Autonomie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De term autonomie is afgeleid van het Grieks αυτονομία (autonomía, autos (zelf) + nomos (wet), autonomos (eigen wetten opleggend)) en beschrijft het vrij zijn van extern bestuur. Het concept wordt teruggevonden in politiek, technisch, filosofisch, geneeskundig, moreel en psychologisch verband. Het verwijst daarbij vaak naar de capaciteit van een rationeel individu of bestuur om eigen verantwoorde beslissingen te nemen. Een goed Nederlands synoniem is zelfbestuur of bij individuen zelfstandigheid. Het tegenovergestelde van autonoom is heteronoom.

In politiek en staatsrecht[bewerken]

Politiek/staatsrechtelijk is autonomie de onafhankelijkheid van een staat/regio/gebied/volk van een grotere staat; dit staat er los van of er ook een afscheiding plaats vindt. Het heet ook wel zelfbestuur. Met het uiteenvallen van de Sovjet-Unie zijn bijvoorbeeld veel van de Russische deelstaten min of meer autonoom geworden. In sommige gevallen leidt het streven naar autonomie tot burgeroorlogen of terrorisme.

In (medische) ethiek, geneeskunde en psychologie[bewerken]

Autonomie is ook een belangrijk begrip in de ethiek, geneeskunde, medische ethiek en psychologie. In deze context slaat het op het recht of de mogelijkheid van een mens of patiënt om zelf te bepalen wat er met hem/haar moet gaan gebeuren. Het eigen wetten opleggend kan dan worden vertaald naar eigen keuzes makend. Het kan worden verward met totale onafhankelijkheid en zelfvoorzienendheid maar het gaat om zelfstandigheid en vrijheid, daarin kan een keuze gemaakt worden hoe er met afhankelijkheid wordt omgegaan. Een voorwaarde om autonoom te kunnen zijn is het erkennen dat persoonlijke mogelijkheden begrensd zijn en dat de omgeving grenzen biedt. Wie binnen die grenzen de kwaliteit bezit het eigen leven vorm te geven kan als autonoom worden betiteld.

Als universele basisbehoefte[bewerken]

In verband met de zelfbeschikkingstheorie is er veel onderzoek gedaan naar autonomie(gevoel) als een mogelijke universele basisbehoefte van de mens. De menselijke motivatie, mentale energie en effectiviteit zou afhankelijk zijn van de mate waarin een persoon het gevoel heeft autonoom te zijn. Deze basisbehoefte is een onderliggende oorzaak van een aantal kwaliteitsverschillen tussen intrinsieke en extrinsieke motivatie. Het motiveren van mensen met behulp van belonen en straffen zou hun autonomiebehoefte te kort doen en zo hun motivatie en effectiviteit doen afnemen.[1] Intrinsieke motivatie wordt op deze wijze als autonome motivatie gezien en verschillende types extrinsieke motivatie als gecontroleerde, niet-autonome motivatie. Internationaal onderzoek lijkt te ondersteunen dat autonomiegevoel een belangrijke factor is in het welbevinden van mensen.[2]

Autonomie in verschillende contexten[bewerken]

  • In het oosters christendom spreekt men over autonome Kerken: zie autocefaal.
  • Een stroming binnen antiglobalistische, anarchistische en krakerskringen die een (ondergrondse) tegen-cultuur en autarkie nastreven: de autonomen.
  • In de techniek staat autonomie voor het onafhankelijk zijn van externe energiebronnen en/of besturingssignalen. Een autonome robot is er één die volledig onafhankelijk beweegt en "beslissingen" neemt.
  • In de literatuur betekent autonomie dat de schrijvers hun werk als een losstaande entiteit zien. Het gedicht is geen product of verlenging van de maker, maar een opzichzelfstaand iets.
  • Autonomie op het werk is de ruimte die je zelf maakt binnen een voorgeschreven kader van regels en afspraken.

Zie ook[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. E. Deci - R. Ryan, Overview of Self-Determination Theory: An Organismic Dialectical Perspective, in Handbook of Self-Determination Research", p. 3-34, Rochester, 2002.
  2. Tay, L., Diener, E. (2011). "Needs and subjective well-being around the world," Journal of personality and social psychology 101(2): 354-365.