Van Gend en Loos-arrest
| Van Gend en Loos | ||
| Datum | 5 februari 1963 | |
| Partijen | Van Gend en Loos / Nederlandse Administratie der Belastingen | |
| Zaak | 26/62 [1] | |
| Instantie | Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen | |
| Adv-gen | K. Roemer [2] | |
| Procedure | prejudiciële vraag uit Nederland | |
| Procestaal | Nederlands | |
| Regelgeving | Verdrag van Rome | |
| Onderwerp | autonome rechtsorde | |
| Vindplaats | BNB 1964, 134; LJN AX7532; EUR-Lex 61962J0026 | |
Het Van Gend en Loos-arrest is een uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 5 februari 1963 (zaak 26/62), vernoemd naar het vervoerbedrijf Van Gend & Loos.
In dit arrest overwoog het Hof dat bepalingen in het Verdrag van Rome rechtstreekse werking kunnen hebben, wanneer de tekst van een verdragsartikel duidelijk en onvoorwaardelijk is, en een lidstaat dus niet nader hoeft in te grijpen om de bepaling te verduidelijken. Als aan deze voorwaarden is voldaan en de bepaling een rechtstreekse werking heeft, kan deze door de burgers in een rechtszaak voor de nationale rechter worden ingeroepen en gebruikt.
Het Hof overwoog verder dat de lidstaten een geheel nieuwe, supranationale Europese rechtsorde hadden geschapen met het verdrag. Voor de Nederlandse situatie was deze uitspraak niet onverwacht, aangezien uit het Nederlandse ongeschreven staatsrecht al blijkt dat verdragsbepalingen doorwerken in de nationale rechtsorde, wat ook wel het monistisch stelsel genoemd wordt (in tegenstelling tot wat vaak gedacht wordt ligt de basis van dit stelsel niet in artikel 93 en 94 van de Nederlandse grondwet maar in het ongeschreven recht; genoemde grondwetsartikelen vormen een beperking op dit systeem, waardoor het Nederlandse stelsel ook wel gematigd monistisch genoemd wordt). Er zijn echter lidstaten waar dit niet het geval was (dualistisch stelsel). Dankzij dit arrest werken de Europese verdragsbepalingen ook in landen met een dualistische stelsel direct door in de nationale rechtsorde.
Een voorbeeld is het vrije verkeer van werknemers, dat vastgelegd is in artikel 39 van het EG-verdrag. Dit is een duidelijke en onvoorwaardelijke bepaling. Voor de nationale rechter kunnen particulieren zich daarom rechtstreeks beroepen op dat artikel. Als nationaal recht in strijd is met artikel 39 EG, dan moet een nationale rechter dat strijdige nationale recht buiten toepassing laten.
| Bronnen, noten en/of referenties |