen vinden (in principe) om de vier jaar plaats (art. 65 en 70.) Elke kiezer heeft slechts één stem. (art. 61) De stemming is verplicht en geheim. (art. 62) Om Senator of Volksvertegenwoordiger te worden moet men Belg zijn, het genot hebben van de burgerlijke en politieke rechten, 21 jaar zijn en in België wonen. (art. 64 en 69).

De Kamer van Volksvertegenwoordigers telt 150 leden die rechtstreeks worden verkozen door de burgers. (art. 63)

De Senaat telt 71 gewone leden, waarvan 40 rechtstreeks verkozen senatoren. 21 Senatoren worden aangewezen door de drie gemeenschappen (gemeenschapssenatoren). Per taalgroep worden er dan nog eens door de verkozen en gemeenschapssenatoren anderen als senator aangewezen, dit zijn de gecoöpteerde senatoren. (art. 67) Daarenboven kunnen de kinderen van de Koning (momenteel 3) Senator van rechtswege worden vanaf hun 18e verjaardag. De senatoren van rechtswege hebben pas stemrecht vanaf hun 21e verjaardag en ze worden niet meegerekend in het aanwezigheidsquorum (art. 72). Momenteel zijn er dus 74 Senatoren in totaal.

Men kan niet tegelijk lid zijn van beide Kamers. Een parlementslid dat benoemd wordt tot minister moet zijn zetel in het parlement voor de duur van het ministerschap opgeven. (art. 50) Een parlementslid die als bezoldigd ambtenaar benoemd wordt, moet zijn zetel in het parlement opgeven. (art. 51) Deze bepalingen zijn opgenomen om te vermijden dat zij slaafs de regering zouden volgen in alle stemmingen in het parlement, omdat ze van die regering afhankelijk zouden zijn voor hun inkomen. Dit is ingevoerd na een aantal misbruiken in de 19e eeuw.

De vergaderingen van de Kamers zijn in principe openbaar (art. 47). Beslissingen worden bij volstrekte meerderheid genomen. Beslissingen kunnen enkel geldig genomen worden indien de meerderheid van de parlementsleden aanwezig is. (art. 53)

De parlementsleden kunnen niet vervolgd worden of het voorwerp uitmaken van een gerechtelijk onderzoek naar aanleiding van een mening of een stem, in de uitoefening van zijn functie uitgebracht. (art. 58). Vervolgingen en gerechtelijke onderzoeken in het algemeen zijn slechts toegelaten met de toestemming van de Kamer of de Senaat waartoe het parlementslid hoort. (art. 59)

De oorspronkelijke grondwet gaf de Kamer en de Senaat gelijke bevoegdheden in alle materies. Wetsvoorstellen moesten daarom vaak verschillende keren heen en weer gezonden worden tussen beide Kamers wat voor veel vertraging zorgde. De huidige grondwet beperkt de gelijke bevoegdheid van beide kamers voor bepaalde materies, opgesomd in art. 77. Voor de materies opgesomd in art. 78 krijgt de Senaat een evocatierecht, dit betekent dat de Senaat wetsvoorstellen enkel behandelt op verzoek van minimum 15 senatoren. Alleen de Kamer is bevoegd voor naturalisaties, de wetten betreffende de burgerrechtelijke en strafrechtelijke aansprakelijkheid van de ministers, de begroting van de staat en de vaststelling van het legercontinent. (art. 74)

In de regel wordt elk besluit bij volstrekte meerderheid van stemmen genomen. Beslissingen kunnen enkel genomen worden wanneer meer dan de helft van de parlementsleden aanwezig zijn. (art. 53)

Naast de bevoegdheid om over wetten te stemmen, beschikt elke Kamer over het recht om parlementaire onderzoekscommissies op te richten. (art. 56)

De Koning als deel van de wetgevende macht[bewerken]

De Koning heeft net als beide Kamers het recht om wetsvoorstellen in te dienen. (art. 75)

De Koning neemt niet deel aan de debatten over de wetten of aan de stemmingen. De Koning bekrachtigt de wetten en kondigt ze af eens ze gestemd zijn. De bekrachtiging wordt beschouwd als een instemming van de Koning met de wet (aangezien de Koning een tak is van de wetgevende macht moet hij er zijn instemming mee betuigen, net als de Kamer en de Senaat). De afkondiging wordt beschouwd als een verklaring dat de wet overeenkomstig de procedures tot stand gekomen is.

De federale uitvoerende macht[bewerken]

De federale uitvoerende macht berust bij de Koning. (art. 37) Hiermee worden de Koning en de federale regering bedoeld.

De Koning[bewerken]

De grondwettelijke macht van de Koning gaat bij erfopvolging over op de natuurlijke en wettige nakomelingschap, in de rechte lijn, van Z.M. Leopold, Joris, Christiaan, Frederik van Saksen-Coburg en volgens eerstgeboorterecht. (art. 85) De huidige Koning is Filip I. Deze nakomeling verliest echter zijn rechten op de troon wanneer hij huwt zonder de toestemming van de Koning. Wanneer er geen nakomelingen meer zijn, kan de Koning een opvolger aanstellen, wat goedgekeurd moet worden door de Kamer en de Senaat. Wanneer dit niet gebeurt, is de troon onbezet (art. 86).

Bij de troonsbestijging legt de Koning in een vergadering van de Verenigde Kamers de volgende eed af: “Ik zweer dat ik de Grondwet en de wetten van het Belgische volk zal naleven, 's Lands onafhankelijkheid handhaven en het grondgebied ongeschonden bewaren.” (art. 91).

De Koning kan niet tegelijk Koning zijn van België en van een andere Staat. Een zogenaamde personele unie is slechts mogelijk wanneer in beide Kamers een 2/3-meerderheid behaald wordt. Dit artikel is 1 keer gebruikt, nl. in 1885 toen Leopold II ook soeverein werd van Kongo-Vrijstaat.

De Koning is als persoon onschendbaar. Zijn ministers zijn verantwoordelijk. (art. 88) De Koning kan in principe niet vervolgd worden voor zijn daden of voor de meningen die hij uit. Elke officiële handeling van de Koning moet daarom bevestigd worden door een minister, die hierdoor de verantwoordelijkheid opneemt voor die handeling. De Koning kan dus op zijn eentje geen enkele beslissing nemen. In de praktijk gaat het dan ook om beslissingen van de regering, die ondertekend worden door de Koning.

De Civiele lijst, de vaststelling van de toelage die de Koning krijgt, wordt bij wet vastgesteld voor de duur van zijn regeerperiode (art. 89). Deze kan dus niet gewijzigd worden. Dit is zo om te vermijden dat er voortdurende discussies zouden zijn over de monarchie.

Wanneer de Koning sterft, komen de Kamers uiterlijk de tiende dag na zijn overlijden samen om de nieuwe Koning de eed te horen afleggen. De bevoegdheden van de Koning worden, tot de aflegging van de eed door de nieuwe Koning, uitgeoefend door de federale regering die beslist bij consensus en regeert in naam van het Belgische volk (art. 90). Wanneer de troonopvolger nog minderjarig is, wordt een regent en een voogd aangesteld door de Kamers (art. 92).

Wanneer de Koning in de onmogelijkheid verkeert te regeren (geestesziekte, coma, minderjarig, gevangen in het buitenland, ... ) moet de regering die onmogelijkheid vaststellen en de Kamers samenroepen om een regent aan te stellen en eventueel een voogd voor de kinderen van de Koning(art. 93). Ook wanneer de troon onbezet is (geen opvolgers meer, ... ) wordt door de Kamers een regent aangesteld. Daarna komen er verkiezingen om de Kamers een nieuwe samenstelling te geven, en die nieuwe Kamers zullen dan een nieuwe Koning aanstellen (art. 95). Dit artikel zorgt er voor dat in dat geval de bevolking via de verkiezingen wordt betrokken in de aanstelling van een nieuwe vorst. Dit regentschap mag slechts aan 1 persoon worden opgedragen en die persoon moet de grondwettelijke eed hebben afgelegd (art. 94).

De federale regering[bewerken]

De Koning benoemt en ontslaat zijn ministers. De regering is verplicht haar ontslag in te dienen wanneer zij is weggestemd door een constructieve motie van wantrouwen en dan is de Koning verplicht de voorgedragen opvolger te benoemen (art. 96). Alleen Belgen kunnen minister zijn (art. 97), maar leden van de koninklijke familie kunnen dit niet (art. 98).

De regering bestaat maximaal uit 15 ministers (geen beperking op het aantal staatssecretarissen. Ze bestaat uit evenveel Nederlandstaligen als Franstaligen (pariteit), eventueel de premier uitgezonderd (art. 99).

De ministers hebben zitting in elke Kamer en het woord moet hen verleend worden wanneer zij er om vragen (art. 100). Deze regel is ingevoerd om het mogelijk te maken voor de minister om zijn beleid te verdedigen. Daarom kunnen de Kamers ook hun aanwezigheid vorderen (art. 100).

De ministers zijn verantwoordelijk voor het gevoerde beleid tegenover de Kamer van Volksvertegenwoordigers (art. 101). Dit is de tegenhanger van de onverantwoordelijkheid van de Koning. Sinds 1993 kan de Senaat het vertrouwen in de regering niet meer opzeggen. Geen minister kan onderworpen worden aan enig onderzoek naar aanleiding van een mening die hij heeft geuit in de uitoefening van zijn ambt (art. 101). Dit om te vermijden dat de minister niet over de nodige vrijheid zou beschikken om zijn mening te uiten, beleid te verdedigen, ... In geen geval kan een bevel van de Koning hem ontslaan van die verantwoordelijkheid (art. 102), om te vermijden dat op die manier niemand verantwoording zou dragen voor het beleid.

Ministers die een misdrijf hebben begaan in de uitoefening van hun ambt kunnen enkel vervolgd worden voor het Hof van Beroep. Ook wanneer zij een misdrijf hebben gepleegd tijdens hun ambtstermijn, maar dat niets te maken heeft met de uitoefening van hun functie, worden zij vervolgd voor het Hof van Beroep wanneer die vervolging plaatsvindt tijdens zijn ambtstermijn. Tegen de arresten van het Hof van Beroep is een cassatievoorziening mogelijk bij het Hof van Cassatie. (art. 103) Een strafvordering tegen een minister kan enkel ingesteld worden door het Openbaar Ministerie, en niet, zoals voor andere burgers, door het slachtoffer. Hiervoor is echter wel toestemming nodig van de Kamers, net als voor de aanhouding van een minister. De mogelijkheden van burgerlijke partijstelling worden geregeld bij wet. Bovendien mag de Koning een veroordeeld minister enkel genade verlenen op verzoek van de Kamers (art. 103).

De Koning benoemt en ontslaat de staatssecretarissen. Deze zijn lid van de federale regering, maar niet van de Ministerraad (om de pariteit te omzeilen). Zij worden toegevoegd aan een minister. De Koning bepaalt hun bevoegdheden en de mate waarin zij het recht van medeondertekening krijgen. In de regel zijn op hen dezelfde bepalingen van toepassing als op ministers. (art. 104)

De bevoegdheden van de uitvoerende macht[bewerken]

De Koning heeft geen andere macht dan die welke de Grondwet of andere wetten hem uitdrukkelijk toekennen (art. 105). De uitvoerende macht heeft dus enkel die bevoegdheden die ze van de wetgevende macht heeft gekregen.

Aangezien de Koning onschendbaar is (art. 88), heeft geen enkele akte die van hem uitgaat gevolgen wanneer ze niet is ondertekend door een minister. Die minister wordt verantwoordelijk voor die handeling of akte ten aanzien van het parlement (art. 106).

De Koning verleent de graden in het leger en benoemt de ambtenaren bij het algemeen bestuur en bij de buitenlandse betrekkingen. Andere ambtenaren benoemt hij alleen krachtens een uitdrukkelijke wetsbepaling (art. 107).

De Koning maakt de verordeningen en neemt de besluiten die voor de uitvoering van de wetten nodig zijn. Daarbij mag hij nooit de wetten zelf schorsen of vrijstelling van hun uitvoering verlenen (art. 108).

Hij bekrachtigt de wetten en kondigt ze af (art. 109).

De Koning oefent het genaderecht uit. Dit is het recht de door de rechters uitgesproken straffen kwijt te schelden of te verminderen (art. 110). Voor ministers en leden van de Gemeenschaps- en Gewestregeringen mag dit alleen wanneer het betrokken parlement daarmee instemt (art. 111).

De Koning heeft het recht munt te slaan (art. 112); hij heeft het recht mensen in de adelstand te verheffen (art. 113) en hij verleent de militaire orden (art. 114).

De Gemeenschappen en Gewesten[bewerken]

België was oorspronkelijk een unitaire Staat, zonder deelstaten. De communautaire problemen tussen Nederlandstaligen en Franstaligen maakten een behoud van deze structuren onmogelijk. Op taalvlak werd een regeling uitgewerkt in de taalwetgeving, wat echter niet voldoende bleek. Een ruimere autonomie werd daarom uitgewerkt in de staatshervorming.

Inrichting[bewerken]

België is een federale Staat, samengesteld uit de gemeenschappen en de gewesten (art. 1). In tegenstellingen tot andere federale Staten heeft België dus twee types van deelstaten.

België omvat drie gemeenschappen: de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap en de Duitstalige Gemeenschap. (art. 2)

België omvat drie gewesten: het Vlaams Gewest, het Waals Gewest en het Brusselse Gewest (in de rest van de Grondwet Brussels Hoofdstedelijk Gewest genoemd) (art. 3).

Deze indeling is gebaseerd op de vier taalgebieden: het Nederlandse taalgebied, het Franse taalgebied, het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad en het Duitse taalgebied. Elke gemeente van het Rijk maakt deel uit van een van deze taalgebieden. De grenzen van de vier taalgebieden kunnen alleen gewijzigd worden door middel van een bijzondere wet. (art. 4)

Het Vlaamse Gewest omvat de provincies Antwerpen, Limburg, Oost-Vlaanderen, Vlaams-Brabant en West-Vlaanderen. Het Waalse Gewest omvat de provincies Henegouwen, Luik, Luxemburg, Namen en Waals-Brabant. Bij wet (vanaf 2007 bij decreet) kan het aantal provincies verhoogd worden. Een bijzondere wet kan bepaalde gebieden aan de indeling in provincies onttrekken (wat gebeurd is met het Brussels Hoofdstedelijk Gewest) (art. 5)

De organen[bewerken]

De voornaamste organen van de Gemeenschappen en Gewesten zijn de parlementen (in de Grondwet voorlopig nog "Raden" genoemd) en de regeringen.

De Gemeenschaps- en Gewestparlementen[bewerken]

Er is een Raad van de Vlaamse Gemeenschap, Vlaamse Raad genoemd, en een Raad van de Franse Gemeenschap. De samenstelling en de werking worden geregeld in de Bijzondere Wet op de Hervorming van de Instellingen. Er is een Raad van de Duitstalige Gemeenschap, waarvan de samenstelling en de werking door een gewone wet worden bepaald. Tenzij anders geregeld, is er ook voor elk gewest een Raad. (art. 115) De Raden zijn in ieder geval samengesteld uit rechtstreeks verkozen mandatarissen (art. 116) De leden worden gekozen voor vijf jaar. Tenzij een bijzondere wet er anders over beschikt, vinden de verkiezingen voor alle Raden plaats op dezelfde dag en bovendien samen met de verkiezingen voor het Europese Parlement. (art. 117)

De bijzondere wet regelt de verkiezingen voor de Raden, net als de samenstelling en de werking ervan. Een gewone wet volstaat met betrekking tot de Raad van de Duitstalige Gemeenschap. Een bijzondere wet kan deze aangelegenheden toevertrouwen aan de Raden zelf (de zogenaamde constitutieve autonomie). Die bevoegdheden moeten dan uitgeoefend worden door de Raden met een meerderheid van twee derden van de uitgebrachte stemmen, op voorwaarde dat de meerderheid van de leden van de betrokken Raad aanwezig is. (art. 118)

Binnen de grenzen van de Staat hebben de leden van de Raden vrij verkeer op alle verkeerswegen door de openbare overheden geëxploiteerd of in concessie gegeven. (art. 118 bis)

Een lid van een Raad kan niet tegelijk lid zijn van de Kamer van volksvertegenwoordigers of de Senaat, tenzij als gemeenschapssenator (art. 119). De leden genieten dezelfde onschendbaarheid als de federale parlementsleden (art. 120).

De Gemeenschaps- en Gewestregeringen[bewerken]

Er is een Regering van de Vlaamse Gemeenschap en een Regering van de Franse Gemeenschap, waarvan de samenstelling en de werking worden bepaald door de Bijzondere Wet op de Hervorming van de Instellingen. Er is ook een Regering van de Duitstalige Gemeenschap, waarvan de samenstelling en de werking door een gewone wet worden bepaald. Ook de Gewesten beschikken normaliter over een regering (art. 121). De leden van die regeringen worden in ieder geval gekozen door de leden van de Raad (art. 122). Ook met betrekking tot de regeringen kan constitutieve autonomie gegeven worden aan de Gemeenschappen en Gewesten, door middel van een bijzondere wet (art. 123).

Geen lid van een Gemeenschaps- of Gewestregering kan worden vervolgd of aan enig onderzoek onderworpen naar aanleiding van een mening of een stem in de uitoefening van zijn ambt uitgebracht (art. 124). Voor de vervolging van de regionale ministers geldt dezelfde regeling als voor de federale ministers (art. 125).

De bepalingen met betrekking tot de Gemeenschaps- en Gewestregeringen zijn ook van toepassing op de gewestelijke staatssecretarissen (art. 126).

Bevoegdheden[bewerken]

Elke gemeenschap heeft de bevoegdheden welke haar door de Grondwet of door de (bijzondere) wetten worden toegekend (art. 38). De bijzondere wet bepaalt de bevoegdheden van de gewesten (art. 39).

De Gemeenschapsbevoegdheden[bewerken]

De Raden van de Vlaamse en de Franse Gemeenschap regelen, ieder wat hem betreft, bij decreet:

  1. de culturele aangelegenheden: wat hier onder valt wordt bepaald in een bijzondere wet
  2. het onderwijs, met uitsluiting van:
    1. de bepaling van het begin en het einde van de leerplicht;
    2. de minimale voorwaarden voor het uitreiken van de diploma's;
    3. de pensioenregeling;
  3. de samenwerking tussen de gemeenschappen, alsook de internationale samenwerking, met inbegrip van het sluiten van verdragen met betrekking tot deze aangelegenheden. Een bijzondere wet legt de regels voor samenwerking en het sluiten van verdragen vast.

Deze decreten hebben kracht van wet respectievelijk in het Nederlandse taalgebied en in het Franse taalgebied, alsmede ten aanzien van de instellingen gevestigd in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad die, wegens hun activiteiten moeten worden beschouwd uitsluitend te behoren tot de ene of de andere gemeenschap (art. 127).

Daarnaast zijn de Raden van de Vlaamse en de Franse Gemeenschap bevoegd om bij decreet de persoonsgebonden aangelegenheden te regelen. Ook hieromtrent kunnen ze samenwerken met de andere gemeenschappen of verdragen sluiten. Deze decreten hebben kracht van wet respectievelijk in het Nederlandse taalgebied en in het Franse taalgebied, alsmede, tenzij wanneer een bijzondere wet er anders over beschikt, ten aanzien van de instellingen gevestigd in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad die, wegens hun organisatie, moeten worden beschouwd uitsluitend te behoren tot de ene of de andere gemeenschap (art. 128).

Art. 129 bepaalt dat de Raden van de Vlaamse en de Franse Gemeenschap bij decreet regelen, het gebruik van de talen voor:

  1. de bestuurszaken;
  2. het onderwijs in de door de overheid opgerichte, gesubsidieerde of erkende instellingen;
  3. de sociale betrekkingen tussen de werkgevers en hun personeel, alsmede de door de wet en de verordeningen voorgeschreven akten en bescheiden van de ondernemingen.

Deze decreten hebben kracht van wet, respectievelijk in het Nederlandse taalgebied en in het Franse taalgebied, uitgezonderd wat betreft:

    1. faciliteitengemeenten
    2. de diensten waarvan de werkkring verder reikt dan het taalgebied waarin zij gevestigd zijn;
    3. de door de wet aangewezen federale en internationale instellingen waarvan de werking gemeen is aan meer dan één gemeenschap.

De Raad van de Duitstalige Gemeenschap regelt bij decreet:

  1. de culturele aangelegenheden;
  2. de persoonsgebonden aangelegenheden;
  3. het onderwijs, binnen de grenzen bepaald in artikel 127
  4. de samenwerking tussen de gemeenschappen, alsmede de internationale samenwerking, daarin begrepen het sluiten van verdragen, voor wat haar bevoegdheden betreft.
  5. het gebruik van de talen voor het onderwijs in de door de overheid opgerichte, gesubsidieerde of erkende instellingen.

Een wet stelt de in 1° en 2° vermelde culturele en persoonsgebonden aangelegenheden vast, alsook de in 4° vermelde vormen van samenwerking en de wijze waarop de verdragen worden gesloten. Deze decreten hebben kracht van wet in het Duitse taalgebied (art. 130).

De wet stelt de regelen vast ter voorkoming van elke discriminatie om ideologische en filosofische redenen (art. 131). Dit resulteerde in de procedure van de ideologische alarmbel.

Het recht van initiatief berust bij de Gemeenschapsregering en bij de leden van de Gemeenschapsraad (art. 132). Alleen het decreet kan een authentieke uitlegging van de decreten geven (art. 133).

De Gewestbevoegdheden[bewerken]

De wetten ter uitvoering van artikel 39 bepalen de rechtskracht van de regelen die de organen, welke zij oprichten, uitvaardigen in de aangelegenheden, welke zij aanduiden. Zij kunnen aan deze organen de bevoegdheid toekennen om decreten met kracht van wet uit te vaardigen op het gebied en op de wijze die zij bepalen (art. 134). Dit artikel is erg vaag, wat zijn oorsprong vindt in het feit dat men oorspronkelijk niet goed wist wat men met de Gewesten moest aanvangen. Later is de omschrijving bewust zo vaag gehouden om bij bijzondere wet makkelijk bevoegdheden te kunnen overdragen, zonder daarvoor de zware procedure van Grondwetsherziening te moeten volgen. Daardoor zijn de gegevens m.b.t. de Gewesten niet terug te vinden in de Grondwet maar in de Bijzondere Wet op de Hervorming van de Instellingen.

Bijzondere bepalingen[bewerken]

Een bijzondere wet regelt de instellingen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (art. 135). Dit is de Bijzondere Brusselwet.

Er bestaan taalgroepen in de Raad van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. Wanneer die taalgroepen apart vergaderen vormen zij Colleges die bevoegd zijn voor de gemeenschapsaangelegenheden. Hun samenstelling, werking, bevoegdheden en financiering worden geregeld door een bijzondere wet. De Colleges vormen samen het Verenigd College, dat fungeert als overleg- en coördinatieorgaan tussen de beide gemeenschappen (art. 136).

De Raad van de Vlaamse Gemeenschap en de Raad van de Franse Gemeenschap en hun Regeringen kunnen de bevoegdheden uitoefenen van respectievelijk het Vlaamse en het Waalse Gewest, onder de voorwaarden en op de wijze die de bijzondere wet bepaalt (art. 137). Deze bepaling maakt het mogelijk om de instelling te laten fuseren, wat ook gebeurd is in Vlaanderen. Daardoor is er nu nog 1 Vlaams parlement en 1 Vlaamse regering, die eigenlijk Gemeenschapsinstellingen zijn maar ook alle functies van het Vlaams Gewest uitoefenen. Aan de andere kant van de taalgrens is dit niet gebeurt, omdat het Waals Gewest ook het gebied van de Duitstalige Gemeenschap omvat en door de sterke band met Brussel.

De Raad van de Franse Gemeenschap enerzijds en de Raad van het Waalse Gewest en de Franse taalgroep van de Raad van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest anderzijds kunnen in onderlinge overeenstemming en elk bij decreet beslissen dat de Raad van het Waalse Gewest en zijn Regering in het Franse taalgebied en de Franse taalgroep van de Raad van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest en zijn College (de Franse Gemeenschapscommissie oftewel COCOF) in het tweetalige gebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest geheel of gedeeltelijk bevoegdheden van de Franse Gemeenschap uitoefenen. Deze decreten worden aangenomen met een meerderheid van twee derden van de uitgebrachte stemmen in de Raad van de Franse Gemeenschap en met volstrekte meerderheid van de uitgebrachte stemmen in de Raad van het Waalse Gewest en in de Franse taalgroep van de Raad van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, op voorwaarde dat de meerderheid van de leden van de betrokken Raad of taalgroep aanwezig is. Zij kunnen de financiering van de bevoegdheden die zij aanduiden, regelen, alsook de overdracht van het personeel, de goederen, rechten en verplichtingen die erop betrekking hebben. Deze bevoegdheden worden, naar gelang van het geval, uitgeoefend bij wege van decreten, besluiten of verordeningen. (art. 138) Dit artikel maakt het mogelijk om de tegenovergestelde beweging van art. 137 mogelijk te maken: bevoegdheden van de Franse Gemeenschap verdelen over het Waalse Gewest en de COCOF.

Op voorstel van hun respectieve Regeringen kunnen de Raad van de Duitstalige Gemeenschap en de Raad van het Waalse Gewest in onderlinge overeenstemming en elk bij decreet beslissen dat de Raad en de Regering van de Duitstalige Gemeenschap in het Duitse taalgebied geheel of gedeeltelijk bevoegdheden van het Waalse Gewest uitoefenen. Deze bevoegdheden worden, naar gelang van het geval, uitgeoefend bij wege van decreten, besluiten of verordeningen (art. 139). Dit artikel moet het mogelijk maken om meer bevoegdheden door te schuiven van het Waals Gewest naar de Duitstalige Gemeenschap.

De Raad en de Regering van de Duitstalige Gemeenschap oefenen, bij wege van besluiten en verordeningen, elke andere bevoegdheid uit die de wet hun toekent. Artikel 159 (rechterlijke controle op besluiten) is van toepassing op deze besluiten en verordeningen (art. 140).

Het Grondwettelijk Hof, de voorkoming en de regeling van conflicten[bewerken]

Doordat het land geëvolueerd was naar een federale Staat waarin er verschillende wetgevers zijn, die op gelijk niveau staan, is er nood aan procedures en instanties die de conflicten die tussen die verschillende niveaus kunnen rijzen op te lossen. Hierbij wordt de nadruk gelegd op bevoegdheidsconflicten (men is het niet eens wie voor een bepaalde materie bevoegd is) en belangenconflicten (het ene niveau kan door zijn handelingen de belangen van het andere niveau schaden).

De voorkoming van de bevoegdheidsconflicten[bewerken]

De Grondwet bepaalt over de voorkoming van bevoegdheidsconflicten enkel dat dit geregeld moet worden in een bijzondere wet (art. 141).

Het Grondwettelijk Hof[bewerken]

Een belangrijke vernieuwing is het Grondwettelijk hof.

Er bestaat voor geheel België een Grondwettelijk Hof, waarvan de samenstelling, de bevoegdheid en de werking door de bijzondere wet worden bepaald. Dit Hof doet, bij wege van arrest, uitspraak over:

  1. de bevoegdheidsconflicten;
  2. de schending door een wet, een decreet of een ordonnantie van de artikelen 10, 11 en 24;
  3. de schending door een wet, een decreet of een ordonnantie van de artikelen van de Grondwet die de bijzondere wet bepaalt.

De zaak kan bij het Hof aanhangig worden gemaakt door iedere bij bijzondere wet aangewezen overheid, door ieder die doet blijken van een belang of, prejudicieel, door ieder rechtscollege. (art. 142).

De Grondwetgever laat hier dus een grote ruimte aan de wetgever om het Grondwettelijk Hof verder te regelen en zijn bevoegdheid uit te breiden, wat gebeurde in de Bijzondere Wet op het Grondwettelijk Hof.

De voorkoming en de regeling van de belangenconflicten[bewerken]

Met het oog op het vermijden van de belangenconflicten nemen de federale Staat, de gemeenschappen, de gewesten en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, in de uitoefening van hun respectieve bevoegdheden, de federale loyauteit in acht. De Senaat doet, bij wege van gemotiveerd advies, uitspraak over de belangenconflicten tussen de vergaderingen die wetgevend optreden bij wege van wet, decreet of ordonnantie, onder de voorwaarden en op de wijze die een bijzondere wet vaststelt. Een bijzondere wet stelt de procedure in om de belangenconflicten tussen de federale Regering, de Gemeenschaps- en Gewestregeringen en het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie te voorkomen en te regelen (art. 143).

De rechterlijke macht[bewerken]

De rechterlijke macht behoort nog steeds volledig tot de bevoegdheid van de federale overheid. Deze hoven en rechtbanken zijn echter ook bevoegd om schendingen van normen die uitgaan van de deelstaten te bestraffen.

Geschillen over burgerlijke rechten behoren bij uitsluiting tot de bevoegdheid van de rechtbanken (art. 144). Geschillen over politieke rechten behoren tot de bevoegdheid van de rechtbanken, behoudens de bij de wet gestelde uitzonderingen (art. 145). Voor politieke rechten is het dus mogelijk om andere organen op te richten dan die van de rechterlijke macht.

Geen rechtbank, geen met eigenlijke rechtspraak belast orgaan kan worden ingesteld dan krachtens een wet. Geen buitengewone rechtbanken of commissies kunnen, onder welke benaming ook, in het leven worden geroepen (art. 146).

Er bestaat voor geheel België een Hof van Cassatie. Dit Hof treedt niet in de beoordeling van de zaken zelf (art. 147)

De terechtzittingen van de rechtbanken zijn openbaar, tenzij de openbaarheid gevaar oplevert voor de openbare orde of de goede zeden. In dat geval kunnen de deuren enkel gesloten worden door de rechtbank op basis van een gemotiveerd vonnis. Inzake politieke misdrijven en drukpersmisdrijven kan het sluiten der deuren niet dan met algemene stemmen worden uitgesproken (art. 148). Dit artikel zorgt er voor dat de samenleving controle kan uitoefenen op de rechtspraak.

Elk vonnis is met redenen omkleed (=gemotiveerd). Het wordt in openbare terechtzitting uitgesproken (art. 149).

De jury wordt in het Hof van Assisen ingesteld voor alle criminele zaken, alsmede voor politieke misdrijven en drukpersmisdrijven, behoudens voor drukpersmisdrijven die door racisme of xenofobie ingegeven zijn (art. 150).

De rechters zijn onafhankelijk in de uitoefening van hun rechtsprekende bevoegdheden. Het openbaar ministerie is onafhankelijk in de individuele opsporing en vervolging onverminderd het recht van de bevoegde minister om de vervolging te bevelen (= positief injunctierecht) en om de bindende richtlijnen van het strafrechtelijk beleid, inclusief die van het opsporings- en vervolgingsbeleid, vast te leggen (art. 151 §1).

Er bestaat voor geheel België een Hoge Raad voor de Justitie (niet te verwarren met de Nederlandse Hoge Raad!). Deze bestaat uit een Nederlandstalig en uit een Franstalig college. Elk college telt evenveel leden en is paritair samengesteld:

  • enerzijds uit rechters en ambtenaren van het openbaar ministerie die rechtstreeks verkozen worden door hun gelijken
  • anderzijds uit andere leden benoemd door de Senaat met een twee derde meerderheid.

Binnen elk college is er een benoemings- en aanwijzingscommissie en een advies- en onderzoekscommissie, die elk paritair zijn samengesteld uit de twee bovenstaande categorieën (art. 151 §2).

De Hoge Raad voor de Justitie oefent zijn bevoegdheden uit in volgende materies :

  1. de voordracht van de kandidaten voor een benoeming tot rechter of tot ambtenaar van het openbaar ministerie;
  2. de voordracht van de kandidaten voor een aanwijzing als voorzitter van een rechtbank of hof en in de functies van korpschef bij het openbaar ministerie;
  3. de toegang tot het ambt van rechter of van ambtenaar van het openbaar ministerie;
  4. de vorming van de rechters en de ambtenaren van het openbaar ministerie;
  5. het opstellen van standaardprofielen voor de aanwijzingen bedoeld van magistraten;
  6. het geven van adviezen en voorstellen inzake de algemene werking en de organisatie van de rechterlijke orde;
  7. het algemeen toezicht op en de bevordering van het gebruik van de interne controlemiddelen;
  8. met uitsluiting van enige tuchtrechtelijke en strafrechtelijke bevoegdheid:
    1. het ontvangen en het opvolgen van klachten inzake de werking van de rechterlijke orde;
    2. het instellen van een onderzoek naar de werking van de rechterlijke orde.

Onder de voorwaarden en op de wijze bepaald bij de wet, worden de bevoegdheden vermeld onder 1° tot en met 4° toegewezen aan de bevoegde benoemings- en aanwijzingscommissie en de bevoegdheden vermeld onder 5° tot en met 8° toegewezen aan de bevoegde advies- en onderzoekscommissie. De wet bepaalt in welke gevallen de commissies hun bevoegdheden gezamenlijk uitoefenen. De Raad kan nog bijkomende bevoegdheden krijgen bij bijzondere wet (art. 151 §3).

De vrederechters, de rechters in de rechtbanken, de raadsheren in de hoven en in het Hof van Cassatie worden door de Koning benoemd. Deze benoeming geschiedt op gemotiveerde voordracht van de bevoegde benoemings- en aanwijzingscommissie, bij een tweederdemeerderheid en na afweging van de bekwaamheid en geschiktheid. Deze voordracht kan enkel door de Koning worden geweigerd op de wijze bij de wet bepaald en mits motivering. In geval van benoeming tot raadsheer in de hoven en in het Hof van Cassatie, geven de betrokken algemene vergaderingen van deze hoven, voorafgaandelijk aan de voordracht een gemotiveerd advies (art. 151 §4).

De eerste voorzitter van het Hof van Cassatie, de eerste voorzitters van de hoven en de voorzitters van de rechtbanken worden door de Koning in deze functies aangewezen. Deze aanwijzing geschiedt op gemotiveerde voordracht van de bevoegde benoemings- en aanwijzingscommissie, bij een tweederdemeerderheid en na afweging van de bekwaamheid en geschiktheid. Deze voordracht kan enkel worden geweigerd op de wijze bij de wet bepaald en mits motivering. In geval van aanwijzing tot de functie van eerste voorzitter van het Hof van Cassatie of van eerste voorzitter van de hoven geven de betrokken algemene vergaderingen van deze hoven, voorafgaandelijk aan de voordracht een gemotiveerd advies op de wijze bij de wet bepaald. De voorzitter en de afdelingsvoorzitters van het Hof van Cassatie, de kamervoorzitters van de hoven en de ondervoorzitters van de rechtbanken worden door de hoven en de rechtbanken in deze functies aangewezen uit hun leden onder de voorwaarden en op de wijze bij de wet bepaald. De wet bepaalt de wet de duur van de aanwijzingen in deze functies (art. 151 §5).

De magistraten worden onderworpen aan periodieke evaluaties (art. 151 §6).

De rechters worden voor het leven benoemd. Zij worden in ruste gesteld op de bij de wet bepaalde leeftijd en genieten het bij de wet bepaalde pensioen. Geen rechter kan uit zijn ambt worden ontzet of worden geschorst dan door een vonnis. De overplaatsing van een rechter kan niet geschieden dan door een nieuwe benoeming en met zijn toestemming (art. 152). Dit artikel is opgenomen om te vermijden dat de regering een rechter die voor haar ongunstige uitspraken doet zou straffen door hem uit zijn ambt te ontzetten, te degraderen, verplaatsen, ... Nu kan dit enkel mits hij daar zelf mee toestemt of indien een rechtscollege hiertoe beslist. Dit is een grote waarborg voor de onafhankelijkheid van de rechters.

De Koning benoemt en ontslaat de ambtenaren van het openbaar ministerie bij de hoven en rechtbanken (art. 153). Zij zijn de vervolgende overheid en voeren deels het vervolgingsbeleid van de regering uit. Zij zijn dus logischerwijs minder onafhankelijk van de regering dan de zetelende magistratuur.

De wedden van de leden der rechterlijke orde worden door de wet vastgesteld (art. 154). Ook deze bepaling heeft de bedoeling de onafhankelijkheid van de rechters te garanderen. Wanneer de regering hiervoor bevoegd zou zijn, zouden zij anders rechters financieel kunnen benadelen wanneer zij de regering in het ongelijk zouden durven stellen.

Geen rechter mag van een regering bezoldigde ambten aanvaarden, tenzij hij die onbezoldigd uitoefent en behoudens de gevallen van onverenigbaarheid bij de wet bepaald (art. 155). Dit artikel wil voorkomen dat de regering rechters zou "omkopen" door hen lucratieve functies aan te bieden, waardoor ze op een andere manier weer afhankelijk zouden worden van de regering.

Er zijn in België vijf Hoven van Beroep (art. 156):

  1. dat van Brussel, waarvan het rechtsgebied de provincies Vlaams-Brabant en Waals-Brabant en het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad omvat;
  2. dat van Gent, waarvan het rechtsgebied de provincies Oost-Vlaanderen en West-Vlaanderen omvat;
  3. dat van Antwerpen, waarvan het rechtsgebied de provincies Antwerpen en Limburg omvat;
  4. dat van Luik, waarvan het rechtsgebied de provincies Luik, Namen en Luxemburg omvat;
  5. dat van Bergen, waarvan het rechtsgebied de provincie Henegouwen omvat.

In oorlogstijd zijn er militaire gerechten. De organisatie van de militaire gerechten, hun bevoegdheid, de rechten en verplichtingen van de leden van deze gerechten, alsmede de duur van hun ambt worden bij wet geregeld. Er zijn Rechtbanken van Koophandel in de plaatsen die de wet aanwijst. Zij regelt hun organisatie, hun bevoegdheid, alsmede de wijze van benoeming en de duur van het ambt van hun leden. De wet regelt eveneens de organisatie van de Arbeidsgerechten, hun bevoegdheid, de wijze van benoeming en de duur van het ambt van hun leden. Er zijn Strafuitvoeringsrechtbanken in de plaatsen die de wet aanwijst. Zij regelt hun organisatie, hun bevoegdheid, alsmede de wijze van benoeming en de duur van het ambt van hun leden. (art. 157) Deze strafuitvoeringsrechtbanken zijn tot op vandaag nog niet wettelijk geregeld.

Het Hof van Cassatie doet uitspraak over conflicten van attributie, op de wijze bij de wet geregeld. (art. 158). Conflicten van attributie zijn conflicten tussen de rechterlijke macht (met bovenaan het Hof van Cassatie) en de administratieve rechtscolleges (met bovenaan de Raad van State) over wie bevoegd is in een bepaald geschil. Deze geschillen worden dus beslecht door het Hof van Cassatie.

De hoven en rechtbanken passen de algemene, provinciale en plaatselijke besluiten en verordeningen alleen toe in zoverre zij met de wetten overeenstemmen (art. 159). Deze bepaling geeft aan de rechter de mogelijkheid om besluiten van de regering die niet in overeenstemming zijn met de wet, de grondwet of een verdrag met rechtstreekse werking niet toe te passen (ze blijven nog wel bestaan). Op die manier wordt de burger beschermd tegen machtsmisbruik door de uitvoerende macht. Hiernaast heeft men ook nog de mogelijkheid om dit besluit te laten vernietigen door de Raad van State.

De Raad van State en de administratieve rechtscolleges[bewerken]

Er bestaat voor geheel België een Raad van State, waarvan de samenstelling, de bevoegdheid en de werking door de wet worden bepaald. De wet kan evenwel aan de Koning de macht toekennen de rechtspleging te regelen overeenkomstig de beginselen die zij vaststelt. De Raad van State doet bij wege van arrest uitspraak als administratief rechtscollege en geeft advies in de door de wet bepaalde gevallen. (art. 160) Dit artikel geeft weer dat de Raad van State uit twee afdelingen met elk hun eigen taak: de ene afdeling geeft adviezen aan de parlementen en regeringen over de wetsontwerpen in verband met de bevoegdheid, overeenstemming met de grondwet, ... en de andere afdeling is het hoogste administratieve rechtscollege.

Geen administratief rechtscollege kan worden ingesteld dan krachtens een wet (art. 161).

De provinciale en gemeentelijke instellingen[bewerken]

De provinciale en gemeentelijke instellingen worden bij de wet geregeld. Hierbij moeten minstens de volgende principes verzekerd worden (art. 162):

  1. de rechtstreekse verkiezing van de leden van de provincieraden en de gemeenteraden;
  2. de bevoegdheid van de provincieraden en van de gemeenteraden voor alles wat van provinciaal en van gemeentelijk belang is, behoudens goedkeuring van hun handelingen in bepaalde gevallen:
  3. de decentralisatie van bevoegdheden naar de provinciale en gemeentelijke instellingen;
  4. de openbaarheid van de vergaderingen der provincieraden en gemeenteraden binnen de bij de wet gestelde grenzen;
  5. de openbaarheid van de begrotingen en van de rekeningen;
  6. het optreden van de toezichthoudende overheid of van de federale wetgevende macht om te beletten dat de wet wordt geschonden of het algemeen belang geschaad.

De bevoegdheid om dit te regelen is in 2001 overgedragen aan de Gewesten.

De bevoegdheden die in het Vlaamse en het Waalse Gewest worden uitgeoefend door verkozen provinciale organen, worden in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad uitgeoefend door de Vlaamse en de Franse Gemeenschap (via de Vlaamse Gemeenschapscommissie en de Franse Gemeenschapscommissie of COCOF) en door de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie (art. 163).

Het opmaken van de akten van de burgerlijke stand en het houden van de registers behoren bij uitsluiting tot de bevoegdheid van de gemeenten. (art. 164)

Bij wet kunnen agglomeraties en federaties van gemeenten opgericht worden. Elke agglomeratie en elke federatie heeft een raad en een uitvoerend college. De voorzitter van het uitvoerend college wordt door de raad uit zijn leden verkozen; zijn verkiezing wordt door de Koning bekrachtigd; de wet bepaalt zijn statuut. De grenzen van de agglomeraties en van de federaties van gemeenten kunnen niet worden veranderd of gecorrigeerd dan krachtens een wet (art. 165).

Van de mogelijkheid om agglomeraties op te richten werd enkel gebruikgemaakt met betrekking tot Brussel. De bevoegdheden van de agglomeratie Brussel worden uitgeoefend door de organen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, op de manier die bepaald wordt in de bijzondere wet. Deze organen:

  1. hebben, elk voor hun gemeenschap, dezelfde bevoegdheden als de andere inrichtende machten inzake culturele aangelegenheden, onderwijs en persoonsgebonden aangelegenheden;
  2. oefenen, elk voor hun gemeenschap, de bevoegdheden uit die hun worden opgedragen door de Parlementen van de Vlaamse en de Franse Gemeenschap;
  3. regelen samen de in 1° bedoelde aangelegenheden van gemeenschappelijk belang. (art. 166)

Titel IV De buitenlandse betrekkingen[bewerken]

De Koning heeft de leiding van de buitenlandse betrekkingen, onverminderd de bevoegdheid van de gemeenschappen en de gewesten om de internationale samenwerking te regelen voor de aangelegenheden waarvoor zij bevoegd zijn (art. 167 §1 lid 1). Deze paragraaf werd toegevoegd om de eenheid van het Belgisch buitenlands beleid te bewaren. Door deze bepaling kan men vermijden dat de Gemeenschappen, Gewesten en de federale overheid een tegenstrijdig buitenlands beleid zouden voeren, waardoor België internationaal in ernstige problemen zou kunnen komen.

De Koning voert het bevel over de krijgsmacht, stelt de staat van oorlog vast alsook het einde van de vijandelijkheden. Hij brengt de Kamers hiervan op de hoogte, zodra het belang en de veiligheid van de Staat het toelaten (art. 167 §1 lid 2). Dit artikel werd door Leopold I (in de onafhankelijkheidsoorlog met Nederland), Leopold II (toen er dreiging was dat België in de Frans-Duitse oorlog van 1870 betrokken zou worden), Albert I (in de Eerste Wereldoorlog) en Leopold III (in de Tweede Wereldoorlog, wat ook aanleiding gaf tot de Koningskwestie, ingeroepen om letterlijk aan het hoofd te staan van het leger. Ze meenden hiervoor niet, zoals voor andere handelingen, de steun van een minister nodig te hebben op grond van deze bepaling en het feit dat ze gezworen hadden "het grondgebied ongeschonden te bewaren" (zie art. 91). Na de Koningskwestie werd duidelijk beslist dat dit artikel net zoals alle andere bepalingen van de Grondwet oplegt dat de regering instemt met alle handelingen van de Koning.

Geen afstand, geen ruil, geen toevoeging van grondgebied kan plaatshebben dan krachtens een wet (art. 167 §1 lid 3). Dit artikel werd opgenomen om te vermijden dat de Koning zonder het parlement daarin te kennen een verdrag zou gesloten hebben met Nederland na de onafhankelijkheid.

De Koning sluit de verdragen met betrekking tot de federale bevoegdheden, nadat het verdrag is goedgekeurd door de Kamers (art. 167 §2). De Gemeenschaps- en Gewestregeringen sluiten de verdragen die betrekking hebben op de Gemeenschaps- en Gewestbevoegdheden. Deze verdragen moeten instemming verkrijgen van het betrokken Parlement (art. 167 §3). De bevoegdheid van de Gemeenschappen en Gewesten op dit vlak wordt nader geregeld in een bijzondere wet (art. 167 §4).

De Koning kan de verdragen die voor 18 mei 1993 (de datum waarop de gemeenschappen en gewesten bevoegd werden om verdragen te sluiten) gesloten werden en betrekking hebben op de gemeenschaps- of gewestbevoegdheden, opzeggen in overeenstemming met de betrokken Gemeenschaps- en Gewestregeringen (art. 167 §5). Deze bepaling was nodig omdat bij die verdragen België partij is en niet de betrokken deelstaat.

Van bij het begin der onderhandelingen over elke herziening van de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en van de verdragen en akten waarbij deze verdragen zijn gewijzigd of aangevuld, worden de Kamers daarover geïnformeerd. Zij krijgen kennis van het ontwerpverdrag vóór de ondertekening ervan (art. 168). Dit artikel moet er voor zorgen dat het parlement nauwer betrokken wordt bij de evoluties in de ontwikkeling van de Europese Unie. Daardoor kunnen ze de regering meer sturen bij de onderhandelingen over het verdrag.

Wanneer een Gemeenschap of Gewest zijn verplichtingen uit het internationaal recht niet nakomt kan de federale overheid in de plaats treden van die deelstaat en dit probleem oplossen (art. 169). Dit om te vermijden dat België hiervoor aansprakelijk gesteld zou worden en schadevergoeding zou moeten betalen.

Titel V De financiën[bewerken]

Belastingen voor de federale Staat kunnen enkel ingevoerd worden door een wet. De belastingen voor Gemeenschappen en Gewesten kunnen enkel ingevoerd worden door een decreet of een ordonnantie. Geen last of belasting kan door de provincie of de gemeente worden ingevoerd dan door een beslissing van haar raad. Die gemeentelijke of provinciale belasting kan eventueel afgeschaft worden door een wet (art. 170). Dit artikel had de bedoeling om er voor te zorgen dat er enkel belastingen kunnen ingevoerd worden door de volksvertegenwoordigers en niet door de uitvoerende macht, eender op welk niveau.

De belastingen ten behoeve van de Staat, de gemeenschap en het gewest moeten jaarlijks door het parlement worden goedgekeurd. Ze zijn dus steeds slechts maar voor 1 jaar geldig (art. 171). Dit om te vermijden dat de belastingen zich zouden opstapelen zonder dat de wetgevende macht nog een overzicht zou hebben van de belastingdruk.

Inzake belastingen kunnen geen voorrechten worden ingevoerd. Geen vrijstelling of vermindering van belasting kan worden ingevoerd dan door een wet (art. 172). Dit artikel zorgt er voor dat niemand gediscrimineerd wordt op het fiscale vlak. Dit artikel is dus een concrete toepassing van art. 10.

Behalve voor de provincies, de polders en wateringen en de andere wettelijke uitzonderingen kan van de burgers geen retributie worden gevorderd dan alleen als belasting ten behoeve van de Staat, de gemeenschap, het gewest, de agglomeratie, de federatie van gemeenten of de gemeente (art. 173).

Elk jaar wordt door de Kamer van volksvertegenwoordigers de eindrekening vastgesteld en de begroting goedgekeurd (art. 174 lid 1). De eindrekening is het overzicht van inkomsten en uitgaven van het afgelopen jaar. Op die manier controleert het parlement of de regering het belastinggeld goed gespendeerd heeft. De begroting bevat een schatting van de inkomsten en uitgaven van het volgend jaar, waarvoor het parlement dan zijn toestemming moet geven.

De Kamer van volksvertegenwoordigers en de Senaat zijn echter wel zelf bevoegd om te beslissen over hun eigen middelen, los van de regering (art. 174 lid 2). Dit zorgt er voor dat de regering het parlement niet zonder financiële middelen kan zetten om er voor te zorgen dat het de regering goedgezind zou zijn.

Alle staatsontvangsten en -uitgaven moeten op de begroting en in de rekeningen worden gebracht (art. 174 lid 3). De regering kan dus niet in het geheim bepaalde middelen gebruiken, elke cent moet verantwoord worden.

Een bijzondere wet stelt het financieringsstelsel voor de Vlaamse en de Franse Gemeenschap vast. De Parlementen van de Vlaamse en de Franse Gemeenschap regelen, elk voor zich, de bestemming van hun ontvangsten bij decreet (art. 175).

Een wet stelt het financieringsstelsel voor de Duitstalige Gemeenschap vast. Het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap regelt de bestemming van de ontvangsten bij decreet (art. 176).

Een bijzondere wet stelt het financieringsstelsel vast voor de gewesten. De Gewestparlementen regelen, elk voor zich, de bestemming van hun ontvangsten bij de in artikel 134 bedoelde regelen (art. 177).

Onder de voorwaarden en op de wijze die de bijzondere wet bepaalt, draagt het Parlement van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest financiële middelen over aan de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en aan de Vlaamse en de Franse Gemeenschapscommissies (art. 178).

Geen pensioen, geen gratificatie ten laste van de staatskas kan worden toegekend dan krachtens een wet (art. 179). Op die manier vermijdt men dat de regering bepaalde personen gunsten zou toekennen ten koste van de belastingbetaler.

De leden van het Rekenhof worden door de Kamer van volksvertegenwoordigers benoemd, voor de tijd bij de wet bepaald. Dit Hof is belast met het nazien en het verevenen der rekeningen van het algemeen bestuur en van allen die tegenover de staatskas rekenplichtig zijn. Het waakt ervoor dat geen artikel van de begroting wordt overschreden en dat de middelen niet anders aangewend worden. Het Hof oefent tevens algemeen toezicht uit op de inkomsten van de Staat, met inbegrip van de fiscale ontvangsten. Het stelt de rekeningen der verschillende besturen van de Staat vast en is ermee belast daartoe alle nodige inlichtingen en bewijsstukken te verzamelen. De algemene staatsrekening wordt aan de Kamer van volksvertegenwoordigers onderworpen met de opmerkingen van het Rekenhof (art. 180). Die verzameling van opmerkingen die het Rekenhof naar het parlement stuurt, staat bekend als het blunderboek.

De wedden en pensioenen van de voorgangers in de erediensten en van de afgevaardigden van de door de wet erkende organisaties die morele diensten verlenen op basis van een niet-confessionele levensbeschouwing komen ten laste van de Staat (art. 181). Dit was een artikel dat bij de Belgische Revolutie een toegeving was aan de katholieken: voortaan zouden de priesters door de overheid betaald worden. Pas veel later is dit uitgebreid tot de vrijzinnige organisaties die zich bezighouden met zingeving.

Titel VI De gewapende macht[bewerken]

De wet bepaalt op welke wijze het leger wordt aangeworven. Zij regelt eveneens de bevordering, de rechten en de verplichtingen van de militairen (art. 182). Het legercontingent, dit is het aantal personen dat onder de wapens is, wordt jaarlijks goedgekeurd door een wet, die slechts voor een jaar van kracht is (art. 183). Hieruit blijkt dat het leger toch voor een belangrijk deel onder controle van het parlement blijft staan. Hiermee wou men een staatsgreep door het leger of de uitvoerende macht vermijden.

De organisatie en de bevoegdheid van de geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus (de lokale en federale politie), worden bij de wet geregeld, net als de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden (art. 184).

Vreemde troepen mogen niet dan krachtens een wet tot de dienst van de Staat worden toegelaten, het grondgebied bezetten of er doorheen trekken (art. 185). Hiermee wil men vermijden dat de uitvoerende macht een staatsgreep zou plegen met de hulp van een buitenlands leger.

Militairen kunnen niet van hun graden, ererechten en pensioenen worden ontzet dan op de wijze bij de wet bepaald (art. 186).

Titel VII Algemene bepalingen[bewerken]

De Grondwet kan noch geheel, noch ten dele worden geschorst (art. 187). Op die manier is de burger beveiligd tegen alle machten. De burger kan dus niet zomaar zijn grondwettelijke rechten verliezen en ook kan op die manier niet een van de staatsmachten alle macht naar zich toe trekken door eenzijdig de grondwet te schorsen waardoor zij alleen de macht zou kunnen uitoefenen.

Met ingang van de dag waarop de Grondwet uitvoerbaar wordt, zijn alle daarmee strijdige wetten, decreten, besluiten, reglementen en andere akten opgeheven (art. 188). Hiermee zorgde de grondwetgever ervoor dat het recht dat nog van toepassing was (en is) dat afkomstig was uit de tijd van de Oostenrijkse, Franse of Nederlandse bezetting en dat in strijd was met de grondwet, niet langer zou worden toegepast worden.

De tekst van de Grondwet is in het Nederlands, in het Frans en in het Duits gesteld (art. 189). Hiermee wordt aangegeven dat de tekst van de grondwet in de drie landstalen authentiek is, dat ze gelijkwaardig zijn en er geen verschillen in betekenis zijn.

Geen wet, geen besluit of verordening van algemeen, provinciaal of gemeentelijk bestuur is verbindend dan na te zijn bekendgemaakt in de vorm bij de wet bepaald (art. 190). Door dit artikel wordt vermeden dat de burger niet zou weten aan welke wetten en besluiten hij zich zou moeten houden. Die bekendmaking gebeurt wat de federale overheid en de deelstaten betreft in het Belgisch Staatsblad.

Iedere vreemdeling die zich op het grondgebied van België bevindt, geniet de bescherming verleend aan personen en aan goederen, behoudens de bij de wet gestelde uitzonderingen (art. 191). Op die manier stelt men dat vreemdelingen dezelfde rechten genieten als Belgen, behalve de uitzonderingen die de wet hierop maakt. Volgens het Arbitragehof moeten deze uitzonderingen objectief verantwoord zijn en niet onevenredig met de doelstelling van het betrokken recht.

Geen eed kan worden opgelegd dan krachtens de wet. Deze stelt de formule vast (art. 192). Dit artikel maakt het belang duidelijk dat vroeger aan de eed werd gehecht. Men ging er van uit dat zo'n zware morele verplichting als een eed enkel kon opgelegd worden door de wetgever. In de meeste gevallen luidt deze eed "Ik zweer getrouwheid aan de Koning, gehoorzaamheid aan de Grondwet en aan de wetten van het Belgische volk".

Huidig tweetalig wapen van België

De Belgische Natie kiest als kleuren rood, geel en zwart, en als rijkswapen de Belgische Leeuw met de kenspreuk EENDRACHT MAAKT MACHT (art. 193). In dit artikel is een fout geslopen: normaal geeft men de kleuren van een vlag weer vanaf de stok (en zou het dus zwart-geel-rood moeten zijn) en is er niet vermeld of het gaat om horizontale dan wel verticale strepen. Het nationale volkslied, de Brabançonne, is niet opgenomen.

De stad Brussel is de hoofdstad van België en de zetel van de federale Regering (art. 194).

Titel VIII De herziening van de Grondwet[bewerken]

De federale wetgevende macht heeft het recht te verklaren dat er redenen zijn tot herziening van bepaalde artikelen van de Grondwet (art. 195 lid 1). De drie takken van de wetgevende macht moeten hierover dezelfde verklaring afleggen. Enkel de artikelen die in de drie verklaringen voorkwamen zijn vatbaar voor herziening.

Na deze verklaring zijn beide Kamers van rechtswege ontbonden (art. 195 lid 2) en volgen er dus verkiezingen. Daardoor wordt aan de burger de mogelijkheid gegeven om zich in de verkiezingen uit te spreken over de voorgestelde wijzigingen. Dit artikel zorgt er ook voor dat men de niet zomaar de Grondwet kan laten aanpassen om het beleid te ondersteunen, zonder dat de burger hen hiervoor kan afstraffen.

Twee nieuwe Kamers worden overeenkomstig artikel 46 bijeengeroepen (art. 195 lid 3). Deze Kamers beslissen, in overeenstemming met de Koning, over de punten die aan herziening zijn onderworpen (art. 195 lid 4).

In dit geval mogen de Kamers niet beraadslagen wanneer niet ten minste twee derden van de leden aanwezig zijn; en een verandering is alleen dan aangenomen, indien zij ten minste twee derden van de stemmen heeft verkregen (art. 195 lid 5).

Er mag geen herziening van de Grondwet worden ingezet of voortgezet in oorlogstijd of wanneer de Kamers verhinderd zijn vrij bijeen te komen op het federale grondgebied (art. 196).

Tijdens een regentschap mag in de Grondwet geen verandering worden aangebracht wat betreft de grondwettelijke macht van de Koning en de artikelen 85 tot 88, 91 tot 95, 106 en 197 van de Grondwet (art. 197).

In overeenstemming met de Koning kunnen de grondwetgevende Kamers de nummering van de artikelen en de onderverdelingen van artikelen van de Grondwet, evenals de onderverdeling van de Grondwet in titels, hoofdstukken en afdelingen aanpassen, de terminologie van de niet aan herziening onderworpen bepalingen wijzigen om deze in overeenstemming te brengen met de terminologie van de nieuwe bepalingen en de Nederlandse, de Franse en de Duitse tekst van de Grondwet met elkaar in overeenstemming brengen. In dit geval mogen de Kamers niet beraadslagen wanneer niet ten minste twee derden van de leden aanwezig zijn; en de veranderingen zijn alleen dan aangenomen, indien het geheel van de wijzigingen ten minste twee derden van de stemmen heeft verkregen (art. 198). Deze techniek om de Grondwet wat op te frissen en de structuur te verhelderen heet coördinatie. Er is tot nu toe 1 keer gebruik van gemaakt, in 1994.

Titel IX Inwerkingtreding en overgangsbepalingen[bewerken]

De bepalingen van artikel 85 zullen voor het eerst toepassing vinden op de nakomelingschap van Z.K.H. Prins Albert, Felix, Humbert, Theodoor, Christiaan, Eugène, Marie, Prins van Luik, Prins van België, met dien verstande dat het huwelijk van H.K.H. Prinses Astrid, Josephine, Charlotte, Fabrizia, Elisabeth, Paola, Marie, Prinses van België, met Lorenz, Aartshertog van Oostenrijk-Este, geacht wordt de in artikel 85, tweede lid, bedoelde toestemming te hebben verkregen. Tot dan blijven de hiernavolgende bepalingen van toepassing. De grondwettelijke macht van de Koning gaat bij erfopvolging over op de natuurlijke en wettige nakomelingschap, in de rechte lijn, van Z.M. Leopold, Joris, Christiaan, Frederik van Saksen-Coburg, van man op man, volgens eerstgeboorterecht en met altijddurende uitsluiting van de vrouwen en van hun nakomelingschap. De prins die huwt zonder toestemming van de Koning of van hen die, bij gebreke van de Koning, zijn macht uitoefenen in de bij de Grondwet bepaalde gevallen, verliest zijn recht op de kroon. Hij kan echter in zijn recht worden hersteld door de Koning of door hen die, bij gebreke van de Koning, zijn macht uitoefenen in de bij de Grondwet bepaalde gevallen, doch alleen met instemming van beide Kamers (art. I). Dit artikel regelt de overgangsbepalingen van de afschaffing van de Salische wet. Het is pas vanaf de kinderen van Koning Albert II dat ook vrouwen in aanmerking komen voor de troon. Dit om te vermijden dat de nakomelingen van vroegere prinsessen alsnog aanspraak zouden maken op de troon.

Artikel 32 treedt in werking op 1 januari 1995 (art. II).

Artikel 125 is van toepassing op de feiten gepleegd na 8 mei 1993 (art. III).

De eerstkomende verkiezingen van de Parlementen, overeenkomstig de artikelen 115, § 2, 116, § 2, 118 en 119, met uitzondering van artikel 117, vinden plaats op dezelfde dag als de eerstkomende algemene verkiezingen van de Kamer van volksvertegenwoordigers. De daaropvolgende verkiezingen van de Parlementen, overeenkomstig de artikelen 115, § 2, 116, § 2, 118 en 119, vinden plaats op dezelfde dag als de tweede verkiezingen van het Europees Parlement, volgend op de inwerkingtreding van de artikelen 115, § 2, 118, 120, 121, § 2, 123 en 124. Tot de eerstkomende verkiezingen van de Kamer van volksvertegenwoordigers zijn de artikelen 116, § 2, 117 en 119, niet van toepassing (art. IV). Dit artikel regelt de momenten waarop verkiezingen vallen. Oorspronkelijk vielen de federale verkiezingen samen met die van de deelstaten. Dat is nu niet langer het geval, hoewel er voor gepleit wordt ze terug samen te voegen.

Tot de eerstkomende algehele vernieuwing van de Kamer van volksvertegenwoordigers blijven, in afwijking van de artikelen 43, § 2, 46, 63, 67, 68, 69, 3°, 70, 74, 100, 101, 111, 151, derde lid, 174, eerste lid, en 180, tweede lid, laatste zin, de hiernavolgende bepalingen van toepassing.

  1. De federale wetgevende macht wordt gezamenlijk uitgeoefend door de Koning, de Kamer van volksvertegenwoordigers en de Senaat.
  2. De Koning heeft het recht de Kamers tegelijk te ontbinden en het ontbindingsbesluit bevat oproeping van de kiezers binnen veertig dagen en bijeenroeping van de Kamers binnen twee maanden.
  3. De Kamer van volksvertegenwoordigers telt 212 leden en de federale deler wordt verkregen door het bevolkingscijfer van het Rijk te delen door 212.
  4. De Senaat is samengesteld:
    1. uit 106 leden, overeenkomstig artikel 61 gekozen naar de bevolking van elke provincie. De bepalingen van artikel 62 zijn van toepassing op de verkiezing van deze senatoren;
    2. uit leden, door de provincieraden gekozen naar verhouding van een senator voor 200 000 inwoners. Elk overschot van ten minste 125 000 inwoners geeft recht op een senator meer. Evenwel benoemt elke provincieraad ten minste drie senatoren. Deze leden mogen niet behoren tot de vergadering die hen kiest, noch daarvan deel hebben uitgemaakt gedurende de twee jaren die voorafgaan aan de dag van hun verkiezing;
    3. uit leden, door de Senaat gekozen, in aantal gelijk aan de helft van het getal der senatoren die door de provincieraden zijn gekozen. Is dit een oneven aantal, dan wordt het met een eenheid vermeerderd. Deze leden worden benoemd door de senatoren die met toepassing van 1° en 2° zijn gekozen. De verkiezing van de senatoren te kiezen met toepassing van 2° en 3° geschiedt volgens het stelsel van evenredige vertegenwoordiging dat door de wet wordt vastgesteld. Wanneer een senator die door de provincieraad van Brabant werd gekozen, na 31 december 1994 moet worden vervangen, kiest de Senaat een lid met inachtneming van de voorwaarden die in de wet worden vastgelegd. Voor deze wet zijn de Kamer van volksvertegenwoordigers en de Senaat gelijkelijk bevoegd.
  5. Om tot senator gekozen te kunnen worden moet men, onverminderd artikel 69, 1°, 2° en 4°, de volle leeftijd van veertig jaar hebben bereikt.
  6. De senatoren worden gekozen voor vier jaar.
  7. De ministers zijn in de ene of de andere Kamer alleen stemgerechtigd indien zij er lid van zijn. Zij hebben zitting in elke Kamer en het woord moet hun worden verleend wanneer zij het vragen. De Kamers kunnen de aanwezigheid van de ministers vorderen.
  8. De Koning kan aan een door het Hof van Cassatie veroordeeld minister of lid van een Gemeenschaps- of Gewestregering geen genade verlenen dan op verzoek van een van beide Kamers of het betrokken Parlement.
  9. De raadsheren in het Hof van Cassatie worden door de Koning benoemd uit twee lijsten van twee kandidaten, de ene door de Senaat, de andere door het Hof van Cassatie voorgelegd.
  10. Elk jaar wordt door de Kamers de eindrekening vastgesteld en de begroting goedgekeurd.
  11. Het Rekenhof legt de algemene staatsrekening, met zijn opmerkingen, voor aan de Kamer van volksvertegenwoordigers en de Senaat.

De artikelen 50, 75, tweede en derde lid, 77 tot 83, 96, tweede lid, en 99, eerste lid, treden in werking vanaf de eerstkomende algehele vernieuwing van de Kamer van volksvertegenwoordigers. (art. V)

In afwijking van artikel 5, eerste lid, zijn tot 31 december 1994 de provincies : Antwerpen, Brabant, Henegouwen, Limburg, Luik, Luxemburg, Namen, Oost-Vlaanderen en West-Vlaanderen. De eerstvolgende verkiezing voor de provincieraden vindt plaats, samen met de eerstvolgende gemeenteraadsverkiezingen, op de tweede zondag van oktober 1994. Voor zover de in § 3, eerste lid, bedoelde wet in werking is getreden worden de kiezers voor de verkiezing van de provincieraden van Vlaams-Brabant en Waals-Brabant diezelfde zondag opgeroepen. De personeelsleden en het patrimonium van de provincie Brabant worden verdeeld tussen de provincie Vlaams-Brabant, de provincie Waals-Brabant, het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, de in de artikelen 135 en 136 bedoelde overheden en instellingen, evenals de federale overheid, op de wijze bepaald door een bijzondere wet. Na de eerstvolgende vernieuwing van de provincieraden en tot op het tijdstip van hun verdeling worden het gemeenschappelijk gebleven personeel en patrimonium gezamenlijk beheerd door de provincie Vlaams-Brabant, de provincie Waals-Brabant en de in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad bevoegde overheden. In afwijking van artikel 151, tweede lid, worden tot 31 december 1994 de raadsheren in de hoven van beroep en de voorzitters en ondervoorzitters der rechtbanken van eerste aanleg binnen hun rechtsgebied door de Koning benoemd uit twee lijsten van twee kandidaten, de ene door die hoven, de andere door de provincieraden voorgelegd. In afwijking van artikel 156, 1°, omvat het rechtsgebied van het Hof van Beroep van Brussel tot 31 december 1994 de provincie Brabant (art. VI)

Het zou goed zijn deze overgangsbepalingen, behalve art. I, af te schaffen omdat ze vandaag geen enkel praktisch belang meer hebben.

Externe links[bewerken]

Nationaal recht
Rechtsbron: Verdragen · Belgische Grondwet · Bijzondere wet · Wet, Decreet, Ordonnantie · Rechtspraak · Rechtsleer · Gewoonterecht · Algemene rechtsbeginselen
Publiekrecht: Staatsrecht · Strafrecht · Gerechtelijk recht · Bestuursrecht · Fiscaal recht · Sociale zekerheidsrecht
Burgerlijk recht: Burgerlijk recht · Arbeidsrecht · Handels- en economisch recht · Insolventierecht · Vennootschapsrecht
Rechtbanken: Hof van Cassatie (1) · Grondwettelijk Hof(1) · Raad van State(1)
Hof van beroep (5) · Arbeidshof (5) · Strafuitvoeringsrechtbank (6) · Hof van assisen (11) · Arrondissementsrechtbank (27) · Rechtbank van eerste aanleg (27) (Burgerlijke rechtbank, Rechtbank van eerste aanleg, Jeugdrechtbank) · Rechtbank van koophandel (27) · Arbeidsrechtbank (27) · Politierechtbank (37) · Vredegerecht (225)
Territoriale indeling: Gerechtelijk gebied · Gerechtelijk arrondissement · Gerechtelijk kanton
Actoren van justitie: Rechter · Griffier · Openbaar Ministerie (ook parket) · Ministerie van Justitie · Advocaat · Burgerlijke partij · Benadeelde persoon

Europees Recht
Primair recht: VEU · VWEU · Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
Secundair recht: verordeningen · richtlijnen · besluiten · aanbevelingen · Adviezen
Rechtbanken: Gerecht · Hof van Justitie van de Europese Unie · Europees Hof voor de Rechten van de Mens · Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie

Internationaal recht
Rechtsbron: Verdragen · Rechtspraak · Rechtsleer · Gewoonterecht · Algemene rechtsbeginselen
Rechtstakken: Internationaal Publiekrecht · Internationaal privaatrecht
Rechtbanken: Benelux-Gerechtshof · Europees Hof voor de Rechten van de Mens · Internationaal Gerechtshof · Internationaal Strafhof
Wikisource NL Meer bronnen die bij dit onderwerp horen, kan men vinden op de pagina Belgische Grondwet op de Nederlandstalige Wikisource.
Download een gesproken versie van dit artikel Dit artikel is in drie delen te beluisteren (deel 1, deel 2, deel 3) (help of meer info). Na het opnemen kan het artikel gewijzigd zijn, waardoor de tekst van de opname wellicht verouderd is.