Europese richtlijn

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

Ga naar: navigatie, zoeken

Een richtlijn - van een instelling - van de EG is één van de in artikel 249 van het EG-verdrag genoemde rechtsinstrumenten. Volgens de weggestemde Europese Grondwet zou de naam van de Europese richtlijn worden gewijzigd in Europese kaderwet.

Inhoud

[bewerk] Kenmerken EG-richtlijn

[bewerk] Verbindendheid

Een richtlijn is verbindend ten aanzien van het resultaat. Met een richtlijn wordt beoogd de wetgeving van de lidstaten van de EU te harmoniseren.

[bewerk] Implementatie

Indien een richtlijn door een instelling van de EG wordt uitgevaardigd, dan zijn de lidstaten van de EG gehouden de richtlijn te implementeren in de nationale wetgeving. In de richtlijn wordt daarvoor een termijn gesteld (implementatietermijn). Ingeval een lidstaat niet binnen de termijn is overgegaan tot implementatie, dan heeft de Europese Commissie de mogelijkheid tegen de betreffende lidstaat een juridische procedure op te starten. Deze zogenoemde infractieprocedure wordt ingesteld bij het Europese Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen.

[bewerk] Rechtstreekse werking

Een richtlijn is in beginsel slechts gericht tot de lidstaten van de EU. Ingeval een lidstaat evenwel te laat of op onjuiste wijze een richtlijn heeft geïmplementeerd, dan kan een burger zich na het verstrijken van de omzettingstermijn rechtstreeks op een richtlijnbepaling beroepen voor de nationale rechter (rechtstreekse werking), althans tegenover de overheid (verticale rechtsreekse werking). Het is daarbij belangrijk om op te merken dat het Hof van Justitie in het arrest Foster het begrip overheid hierbij erg ruim interpreteert zodat 'tot de rechtssubjecten tegenover welke een beroep kan worden gedaan op bepalingen van een richtlijn die rechtstreekse werking kunnen hebben, in elk geval, ongeacht zijn juridische vorm, een lichaam behoort dat krachtens een overheidsmaatregel is belast met de uitvoering van een dienst van openbaar belang, onder toezicht van de overheid, en dat hiertoe over bijzondere, verder gaande bevoegdheden beschikt dan die welke voortvloeien uit de regels die in de betrekkingen tussen particulieren gelden'. Een bepaling kan rechtstreekse werking hebben wanneer de desbetreffende bepaling in de richtlijn volgens de jurisprudentie van het Europese Hof voor Justitie onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig is. Een burger zal zich natuurlijk slechts op een richtlijn beroepen indien hij aanneemt dat een richtlijnbepaling voor hem tot een gunstig resultaat zal leiden. Vanzelfsprekend kan een lidstaat zich niet op een nog niet (of onjuist) geïmplementeerde richtlijnbepaling beroepen jegens de burger: dit is het verbod van omgekeerde verticale werking. Dan had de lidstaat maar tijdig, respectievelijk op juiste wijze tot implementatie over moeten gaan.

De beperking tot verticale rechtstreekse werking sluit echter niet uit dat een richtlijn toch bepaalde 'negatieve gevolgen' kan hebben voor particulieren. Dat kan op verschillende wijzen. In de eerste plaats moet een rechter volgens de arresten Marleasing en Pfeiffer het hele nationale recht zoveel mogelijk uitleggen in het licht van de richtlijn, tenzij dat tot een verzwaring van de strafrechtelijke aansprakelijkheid zou leiden. In de tweede plaats kan een burger met beroep op de richtlijn soms een overheidshandeling aanvechten (bv. het verlenen van een milieuvergunning) die aan andere particulieren een voordeel verleent, zodat een eventuele strijdigheid van die handeling met de richtlijn tot de vernietiging van die handeling leidt en dus ook tot het verdwijnen van het voordeel voor de particulier. Ten derde is het volgens het arrest Unilever Italia bovendien ook mogelijk dat een strijdige nationale bepaling buiten toepassing wordt gelaten in een geding tussen twee particulieren. Lenaerts en Corthaut leggen in dat verband uit dat het concept rechtstreekse werking eng moet worden geïnterpreteerd en zich beperkt tot het beroepen op een richtlijn met het oog op het verkrijgen van een voordeel dat anders niet in de rechtsorde aanwezig is en enkel in de richtlijn te vinden is. Het louter buiten toepassing laten van een strijdige bepaling kan ook een voordeel bezorgen aan een particulier maar vloeit niet exclusief voort uit de richtlijn en is een gevolg van het voorrangsbeginsel en niet van de rechtstreekse werking. Ten vierde moet er aan herinnerd worden dat het Hof van Justitie een hele reeks private entiteiten toch als overheid aanmerkt met het oog op het inroepen van richtlijnen. Ten vijfde volgt uit het arrest Mangold dat een richtlijn die algemene beginselen van gemeenschapsrecht, zoals het beginsel van non-discriminatie op grond van leeftijd, expliciteren weliswaar geen horizontale rechtstreekse werking krijgt, maar als opstapje kan dienen voor de volle horizontale werking van het onderliggende rechtsbeginsel.

[bewerk] Externe link

 
Persoonlijke instellingen