Arrest Von Colson en Kamann
| Von Colson en Kamann | ||
| Datum | 10 april 1984 | |
| Partijen | Sabine von Colson en Elisabeth Kamann tegen deelstaat Noordrijn-Westfalen | |
| Zaak | 14/83 [1] | |
| Instantie | Europees Hof van Justitie | |
| Adv-gen | S. Rozès [2] | |
| Procedure | prejudiciële vraag uit Duitsland | |
| Procestaal | Duits | |
| Regelgeving | art. 189 [3] EEG-verdrag; richtlijn 76/207[4] | |
| Onderwerp | gelijke behandeling van mannen en vrouwen; toegang tot het arbeidsproces; niet tijdig geïmplementeerde richtlijn | |
| Vindplaats | Jur. 1984, p. 1891; EUR-Lex 61983CJ0014 | |
Het arrest Von Colson en Kamann is een prejudiciële beslissing van het Europees Hof van Justitie van 10 april 1984 (zaak 14/83), inzake
- het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen,
- twee vrouwen die tegenover de overheid een beroep doen op een niet tijdig geïmplementeerde richtlijn,
- geen directe werking van deze richtlijn wat betreft sancties op discriminatie,
- een opdracht aan de nationale rechter tot richtlijnconforme uitleg van nationale wetgeving.
Inhoud |
[bewerken] Richtlijn
| Richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976
betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden[4] |
[bewerken] Casus en procesverloop
| In 1982 waren er bij de strafinrichting te Werl[5]
twee posten van maatschappelijk werker vacant. De twee verzoeksters in het hoofdgeding solliciteerden naar die posten, maar uiteindelijk werden er twee mannelijke sollicitanten aangesteld. Verzoeksters hebben bij het Arbeitsgericht Hamm beroep ingesteld tegen de deelstaat Nordrhein-Westfalen, waaronder de strafinrichting te Werl ressorteert; zij vorderen
Verzoekster von Colson vordert subsidiair bovendien vergoeding van de bij gelegenheid van haar sollicitatie gemaakte reiskosten ten bedrage van DM 7,20. Het Arbeitsgericht heeft feitelijk vastgesteld, dat verzoeksters op grond van hun geslacht niet zijn aangesteld. Niettemin meent het, op grond van Duits recht hun vorderingen niet te kunnen toewijzen, behalve voor wat de subsidiaire vordering van verzoekster von Colson van DM 7,20 reiskosten betreft. |
Deze rechter heeft het Hof van Justitie verzocht om een prejudiciële beslissing.
[bewerken] Rechtsvragen
- 6e vraag – Heeft richtlijn 76/207 directe werking wat betreft sancties op discriminatie? (Neen.)
- 1e vraag – Kunnen verzoeksters recht doen gelden op een aanstelling? (Neen.)
- 5e vraag – Zo nee: Omvang schadevergoeding?
[bewerken] Uitspraak Hof
[bewerken] Conclusie
- De casus betreft twee vrouwen, die tegenover de overheid een beroep doen op directe werking van een niet tijdig geïmplementeerde richtlijn inzake gelijke behandeling van mannen en vrouwen.
- Wat betreft sancties op discriminatie ontbreekt directe werking, omdat de richtlijn geen uitsluitsel geeft wat de sanctie zou moeten inhouden.
- Wel een opdracht aan de nationale rechter tot richtlijnconforme uitleg van nationale wetgeving.
- Een zuiver symbolische schadevergoeding is onvoldoende.
[bewerken] Tot besluit (1)
Dit arrest is een vervolg op de arresten Van Duyn (1974) en Ratti (1978), waarin een beroep op directe werking van een richtlijn wél werd gehonoreerd.
[bewerken] Tot besluit (2)
De arresten Defrenne II (1976) en III (1978) zijn niet gebaseerd op de richtlijn, maar wel op het achterliggende beginsel van gelijke behandeling. De casus van Gabrielle Defrenne dateert van 1968. Ze deed een beroep op verdragsbepalingen, reden waarom alleen in het tweede arrest haar claim werd gehonoreerd.
Verschillende bekende arresten hebben betrekking op bovengenoemde richtlijn: Tanja Kreil (1999), Angela Sirdar (2000).
| Bronnen, noten en/of referenties |