Raad van de Europese Unie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

Ga naar: navigatie, zoeken
Europese Unie

Dit artikel maakt deel uit van de serie:
Politiek en overheid van
de Europese Unie


Pijlers van de EU
Pijler I: Europese Gemeenschappen
Pijler II: Gemeenschappelijk Buitenlands
en Veiligheidsbeleid

Pijler III: Politiële en Justitiële Samenwerking
in Strafzaken

Politieke instellingen
Raad van de EU en Europese Raad
Voorzitter: Slovenië
Europees Parlement
Voorzitter: Hans-Gert Pöttering
Verkiezingen: 1999, 2004 , 2007
Europese Commissie
Voorzitter: José Barroso
Commissie-Barroso

Hof van Justitie van de EU
Hof van Justitie
Gerecht van eerste aanleg

Financiële lichamen
Europese Centrale Bank
Europese Investeringsbank
Europees Investeringsfonds

Andere lichamen
Controlerende lichamen
Europese Rekenkamer
Europese Ombudsman
Adviserende lichamen
Economisch en Sociaal Comité
Comité van de Regio's
Agentschappen van de EU

Europees recht
Verdragen
Acquis communautaire
Wetgevingsprocedures

Gerelateerde onderwerpen
Europese politieke partijen
euro, Economische en Monetaire Unie
en Eurozone
Uitbreiding van de Europese Unie
Schengenakkoorden

Portaal PolitiekPortaal Europese Unie

De Raad van de Europese Unie (ook wel Raad van Ministers of kortweg Raad genoemd) vertegenwoordigt de lidstaten op het niveau van de Europese Unie en is de belangrijkste instelling waar het gaat om besluitvorming. De regeringsvertegenwoordigers die in de Raad zitting hebben zijn politieke verantwoording verschuldigd aan hun nationaal parlement.

De Raad van de Europese Unie moet niet verward worden met de Raad van Europa (bestaande uit 47 Europese landen) en ook niet met de Europese Raad (de raad van de 27 regeringsleiders en hun ministers).

Het werkterrein van de Raad heeft betrekking op de drie "pijlers" van de Europese Unie:

  1. Europese Gemeenschappen
  2. Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid (GBVB)
  3. Politiële en Justitiële Samenwerking in Strafzaken (PJSS).

Vanaf het moment dat het fusieverdrag van de executieven in 1967 van kracht werd, bestaat er één Raad voor de drie Europese Gemeenschappen (EGKS, Euratom en EG).

Sinds het Verdrag van Maastricht (1993) wordt de instelling "Raad van de Europese Unie" genoemd om uitdrukking te geven aan het feit dat zij optreedt op het communautaire terrein en in het intergouvernementeel kader van de tweede en derde pijler.

Inhoud

[bewerk] Zetel en samenstelling

De Raad zetelt in Brussel, in het Justus Lipsiusgebouw, waar de ministervergaderingen plaatsvinden, behalve in april, juni en oktober. In deze maanden worden de vergaderingen in Luxemburg gehouden.

De Raad bestaat uit één vertegenwoordiger per lidstaat op ministerieel niveau, die gemachtigd is zijn regering te binden aan te sluiten verdragen. Hoewel er formeel slechts één Raad bestaat, wisselt de samenstelling van de zittingen van de Raad naar gelang van de te behandelen onderwerpen. De volgende formaties komen het meest voor[1]:

  • Algemene Zaken en Buitenlandse Betrekkingen
  • Economische en Financiële Zaken
  • Werkgelegenheid, Sociaal Beleid, Gezondheid en Consumentenbescherming
  • Justitie en Binnenlandse Zaken
  • Concurrentievermogen (Interne Markt, Industrie en Onderzoek)
  • Vervoer, Telecommunicatiemiddelen en Energie
  • Landbouw en Visserij
  • Milieu
  • Onderwijs, Jeugd en Cultuur

Het voorzitterschap van de Raad ligt per toerbeurt van zes maanden in handen van een van de lidstaten. Dit voorzitterschap valt tevens samen met het voorzitterschap van de Europese Raad. De facto is de voorzitter dus voorzitter van de Europese Unie. Vanaf 1 juli 2007 is Portugal voor het komende half jaar voorzitter van de Raad.

[bewerk] Taken

De Raad van de Europese Unie voert drie hoofdtaken uit:

  1. hij heeft beslissingsbevoegdheid;
  2. hij zorgt voor de politieke en economische samenwerking tussen de lidstaten;
  3. hij deelt de begrotingstaak met het Europees Parlement.

[bewerk] Beslissingsbevoegdheid

De beslissingsbevoegdheid van de Raad is bedoeld om ervoor te zorgen dat de doelstellingen die in de verdragen zijn vastgelegd ten uitvoer worden gelegd conform de voorwaarden die daarin zijn voorzien. In het algemeen handelt de Raad alleen op verzoek van de Commissie en dan meestal in samenwerking met het Europees Parlement in het kader van de medebeslissings-, raadplegings- of goedkeuringsprocedure.

In het algemeen wordt de communautaire wetgeving (met betrekking tot, bijvoorbeeld, voltooiing van de interne markt, milieu of consumentenbescherming) gezamenlijk goedgekeurd door de Raad en het Parlement via de medebeslissingsprocedure. Sinds het Verdrag van Amsterdam in 1999 in werking is getreden, is het toepassingsgebied van deze procedure overigens uitgebreid tot nieuwe terreinen, zoals non-discriminatie, vrijheid van verkeer en verblijf en de bestrijding van sociale uitsluiting.

De Raad speelt een doorslaggevende rol bij het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) en de politiële en justitiële samenwerking in strafzaken (JBZ), voor zover ze betrekking hebben op de wezenlijke bestanddelen van de nationale soevereiniteit van de lidstaten. Op deze terreinen is de rol van het Parlement en de Commissie beperkter.

Met betrekking tot de tenuitvoerlegging kan in het algemeen worden gesteld dat de bevoegdheden voor het uitvoeren van de communautaire wetgeving bij de Commissie berusten. In specifieke gevallen kan de Raad zich echter het recht voorbehouden om uitvoerende taken op zich te nemen.

[bewerk] De coördinatie van het economisch beleid van de lidstaten

In het Verdrag is bepaald dat er een economisch beleid wordt ingevoerd op basis van een nauwe coördinatie van het economisch beleid van de lidstaten. Daartoe stelt de Raad jaarlijks een ontwerp op voor de globale richtsnoeren voor het economisch beleid van de lidstaten welke het voorwerp van een conclusie van de Raad is. Vervolgens wordt dit verslag vertaald naar een aanbeveling van de Raad en gerelateerd aan een multilateraal controlemechanisme.

Bovendien wordt de coördinatie die in het verdrag is voorzien volledig verwezenlijkt in het kader van de Economische en Monetaire Unie, waarin de "ECOFIN"-raad (Economische en financiële zaken) een vooraanstaande rol speelt.

[bewerk] Begrotingsautoriteit

Het Europees Parlement en de Raad van de EU zijn de belangrijkste partijen die bij de goedkeuring van de jaarlijkse communautaire begroting zijn betrokken. Elk jaar wordt een voorontwerp van de begroting opgesteld dat ter goedkeuring aan de Raad wordt voorgelegd. Vervolgens kan het Europees Parlement tijdens twee opeenvolgende lezingen met de Raad onderhandelen om bepaalde uitgaven te wijzigen en een goede toewijzing van de begrotingsmiddelen te garanderen.

Ten slotte neemt de Raad een besluit over de zogenaamde verplichte uitgaven, dus met name de landbouwuitgaven en uitgaven die voortvloeien uit internationale overeenkomsten met derde landen. De zogenaamde "niet-verplichte" uitgaven en de uiteindelijke goedkeuring van de begroting in haar geheel vallen daarentegen onder de verantwoordelijkheid van het Parlement.

[bewerk] Organisatie van de werkzaamheden

De lidstaten beschikken in Brussel over permanente vertegenwoordigingen bij de Europese Unie. De ambassadeurs van de lidstaten ("permanente vertegenwoordigers") vergaderen wekelijks binnen het Comité van Permanente Vertegenwoordigers (Coreper). Dit Comité is belast met de voorbereidingen van de werkzaamheden van de Raad, met uitzondering van landbouwaangelegenheden die onder het Speciaal Comité voor de Landbouw (SCL) vallen. Het voorbereiden van de besluitvorming van de Raad vindt plaats in de raadswerkgroepen die uit ambtenaren van de nationale overheden bestaan.

Met betrekking tot de verschillende samenstellingen van de Raad houden de formaties Algemene zaken, Economische en financiële zaken en Landbouw maandelijks een vergadering, terwijl de overige formaties twee tot vier keer per jaar bijeenkomen, afhankelijk van de prioriteit die de behandelde onderwerpen hebben. Bij stemprocedures wordt in het Verdrag meestal uitgegaan van gekwalificeerde meerderheid van stemmen.

De drempel voor gekwalificeerde meerderheid van stemmen is vastgesteld op 62 van de 87 stemmen (71%). De stemmen van de lidstaten worden gewogen op basis van het aantal inwoners en gecorrigeerd ten gunste van de dunstbevolkte landen, en wel op de volgende manier: Duitsland, Frankrijk, Italië en het Verenigd Koninkrijk: 10 stemmen; Spanje: 8 stemmen; België, Griekenland, Nederland en Portugal: 5 stemmen; Oostenrijk en Zweden: 4 stemmen; Denemarken, Ierland en Finland: 3 stemmen; Luxemburg: 2 stemmen.

De voorzitter van de Raad is bijzonder actief betrokken bij de organisatie van de werkzaamheden van deze instelling en leidt de vergaderingen. Ook speelt hij een belangrijke, stimulerende rol bij besluiten inzake wetgeving en beleid en bemiddelt hij tussen lidstaten zodat gemakkelijker een compromis tussen deze lidstaten kan worden gevonden.

Bij de uitvoering van zijn taak wordt het voorzitterschap bijgestaan door een secretariaat-generaal, dat ervoor zorgt dat de werkzaamheden van de Raad op alle niveaus worden voorbereid en goed verlopen. Sinds 18 oktober 1999 bekleedt Javier Solana de functie van secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger voor het Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid (GBVB), de tweede pijler van de EU. Naast zijn functie als hoofd van het secretariaat-generaal van de Raad staat de heer Solana als hoge vertegenwoordiger voor het GBVB de Raad bij door een bijdrage te leveren aan het opstellen, uitwerken en ten uitvoer leggen van de beleidsbeslissingen en eventueel in naam van de Raad de politieke dialoog met derde landen te voeren. De secretaris-generaal wordt bijgestaan door een plaatsvervangend secretaris-generaal die is belast met het beheer van het secretariaat-generaal.

Sinds 25 november 2007e hoge vertegenwoordiger voor het GBVB eveneens secretaris-generaal van de West-Europese Unie (WEU).

[bewerk] Bronnen, noten en/of referenties

Bronnen, noten en/of referenties:
  • De tekst op deze pagina of een eerdere versie daarvan is afkomstig van de website van de Europese Unie
 
Persoonlijke instellingen