Immanuel Kant

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Immanuel Kant
Immanuel Kant, staalgravure door J.L. Raab, naar een schilderij uit 1791 door Gottlieb Doebler
Immanuel Kant, staalgravure door J.L. Raab, naar een schilderij uit 1791 door Gottlieb Doebler
Persoonsgegevens
Naam Immanuel Kant
Geboren Koningsbergen, 22 april 1724
Overleden Koningsbergen, 12 februari 1804
Land Flag of Prussia 1892-1918.svg Pruisen
Functie Filosoof
Oriënterende gegevens
Stroming Kantianisme
Verlichting
Levensbeschouwing Christendom
Handtekening Handtekening
Portaal  Portaalicoon   Filosofie
Standbeeld van Kant in Kaliningrad (kopie van het originele vernietigde kunstwerk)
Portret van Kant op middelbare leeftijd

Immanuel Kant (Koningsbergen, Pruisen, 22 april 1724 - aldaar, 12 februari 1804) was een Duitse filosoof ten tijde van de Verlichting, wiens ideeën een grote invloed hebben uitgeoefend op de westerse wijsbegeerte. Kant wordt wel gezien als de eerste Duitse idealist. Kritik der reinen Vernunft uit 1781, waarin hij de grondslagen van de menselijke kennis onderzocht en een eigen epistemologie creëerde, wordt als zijn belangrijkste werk beschouwd.

Biografie[bewerken]

Kant werd geboren in Koningsbergen, het huidige Kaliningrad, en was de vierde van negen kinderen van een arme zadelmaker. Dankzij de welwillendheid van een piëtistische dominee kon Kant op achtjarige leeftijd het Collegium Fridericianum, een Latijnse school, in zijn geboorteplaats bezoeken. Op zijn zestiende ging hij daar naar de universiteit, waar hij eerst theologie en vervolgens filosofie en wis- en natuurkunde studeerde. Na zijn afstuderen op 22-jarige leeftijd verdiende hij de kost als huisonderwijzer in zijn woonplaats. Op de universiteit van Koningsbergen kon hij pas negen jaar later, in 1755 (onbetaald, want het was een erefunctie!), een aanstelling als privaatdocent krijgen. Hij gaf in deze functie tot 1770 openbare colleges in onder meer logica, metafysica, ethiek, wiskunde en fysische geografie. Hij promoveerde in 1755 op een in het Latijn geschreven proefschrift, getiteld Principiorum primorum cognitionis metaphysicae (vaak aangehaald als Nova Dilucidatio; Duitse vertaling: Eine neue Beleuchtung der ersten Prinzipien aller metaphysischen Erkenntnis; Nederlandse vertaling: Een nieuw licht op de eerste principes van alle metafysische kennis).

In 1770 werd Kant hoogleraar in de metafysica en de logica aan de filosofische faculteit van de universiteit van Koningsbergen. Hij gaf colleges filosofie tot 1796. Hij overleed in 1804.

Immanuel Kant behoort tot de moderne filosofen. Zijn invloed op de terreinen van filosofie, ethiek, theologie, strafrecht, volkenrecht en esthetiek werkt door tot op de dag van vandaag en is nog actueel.

Werken[bewerken]

In het werk van Kant zijn twee duidelijke periodes te onderscheiden: zijn voorkritische periode en zijn kritische periode. Als grens tussen deze twee periodes wordt in de filosofische literatuur als regel het jaar 1781 aangehouden. In dit jaar verscheen zijn Kritik der reinen Vernunft. Het verschil tussen deze periodes is het volgende. De vraag of er een rationalistische metafysica mogelijk is, beaamt Kant in zijn voorkritische periode in navolging van Leibniz en Wolff. In zijn kritische periode neemt hij hier afstand van. Hij maakt daarbij een onderscheid tussen algemene metafysica en speciale metafysica. De eerste kan wel op de rede gegrond zijn, omdat zaken die binnen deze algemene metafysica vallen, empirisch te controleren zijn. De uit "zuivere rede", zoals Kant het noemt, ontstane ideeën over causaliteit kunnen bijvoorbeeld empirisch getoetst worden. Bij de speciale metafysica gaat het om vragen die het tot dan toe eigenlijke doel van de metafysica behelzen, namelijk vragen als: "Is er een god?" of "Kan de onsterfelijkheid van de ziel aangetoond worden?". In de kritische periode neemt Kant afstand van de speciale metafysica, omdat deze nooit empirisch te controleren is en dus nooit geverifieerd kan worden als a-priorikennis, vergaard door de zuivere rede. Hij maakt daarbij een vergelijking met Copernicus, die de bewegingen van de sterren niet duidelijk kon verklaren, totdat hij afstand deed van het oude idee en inzag dat niet de sterren om de toeschouwer, de aarde, draaiden, maar de toeschouwer om de sterren. Om van metafysica een echte wetenschap te maken, net als wiskunde en de toen opkomende natuurwetenschappen, moest er volgens Kant een drastische ommezwaai komen. Net als de sterren bij Copernicus moest nu de speciale metafysica met rust gelaten worden. Kant spreekt dan ook van een tweede wetenschappelijke revolutie. De overgang tussen beide periodes is echter vloeiend. Al vanaf 1769-1770 klonk in Kants boeken en brieven twijfel door over de mogelijkheid van een rationalistische metafysica.

De volledige werken van Kant zijn verschenen in de "Akademie Ausgabe" van de Preußischen Akademie der Wissenschaften, Berlin 1902 en de jaren daarna. Bij Meiner Verlag (Philosophischen Bibliothek) zijn veel werken van Kant afzonderlijk gepubliceerd, voorzien van een inleiding en commentaar/toelichting.

De voorkritische periode[bewerken]

In deze periode publiceerde Kant een groot aantal boeken en artikelen die alle in het teken stonden van de rationalistische denkwijze van de Verlichting. Metafysica kon een wetenschap zijn, mits zij dezelfde denkmethode hanteerde als de wiskunde. Ook ging hij er toen van uit dat er een rationalistisch godsbewijs mogelijk was, zoals hij betoogde in zijn Der einzig mögliche Beweisgrund zu einer Demonstration des Dasein Gottes.

Lijst van werken[bewerken]

  • 1749: Gedanken von der wahren Schätzung der lebendigen Kräfte.
  • 1755: Allgemeine Naturgeschichte und Theorie des Himmels.
  • 1755: Meditationum quarundam de igne succincta delineatio (Over het vuur).
  • 1755: Neue Erhellung der ersten Grundsätze metaphysischer Erkenntnisse (Habilitation: Principiorum primorum cognitionis metaphysicae nova dilucidatio). Proefschrift ter verkrijging van de doctorstitel.
  • 1756: Metaphysicae cum geometria iunctae usus in philosophia naturalis, cuius specimen I. continet monadologiam physicam (Kortheidshalve ook "Physische Monadologie" genoemd.)
  • 1756: Neue Anmerkungen zur Erläuterung der Theorie der Winde.
  • 1762: Die falsche Spitzfindigkeit der vier syllogistischen Figuren.
  • 1763: Versuch, den Begriff der negativen Größen in der Weltweisheit einzuführen.
  • 1763: Untersuchung über die Deutlichkeit der Grundsätze der natürlichen Theologie und Moral.
  • 1763: Der einzig mögliche Beweisgrund zu einer Demonstration des Daseins Gottes.
  • 1764: Beobachtungen über das Gefühl des Schönen und Erhabenen.
  • 1764: Versuch über die Krankheiten des Kopfes.
  • 1766: Träume eines Geistersehers, erläutert durch Träume der Metaphysik
  • 1770: Über die Form und die Prinzipien der sinnlichen und intelligiblen Welt (In het Latijn geschreven met als titel: De mundi sensibilis atque intelligibilis forma et principiis).
  • 1775: Über die verschiedenen Rassen der Menschen.

De kritische periode[bewerken]

Deze periode van denken van Kant kenmerkt zich door zijn zoektocht naar de grenzen van de menselijke kennis. De eerste tekenen van zijn kritisch denken zijn volgens de vakfilosofen te vinden in zijn brief aan zijn vriend Marcus Herz (21 februari 1772). Daarna volgde een periode van tien jaar waarin hij weinig tot niets publiceerde en waarin hij zijn gedachten (zie onderstaand fragment) overdacht en probeerde te systematiseren. Het gaat erom hoe onze voorstellingen op de een of andere manier overeen kunnen komen met "de werkelijkheid". Het voor dit onderwerp relevante fragment van de brief luidde als volgt:

Aanhalingsteken openen ... Ik vroeg me namelijk af op welke grond de betrekking tot het object berust van wat in ons voorstelling heet. Als de voorstelling alleen de wijze bevat waarop het subject door het object wordt geprikkeld, dan is gemakkelijk te begrijpen hoe die voorstelling als een gevolg met haar oorzaak kan overeenstemmen, en hoe deze bepaling van onze geest iets kan voorstellen, dat wil zeggen een object kan hebben. De passieve of zintuiglijke voorstellingen hebben dus een begrijpelijke betrekking tot objecten, en de grondbeginselen die aan de natuur van onze ziel worden ontleend, hebben een begrijpelijke geldigheid voor alle dingen voor zover die objecten van de zintuiglijkheid zijn. En net zo: als datgene wat in ons voorstelling heet, actief zou zijn ten opzichte van het object, dat wil zeggen als daardoor het object zou worden voortgebracht, zoals men zich de goddelijke kennisinhouden als de oerbeelden van de dingen voorstelt, dan zou eveneens de overeenstemming van de voorstelling met het object begrepen kunnen worden. De mogelijkheid van zowel de intellectus archetypus [het verstand dat oerbeelden bevat], op de aanschouwing waarvan de dingen zelf gebaseerd zijn, als van de intellectus ectypus [het verstand dat kopieën bevat], dat de data voor logische bewerking uit de zintuiglijke aanschouwing van de dingen put, is dus op zijn minst begrijpelijk. Maar ons verstand is door zijn voorstellingen noch de oorzaak van het object (behalve dan in de moraal van de goede doeleinden), noch is het object de oorzaak van de verstandsvoorstellingen (in sensu reali [in reële zin]). De zuivere verstandsbegrippen kunnen dus niet van zintuiglijke gewaarwordingen zijn geabstraheerd, noch ook de zintuiglijke ontvankelijkheid voor voorstellingen uitdrukken, maar moeten hun bronnen hebben in de natuur van de ziel; niet evenwel voor zover ze door het object worden veroorzaakt, of het object zelf voortbrengen.
— Immanuel Kant, brief aan Marcus Herz, 22 februari 1772.
Aanhalingsteken sluiten

Opvattingen over God[bewerken]

De opvatting over het godsbewijs is als een rode draad in Kants kritieken aanwezig. In zijn kritieken betoogt hij dat een godsbewijs volgens de zuivere rede onmogelijk is. Desondanks bleef hij theïst. Al kan de rede het bestaan van God niet bewijzen door de transcendentale theologie, de moraaltheologie kan in de leemte voorzien. Als die moraaltheologie het bewijs levert van het godsbestaan, blijkt het godsbegrip in de rede onmisbaar. De zuivere rede "bepaalt het begrip van de moraaltheologie"[1].

Lijst van werken[bewerken]

De drie kritische werken van Kant[bewerken]

De Kritik der reinen Vernunft (Kritiek van de zuivere rede) is het eerste grote werk van Kant. Hij schreef het op 57-jarige leeftijd in 1781. Een tweede, op onderdelen ingrijpend gewijzigde versie, publiceerde hij in 1787. Het is het eerste van zijn drie kritische werken, waarin hij de filosofie van de Verlichting aan een zelfkritiek onderwerpt. Hierbij richt hij zich zowel tegen het rationalisme van Descartes, Spinoza en Leibniz als tegen het empirisme van Locke en Hume.

  • In deze eerste Kritik onderzoekt hij - zijns inziens met succes - of de filosofie een zelfstandige wetenschap is, naast de wiskunde en de natuurwetenschappen. Centraal staat hierbij de vraag: 'Wat kan ik weten?' Kant doelt hier op de vraag of de Rede (Vernunft) een zelfstandige bron is voor het verkrijgen van theoretische kennis. Onder Rede verstaat hij het vermogen om de zintuiglijke werkelijkheid te overstijgen en daar niet meer afhankelijk van te zijn.
  • De Rede als het vermogen om te willen behandelt Kant in zijn tweede Kritiek: de Kritik der praktischen Vernunft (Kritiek van de praktische rede) uit 1788. Zijn Kritik der Urteilskraft (Kritiek van het oordeelsvermogen) uit 1790 behandelt de Rede als het reflecterende oordeelsvermogen. Het kernpunt van zijn filosofie is dat de empirische waarnemingen, zoals die aan ons verschijnen, beoordeeld en naar ruimte en tijd geordend worden door onze rede. De bron van de waarnemingen is het noumenale Ding-an-sich, dat op zichzelf onkenbaar is maar voor ons kenbaar wordt door de rationeel geordende fenomenen. Dit was de synthese tussen het empirisme en het rationalisme. Op het gebied van ethiek vestigde hij zich op twee regels; dat we de mens altijd óók als doel op zich en nooit alleen als middel tot een doel mogen gebruiken, en ten tweede dat wij alles wat wij doen als algemene regel moeten kunnen én willen laten gelden (bekend als het categorische imperatief). Het is dus bijvoorbeeld niet goed te stelen, omdat de algemene regel dat stelen zou mogen zou resulteren in een chaotische wereld die wij zelf niet zouden willen.
  • De derde kritiek is één van de eerste werken in het relatief nieuwe domein van de filosofische esthetica. Kant onderzoekt hierin de mogelijkheid van oordelen in het domein van de esthetiek en onderscheidt (subjectieve) smaakoordelen van aanspraken op schoonheid. (Alexander Gottlieb Baumgarten, die de term esthetiek reserveerde voor de reflectie over schoonheid, was zijn tijdgenoot; Kant gebruikt de term in zijn eerste kritiek in de klassieke betekenis, als een leer van de waarneming.)

Citaat[bewerken]

Aanhalingsteken openen "Er kan geen twijfel over bestaan dat al onze kennis begint met ervaring. Want hoe zou het kenvermogen tot activiteit kunnen worden gewekt, als dat niet gebeurde doordat objecten onze zintuigen beroeren en zo voor een deel vanzelf voorstellingen teweegbrengen, voor een deel de werkzaamheden van ons verstand aanzetten die voorstellingen te vergelijken, te verbinden of te scheiden, om zo het ruwe materiaal van zintuiglijke indrukken te verwerken tot de kennis van objecten die ervaring heet?"
— Immanuel Kant, "Kritiek van de Zuivere Rede", B1,10, 1787
Aanhalingsteken sluiten

Trivia[bewerken]

1. Kant stond in zijn woonplaats bekend als uiterst punctueel. Hij volgde een strikt dagschema en verliet zijn woonplaats zelden. Volgens een door Heine verzonnen en mild spottend bedoeld verhaal zouden de huisvrouwen van Koningsbergen hun klok gelijk zetten wanneer Kant op zijn vaste dagelijkse wandeling (na het middageten om 15.30 uur) hen passeerde.

Bron: Heinrich Heine, 'Warum Kant gefährlich ist'. In 'Geschichte der Religion und Philosophie in Deutschland' (1835):
Die Lebensgeschichte des Immanuel Kant ist schwer zu beschreiben. Denn er hatte weder Leben noch Geschichte. Er lebte ein mechanisch geordnetes, fast abstraktes Hagestolzenleben, in einem stillen, abgelegenen Gässchen zu Königsberg, einer alten Stadt an der nordöstlichen Grenze Deutschlands. Ich glaube nicht, dass die große Uhr der dortigen Kathedrale leidenschaftsloser und regelmäßiger ihr äußeres Tagewerk vollbrachte als ihr Landsmann Immanuel Kant. Aufstehn, Kaffeetrinken, Schreiben, Kollegienlesen, Essen, Spazierengehn, alles hatte seine bestimmte Zeit, und die Nachbarn wussten ganz genau, dass die Glocke halb vier sei, wenn Immanuel Kant in seinem grauen Leibrock, das spanische Röhrchen in der Hand, aus seiner Haustüre trat, und nach der kleinen Lindenallee wandelte, die man seinetwegen noch jetzt den Philosophengang nennt. Achtmal spazierte er dort auf und ab, in jeder Jahreszeit, und wenn das Wetter trübe war oder die grauen Wolken einen Regen verkündigten, sah man seinen Diener, den alten Lampe, ängstlich besorgt hinter ihm drein wandeln, mit einem langen Regenschirm unter dem Arm, wie ein Bild der Vorsehung. Sonderbarer Kontrast zwischen dem äußeren Leben des Mannes und seinen zerstörenden, weltzermalmenden Gedanken! Wahrlich, hätten die Bürger von Königsberg die ganze Bedeutung dieses Gedankens geahnt, sie würden vor jenem Manne eine weit grauenhaftere Scheu empfunden haben als vor einem Scharfrichter, vor einem Scharfrichter, der nur Menschen hinrichtet - aber die guten Leute sahen in ihm nichts anderes als einen Professor der Philosophie, und wenn er zur bestimmten Stunde vorbeiwandelte, grüßten sie freundlich, und richteten etwa nach ihm ihre Taschenuhr.

2. Naar verluidt - de bron is dus niet bekend - heeft Kant deze wandeling één keer overgeslagen omdat hij toen dusdanig geboeid zat te lezen in de 'Emile' van Rousseau dat hij de tijd vergat.

3. In de 'Ten Geleide' van de Kritiek van de zuivere rede (uitgeverij Boom 2004, isbn 9053527028) van Jabik Veenbaas en Willem Visser wordt geschreven:

Ludwig Ernst Borowski, leerling en vriend van Kant, weet in zijn biografie van de filosoof aan te geven waar het idee voor de Kritiek van de zuivere rede ontstond: op een pleintje in Koningsbergen dat van oudsher 'der philosophische Gang' werd genoemd. In het jaar 1770 moet Kant daar de eerste invallen voor zijn kritische theorie hebben gekregen, tijdens een wandeling die in die jaren gewoonlijk volgde op het middagmaal bij zijn boezemvriend Joseph Green.
Deze Green, een Engelse koopman, was zo punctueel en hield er zo'n strakke dagindeling op na, dat hij Theodor Gottlieb von Hippel, een andere vriend van Kant, stof bood voor de komedie Der Mann nach der Uhr (1760). Kant had eens met Green afgesproken 's ochtends om acht uur bij hem te zijn voor een gezamenlijk plezierritje. Green reed klokke acht weg en stopte niet toen hij meteen daarna Kant zag komen aanlopen. Kant was zijn afspraak niet nagekomen, dus maakte hij zijn rijtoer alleen.

4. Voor zover bekend heeft Kant nooit een relatie gehad en overleed hij als maagd. Tijdens een diner voor vrienden te zijnen huize wist Kant echter een zodanige plaats te schikken dat hij met zijn goede oog een bevallige dame kon observeren.

5. Dat Kants vader zadelmaker is geweest wordt in elk naslagwerk vermeld. Het kan echter zijn dat diens beroep uit overweging van eerbied voor de geniale zoon te hoog is opgegeven en dat de man slechts riemensnijder is geweest.

6. Kant is zover bekend ook nooit buiten zijn woonplaats geweest. Hij heeft enkele tripjes gemaakt naar het platteland enkele kilometers buiten Königsberg, maar daar bleef het ook bij. Hij heeft altijd in Königsberg gewoond en kende de stad zeer goed.

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]

Primaire literatuur (werken van Kant)[bewerken]

Enkele van de online beschikbare werken, in het Duits of in Engelse vertaling volgen hier. Let wel, van zijn belangrijkste werk, de Kritik der reinen Vernunft zijn twee edities verschenen, de eerste en tweede oplage (1781 respectievelijk 1787). De tweede is op onderdelen gewijzigd. Als men in de vakliteratuur naar dit werk verwijst dan doet men dat door naar A (de versie uit 1781) of B (1787) te verwijzen (gevolgd door het originele paginanummer). De Prolegomena (1783) is een samenvatting door de auteur zelf van de (eerste) Kritik. In 2004 verscheen bij de Nederlandse uitgeverij Boom een Nederlandse vertaling van Kants Kritik der reinen Vernunft. De wetenschappelijke commissie bestond uit de hoogleraren Duintjer, De Jong, Van Nierop en dr. L. ten Kate.

Secundaire literatuur (artikelen over Kant)[bewerken]

Bibliografie[bewerken]

  • Guyer, P. (1999): Routledge Encyclopedia of Philosophy, Londen;
  • Guyer, P. (ed) (1992): The Cambridge Companion to Kant, Cambridge;
  • Gardner, S. (1999): Kant and the Critique of Pure Reason, Londen.
  • De Boer, K. (2010): Kants Kritiek van de zuivere rede. Een leeswijzer, Amsterdam.
  • Vorländer, K. (2003): Immanuel Kant. Der Mann und das Werk. Reprint Wiesbaden: Fourier, ISBN 3-934212-18-2

Bronnen[bewerken]

  1. Immanuel Kant – De drie kritieken, 1975, door Raymund Schmidt. Uitgegeven door Sun, Amsterdam, 2003.
Wikiquote Wikiquote heeft een of meer citaten gerelateerd aan Immanuel Kant.
Wikisource Meer bronnen die bij dit onderwerp horen, kan men vinden op de pagina Immanuel Kant op de Duitstalige Wikisource