Karl Popper

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Karl Popper
Het graf van Popper en zijn vrouw in Wenen

Karl Raimund Popper (Wenen, 28 juli 1902Londen, 17 september 1994) was een Oostenrijks-Britse filosoof die algemeen wordt beschouwd als een van de grootste wetenschapsfilosofen van de 20e eeuw.

Daarnaast was hij een belangrijk sociaal en politiek filosoof, een onversaagd verdediger van de liberale democratie en de principes van sociale kritiek waar deze op is gebaseerd, en een onwrikbaar tegenstander van autoritarisme. Hij is het bekendst geworden door zijn weerlegging van het klassieke model van wetenschap als een proces van observatie en inductie, zijn pleidooi voor falsifieerbaarheid als criterium om wetenschap van non-wetenschap te scheiden en zijn verdediging van de 'open samenleving'.

Levensloop[bewerken]

Popper werd geboren in een joods gezin en studeerde aan de universiteit van Wenen. Hij promoveerde in 1928 bij Karl Bühler in de filosofie, en gaf les op een middelbare school van 1930 tot 1936. In 1937 emigreerde hij naar Nieuw-Zeeland uit zorg om het opkomende nazisme. Daar werd hij lector in de filosofie aan Canterbury University College in Christchurch. In 1946 verhuisde hij naar Engeland om lector te worden in de logica en de wetenschappelijke methode aan de London School of Economics, waar hij in 1949 een leerstoel kreeg. Hij werd verheven tot 'Sir' in 1965, en verkozen tot 'Fellow' van de Royal Society in 1976. Hij trok zich uit het academische leven terug in 1969, hoewel hij intellectueel en als prominent lid van CSICOP actief bleef tot aan zijn dood in 1994.

Wetenschappelijk werken[bewerken]

Kritisch rationalisme[bewerken]

Popper bedacht zelf de term 'kritisch rationalisme' om zijn filosofie te omschrijven. Deze benaming is van belang omdat het zijn verwerping van het klassiek empirisme en van het observatie-inductiemodel dat zich daaruit had ontwikkeld aangeeft. Popper was een verklaard tegenstander van dit laatste model en meende in plaats daarvan dat wetenschappelijke theorieën universeel van aard zijn en alleen indirect kunnen worden getest door hun implicaties te toetsen door middel van een cruciale test.

Het toetsen van een theorie volgens de methode van Popper doorloopt drie stappen:

  1. Een theorie wordt getoetst aan de hand van een singuliere uitspraak, de basiszin.
  2. De basiszin kan in tegenspraak zijn met een theorie. Daarmee is die basiszin een potentiële falsificator. (Theorie: 'Alle zwanen zijn wit'. Potentiële falsificator: 'Er is één zwarte zwaan'.)
  3. Wanneer de falsificator wordt aanvaard - 'Er is één zwarte zwaan' - wordt de universele uitspraak over witte zwanen weerlegd. Wanneer de falsificator niet wordt aanvaard krijgt de theorie een hogere 'corroboratiegraad'. Een verhoogde corroboratiegraad betekent volgens Popper niet dat de uitspraak meer waar is dan een uitspraak met een lagere corroboratiegraad, omdat ook een uitspraak met een hoge corroboratiegraad bij een volgende cruciale test weerlegd kan worden.

Hij meende ook dat wetenschappelijke theorieën, en in het algemeen alle menselijke kennis, onvermijdelijk uitsluitend hypothetisch zijn en worden gegenereerd door de creatieve verbeelding om problemen op te lossen die in een bepaalde historisch-culturele context zijn gerezen. Geen enkel aantal positieve waarnemingen om een theorie te testen, kan deze logisch gezien bewijzen; slechts een enkel tegenvoorbeeld waarvoor de theorie niet opgaat, is logisch beslissend: het toont aan dat de theorie waarvan de implicatie wordt getoetst niet juist is. Poppers weergave van deze logische asymmetrie tussen verificatie en falsificatie is een van de kernpunten van de wetenschapsfilosofie. Het bewoog hem ertoe om falsifieerbaarheid te kiezen als criterium voor het onderscheiden van wetenschap en non-wetenschap: een theorie kan uitsluitend wetenschappelijk zijn als hij ook falsificeerbaar is. Dit bewoog hem ertoe om zowel de aanspraak van het marxisme als die van de psychoanalyse op een wetenschappelijke status af te wijzen, omdat de theorieën waar deze beide stromingen op gebaseerd zijn niet falsifieerbaar zijn.

De armoede van het historicisme[bewerken]

In zijn werk The Poverty of Historicism (De armoede van het historicisme) ontwikkelde Popper een krachtige kritiek op het historicisme. Historicisme is de theorie dat de geschiedenis zich onwrikbaar en onvermijdelijk ontwikkelt naar een bepaalde eindsituatie en wel volgens vaste wetten, die kunnen worden ontdekt. Popper beschouwde deze opvatting als de belangrijkste theoretische onderbouwing onder de meeste vormen van autoritarisme en totalitarisme. Hij viel deze dus aan, erop wijzend dat deze zijn gebaseerd op onjuiste aannames over de aard van natuurwetten en voorspellingen. Omdat de toename van de menselijke kennis een oorzakelijke factor in de ontwikkeling van de menselijke geschiedenis is, en omdat geen enkele maatschappij wetenschappelijk de toekomstige toestand van zijn kennis kan voorspellen, is het daarom dus volgens Popper niet mogelijk om een voorspellende wetenschap van de menselijke geschiedenis op te stellen. Voor Popper zijn metafysisch en historisch indeterminisme onlosmakelijk met elkaar verbonden.

De open samenleving en haar vijanden[bewerken]

In The Open Society and Its Enemies (De open samenleving en haar vijanden) hield Popper een vurig betoog ter verdediging van de open samenleving, de liberale democratie.

Karl Popper schreef The Open Society and Its Enemies onder invloed van de gebeurtenissen in de beginjaren van de Tweede Wereldoorlog,[1] toen het er een tijd lang naar uitzag dat nazi-Duitsland de oorlog zou winnen. Popper schreef een deel van de Open Society in Nieuw-Zeeland, ver weg van het Wenen waar hij was opgegroeid. In de Open society zocht hij naar het waarom van de sympathie van veel intellectuelen voor allerhande totalitaire vormen van politiek, en naar de historische wortels van hun twijfel aan de haalbaarheid van een duurzame democratie. Deel I van zijn boek gaat voornamelijk over de filosofie van Plato, deel II over de filosofie van Hegel en Marx.

Objectieve kennis[bewerken]

Sinds de jaren zestig publiceerde Popper verdere ideeën over menselijke kennis in het algemeen, en van wetenschappelijke kennis in het bijzonder. In zijn boek Objective Knowledge (1972) presenteert Popper zijn uitgangspunt van de drie 'werelden': de wereld van fysische objecten; de mentale wereld van bewustzijnstoestanden; en de wereld van ideeën in objectieve zin. Elk van die werelden bevat allerlei objecten of zijnden. Deze werelden bestaan alle drie even echt, zijn altijd van elkaar te scheiden, en moeten dus ook niet door elkaar gehaald worden:

  • De eerste wereld is die van de materiële dingen, van alles waar de natuurwetenschappen zich mee bezighouden. Deze wereld wordt meestal als de "echte", objectieve buitenwereld gezien en is ook eigenlijk de normaalste. Ieder mens maakt, als lichaam, deel uit van en leeft in een deel van deze wereld; niet ieder mens leeft in dezelfde plaatsen en streken van deze wereld.[2]
  • De tweede wereld is die van de ervaringen, gewaarwordingen, belevingen, emoties en gedachten; de binnenwereld van alles wat subjectief is. Deze wereld bestaat eigenlijk net zo echt als de buitenwereld; mensen kunnen net zo min negeren dat ze ervaren en voelen en denken als dat ze handen hebben of in een huis wonen. Ook hier geldt dat ieder mens in een deel van deze wereld leeft en dat niet ieder mens in dezelfde streken van deze wereld leeft.[2]
  • De derde wereld is die van de concepten en van de inhouden van opvattingen, ideeën en abstracties: de wereld van de theoretische zijnden. Ook deze bestaat echt;[2]

Deze 'derde wereld' is door de mens geschapen, maar tegelijkertijd vrijwel onafhankelijk van de mens. Tot deze derde wereld behoort bijvoorbeeld de taal en de wiskunde, maar daarnaast ook wetenschappelijke theorieën. De relativiteitstheorie van Einstein is een voorbeeld van zo'n theorie: het is mogelijk min of meer objectief te omschrijven wat deze theorie inhoudt, en de inhoud van deze theorie staat los van de bewustzijnstoestanden van de persoon Einstein. Popper spreekt in dit verband van de 'objectieve geest', als tegengesteld aan de 'subjectieve geest': de 'subjectieve geest' is die van de bewustzijnstoestanden van het individu, de 'objectieve geest' omvat kennis die onafhankelijk van het individu bestaat.[3]

Kritiek op Poppers werk[bewerken]

Popper heeft ook een aanzienlijk aantal critici. Aan de ene kant zijn daar degenen die de claims van het historicisme of het holisme als intellectueel respectabele theorieën erkend willen zien, of die van het marxisme of de psychoanalyse als wetenschappelijke theorieën. Aan de andere kant zijn er ook die de principes of details van zijn wetenschapsfilosofie aanvallen, zoals Thomas Kuhn. Echter weinigen ontkennen zijn grote invloed en belang als 'een van de meest vooraanstaande critici van het autoritarianisme van de twintigste eeuw, en ook wellicht als de belangrijkste wetenschapsfilosoof in een eeuw met een nog niet eerder vertoonde vooruitgang van de wetenschap'.

Begin 21e eeuw ontdekte Michel Ter Hark dat Popper een gedeelte van zijn ideeën niet van zichzelf had, maar van zijn leermeester, de Duitse jood Otto Selz. Deze laatste heeft ze echter nooit gepubliceerd, deels doordat hij in 1933 van de nazi's zijn werk moest staken, en door een verbod op verwijzingen naar Selz' werk in die tijd. Ter Hark schreef hierover het boek Popper, Otto Selz and the rise of evolutionary epistemology, en een artikel verscheen in het NRC Handelsblad.

Literatuur[bewerken]

  • Cornforth, M. (1977): The open philosophy and the open society, 2. (herz.) dr., Lawrence & Wishart, London. De klassieke kritiek op Poppers filosofie vanuit het linkse spectrum.
  • Feyerabend, P. (1975): Against Method, New Left Books, London. Een polemisch, iconoclastisch boek van een voormalige collega van Popper, met kritiek op Poppers rationalistische kijk op wetenschap.
  • Kuhn, T. S. (1962): The Structure of Scientific Revolutions, University of Chicago Press, Chicago. Een kernpunt van de hedendaagse filosofie is het debat tussen de volgelingen van Kuhn en Popper over de aard van wetenschappelijk onderzoek. Dit is het boek waarin de gezichtspunten van de eerste op klassieke wijze uiteengezet worden.
  • Magee, B. Popper. London: Fontana, 1977. Een elegante introductie, zeer leesbaar maar onkritisch over de hoofdpersoon.
  • Miller, D. (red.), (1983): A Pocket Popper, Londen. Een selectie van zijn werk.
  • O'Hear, A. (1980): Karl Popper, Routledge, Londen. Een kritische uiteenzetting van Poppers denken, zoals beschouwd vanuit de hedendaagse analytische filosofie.
  • Popper, K.R. (1976): Unended Quest, Londen. Autobiografie met overzicht van zijn werk.
  • Schilpp, P. A. (red.), (1974): The Philosophy of Karl Popper, 2 vols, Open Court Press, La Salle, IL. Eén van de betere bijdragen tot de reeks 'Library of Living Philosophers'. Bevat Poppers intellectuele autobiografie, een uitgebreide reeks kritische essays en Poppers antwoorden daarop.
  • Stokes, G. (1998): Popper: Philosophy, Politics and Scientific Method, Polity Press, Cambridge. Een zeer uitgebreide, evenwichtige studie die vooral ingaat op de sociale en politieke kant van het denken van Popper.
  • Ter Hark, M. (2004): Popper, Otto Selz and the rise of evolutionary epistemology, Cambridge University Press, Cambridge.
  • Dirk Verhofstadt (red.), (2012): De open samenleving onder vuur, Lemniscaat.

Belangrijkste werken[bewerken]

  • Logik der Forschung. Wenen: Julius Springer Verlag, 1935.
  • The Open Society and Its Enemies. 2 dln. Londen: Routledge, 1945.
  • The Poverty of Historicism. 2e ed. Londen: Routledge, 1961.
  • Conjectures and Refutations: The Growth of Scientific Knowledge. Londen: Routledge, 1963.
  • Objective Knowledge: An Evolutionary Approach. Oxford: Clarendon Press, 1972..

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  • De oorspronkelijke versie van deze pagina was een vertaling van het Nupedia artikel door Stephen Thornton.

  1. Dit verklaart, naar hij zelf later aangaf, waarom de toon van zijn boek hier en daar erg fel is: The fact that most of the book was written during the grave years when the outcome of the war was uncertain may help to explain why some of its criticism strikes me to-day as more emotional and harsher in tone then I could wish. But it was not the time to mince words, - or at least, this was what I then felt. (Uit het voorwoord tot de tweede druk.)
  2. a b c Ponsen & Looijen (1998), Over de werkelijkheid van drie werelden, Wageningen.
  3. Herman Simissen, "De waarde van intellectuele bescheidenheid: Bij de honderdste geboortedag van K.R. Popper" in: Wijsgerig Perspectief, jg. 42 (2002), nr. 2.
Wikiquote Wikiquote heeft een of meer citaten gerelateerd aan Karl Popper.