Nicolaas Copernicus

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Nicolaas Copernicus
Portret van Copernicus uit de 16e eeuw.
Portret van Copernicus uit de 16e eeuw.
Persoonlijke gegevens
Geboortedatum 19 februari 1473
Geboorteplaats Thorn
Sterfdatum 24 mei 1543
Sterfplaats Frauenburg
Wetenschappelijk werk
Vakgebied Wiskunde, astronomie, canoniek recht, geneeskunde
Publicaties Commentariolus,
De revolutionibus orbium coelestium
Bekend van Heliocentrische theorie
Overig
Religie Rooms-katholiek
Handtekening Nicolaus Coppernicus sig.png
Portaal  Portaalicoon   Astronomie
Wetenschap & Technologie

Nicolaas Copernicus, Duits: Niklas Koppernigk, Kopernik; Pools: Mikołaj Kopernik; Latijn: Nicolaus Copernicus, (Thorn (Kulmerland), 19 februari 1473Frauenburg (Ermland, Koninklijk Pruisen), 24 mei 1543) was een wiskundige en astronoom die een heliocentrisch model van het universum formuleerde waarbij de zon, in plaats van de aarde, in het centrum werd geplaatst.

De uitgave van Copernicus' boek, De revolutionibus orbium coelestium (Over de omwentelingen van de hemellichamen), net voor zijn dood in 1543, wordt beschouwd als een grote gebeurtenis in de wetenschapsgeschiedenis. Hiermee begon de Copernicaanse revolutie en droeg het bijzonder veel bij aan de wetenschappelijke revolutie.

Copernicus werd geboren en stierf in Koninklijk Pruisen, een regio van het Koninkrijk Polen sinds 1466. Copernicus had een doctoraat in canoniek recht en was, alhoewel zonder diploma's, een arts, polyglot, geleerde van de klassieke oudheid, vertaler, gouverneur, diplomaat en econoom die in 1517 een kwantiteitstheorie bedacht, een belangrijk concept in de moderne economie, en vóór Gresham een versie van de wet van Gresham formuleerde in 1519.

Het in 1996 ontdekte chemisch element copernicium werd naar hem genoemd.

Leven en werk[bewerken]

Geboortehuis in Toruń
Een jeugdige Nicolaas Copernicus
Copernicus' standbeeld bij de ingang van het kasteel te Olsztyn
Copernicusmonument voor de Poolse Academie van Wetenschappen door Bertel Thorvaldsen, Krakowskie Przedmieście straat te Warschau. Oorspronkelijk gemaakt in 1822, in de Tweede Wereldoorlog door de Duitsers omgesmolten. In 1945 met oorspronkelijke mallen hersteld.
Idem

Hij werd geboren als Niklaus Koppernigk in de stad Thorn (thans Toruń) in het sinds 1440 resp. 1466 Pools-koninklijk deel van Pruisen (het latere West-Pruisen), destijds evenals na 1918 onder Pools gezag. Zoals in die tijd gebruikelijk onder publicerende geleerden (men schreef immers ook in het Latijn), gaf hij zichzelf een gelatiniseerde vorm van zijn naam: Nicolaus Copernicus.

Jeugd[bewerken]

Zijn vader, een rijke koperhandelaar (vgl. koper en Nederduits: Kopper, Koppernigk) afkomstig uit een Duitse koopmansfamilie uit Krakau, stierf in 1483 toen Copernicus tien jaar was. De grootvader van vaderskant was afkomstig uit Frankenstein in Silezië. Van de moeder van Copernicus, Barbara von Watzenrode, is weinig bekend. Blijkbaar stierf zij eerder dan haar echtgenoot. In ieder geval nam haar broer, Lucas von Watzenrode, een kanunnik en later prins-bisschop van het aartsbisdom van Ermland, de opvoeding van de jonge Nicolaas op zich. De positie van zijn oom hielp Copernicus in zijn kerkelijke carrière, zodat hij tijd overhield voor zijn hobby: sterrenkunde.

Opleiding[bewerken]

In 1491 schreef Copernicus zich in aan de universiteit van Krakau, waar hij theologie, klassieke talen en astrologie/ astronomie (destijds nauwer verweven dan vandaag de dag) studeerde. Eind 1496 ging hij na een kort verblijf in Thorn naar Italië. Daar studeerde hij kerkelijk en burgerlijk recht aan de Universiteit van Bologna. Hij leerde daar Domenico Maria Novara da Ferrara kennen, een hoogleraar wiskunde en astronomie, bij wie hij een kamer huurde. Hij assisteerde hem bij zijn onderzoek en deed zijn eerste waarnemingen. Naast zijn hoofdstudie rechten legde Copernicus zich toe op de wiskunde en astronomie. In 1497 werd Copernicus op voordracht van zijn oom aangesteld als kanunnik bij de Maria-Hemelvaartkathedraal van Frauenburg (voorheen Oost-Pruisen, sinds 1945 Frombork in Polen) een functie die zijn financiële situatie fel verbeterde en waarvoor hij geen tegenprestatie hoefde te leveren.

Na een jaar in Rome les te hebben gegeven in de wiskunde en de astronomie keerde Copernicus, zonder zijn studies voltooid te hebben, terug naar Frauenburg, en nam hij zijn plaats als koorheer (kanunnik) in. Maar omdat hij zijn studie nog niet voltooid had, kreeg hij toestemming van zijn oom om terug te keren naar Italië om zijn studie te voltooien nadat hij officieel was geïnstalleerd als kanunnik medio 1501.

Ditmaal ging Copernicus niet naar Bologna, maar ging hij studeren aan de Universiteit van Padua, omdat die een goede naam had op medisch gebied. Naast medicijnen legde Copernicus zich hier toe op de astrologie, wat gebruikelijk was in die tijd, gezien het feit dat de sterren door artsen nogal eens werden geraadpleegd om de ziekte te ontdekken enz, en in 1503 promoveerde Copernicus uiteindelijk toch in de rechten aan de Universiteit van Ferrara. Na een verblijf van enkele maanden keerde hij naar Padua terug, maar zijn studie geneeskunde voltooide hij niet.

Rond 1505 keerde hij terug naar Frauenburg.

Geestelijke[bewerken]

Toen Copernicus in 1505 terugkeerde in Frauenburg diende hij zijn geestelijke taken als kanunnik toch op zich te nemen. Maar wederom kreeg hij hiervan vrijstelling, om zijn oom als lijfarts te dienen. Dit betekende dat Copernicus de facto zijn persoonlijk secretaris werd. In 1509 verscheen zijn eerste publicatie, een Latijnse vertaling van een set Griekse gedichten van Theophylactus Simocatta. Na de dood van zijn oom in 1512 hervatte Copernicus zijn werkzaamheden als kanunnik, maar had nu wel veel tijd voor astronomische observaties, aangezien zijn vertrekken ook een astronomisch observatorium omvatten.

In 1514 bracht Copernicus een klein werkje uit waarin hij zijn visie op het heelal uiteenzette, met een zevental axioma's, waarop hij zijn conclusies zou baseren. Het handgeschreven boekje dat hij alleen onder zijn vrienden verspreidde (en dat zijn naam niet bevatte) handelt over onder meer het centrum van het heelal en de beweging van hemellichamen en de aarde. Gezien het feit dat Copernicus was uitgenodigd bij het Vijfde Lateraans Concilie als expert op het gebied van astronomie (ter verbetering van de kalender), was destijds al bekend dat Copernicus kennis had van de beweging der hemellichamen. Copernicus was zich bewust van het conservatieve verzet in de kerk tegen nieuwe opvattingen over het heelal en koos ervoor om niet te gaan, maar per brief te antwoorden.

Door een oorlog tussen de Poolse koning en de toen nog klerikale Duitse Ridderorde die Oost-Pruisen bestuurde (waarin Ermland als een bijna-enclave was gelegen), was Copernicus gedurende enige tijd, tot ongeveer 1520, niet in staat om zijn observaties voort te zetten. Hij kreeg de taak om de defensie van Frauenburg te organiseren op administratief gebied, en nam tussentijds deel aan (mislukte) vredesonderhandelingen. Toen in 1521 de vrede terugkeerde, werd Copernicus aangesteld om de herstelwerkzaamheden te leiden samen met zijn vriend Tiedemann Giese, ook een kanunnik in Frauenburg. Anders dan Giese bleef Copernicus een kanunnik en ontving nooit de priesterwijdingen, hoewel dit de wens was van zijn meerderen.

Astronoom[bewerken]

Nicolaas Copernicus wordt beschouwd als de grondlegger van de heliocentrische theorie, die stelt dat de zon in het midden van het zonnestelsel staat en dat de planeten er omheen draaien, dit in tegenstelling tot het destijds gebruikelijke geocentrische wereldbeeld, waarbij de aarde werd geacht het centrum van het heelal te vormen. Het geocentrisme was geformuleerd door Claudius Ptolemaeus in zijn Almagest, een krachtige en relatief eenvoudige berekeningsmethode, die anderhalf millennium ongeslagen bleef.

Copernicus was niet de eerste die een heliocentrisch model presenteerde; in de Oudheid was Aristarchos van Samos tot dezelfde speculatie gekomen. In de 14e eeuw had de geleerde theoloog Oresmus keurig en duidelijk de afweging gemaakt tussen een bewegende aarde en een bewegend heelal en indrukwekkende bewijsvoeringen voor beide systemen gepresenteerd. Na afweging had hij gekozen voor een stilstaande aarde.

Copernicus bleef de mening van Ptolemaeus toegedaan dat de planeten "ideale", dat wil zeggen eenparige cirkelbewegingen maken. Het copernicaanse model was conceptueel eenvoudiger dan dat van Ptolemaeus - de Equant (of vereffeningspunt), ingevoerd als rekenhulpmiddel door Ptolemaeus, was niet nodig - maar Copernicus' model bevatte 48 kleine epicykels - dit zijn correctieve hulpcirkels om de banen van de planeten in overeenstemming te brengen met de waarneming, waar Ptolemaeus er slechts 40 nodig had. Zolang men niet afzag van de cirkel ten voordele van de ellips bleven zowel het model van Copernicus als dat van Ptolemaeus gecompliceerd. De theorie werd pas rechtgezet door Johannes Kepler in zijn Astronomia Nova uit 1609.

De copernicaanse theorie rijmde niet met de gangbare fysica van Aristoteles, die observeerde dat alle dingen naar het centrum van de aarde vielen. Als de aarde rond de zon zou bewegen, werd de Aristotelische theorie erg gecompliceerd - de kunstgreep van Copernicus was te stellen dat aardse dingen naar de aarde toe vielen, dingen eigen aan de zon zouden naar de zon toe vallen, en dingen van Mars naar Mars toe - hij greep daarbij mogelijk terug naar Oresmus, die reeds had opgemerkt dat een dergelijke afwijking van Aristoteles nodig was om een bewegende aarde te rechtvaardigen. Pas in 1687 werd deze kunstgreep met de Gravitatiewet van Newton door een betere onderbouwing vervangen.

Copernicus ging er van uit dat alle sterren zich op enorme afstand van de aarde bevinden, ver buiten de baan van de planeten. Dat de parallax door de jaarlijkse gang van de aarde om de zon daardoor onmeetbaar klein zou zijn, was volgens de astronomen van toen een ongefundeerde kunstgreep. De eerste succesvolle meting van parallax kwam er pas in 1838 door Friedrich Bessel.

De theorie impliceerde ook dat de planeten Venus en Mercurius schijngestalten of fasen moesten vertonen, hetgeen nog niet geobserveerd was (dat was pas mogelijk met een telescoop, waarvan de uitvinding nog 60 jaar op zich liet wachten). Galileo Galilei verbeterde de eerste telescopen en constateerde de fasen van Venus in 1610.

In druk werd zijn systeem pas gepubliceerd in de Narratio prima (1540) van Rheticus. Copernicus schreef in 1530 een groter manuscript, De revolutionibus orbium coelestium (Over de omlopen van de hemellichamen). Omdat deze theorie in tegenspraak was met de toenmalige wetenschappelijke opvattingen die het wereldbeeld verklaarden met de fysica van Aristoteles en Ptolemaeus en omdat hij bang was voor de terechte kritiek - het copernicaanse model vertoonde verschillende zwakheden (méér epicykels, het parallax-probleem, strijdigheid met de fysica, fasen van Venus) en nauwelijks voordelen - aarzelde Copernicus lang over publicatie van een theorie die meer problemen opwierp dan ze oploste. Pas na tussenkomst van de jonge astronoom Rheticus (Georg Joachim von Lauchen) uit Wittenberg stemde Copernicus in met de publicatie. Hij gaf een vriend zijn manuscript mee voor Rheticus, die het uiteindelijk in 1543 in Neurenberg liet drukken door de boekdrukker Johannes Petreius. Volgens de legende kreeg Copernicus het eerste exemplaar op zijn sterfbed overhandigd. De uitgever Osiander had er een voorwoord aan toegevoegd, met de strekking dat het heliocentrische wereldbeeld vooral moest worden gezien als een wiskundig model en niet als de realiteit.

Het boek werd met groot interesse door de toenmalige beroemde astronomen gelezen en geannoteerd (Owen Gingerich[1] vond exemplaren in alle betekenisvolle astronomische verzamelingen), maar wegens gebrek aan technische voordelen en door contradicties met waarnemingen en fysica terzijde gelegd. Copernicus werd een tijdlang vergeten.

De onrust die het later heeft veroorzaakt binnen de Kerk kwam doordat Galileo Galilei één van de copernicaanse problemen opgelost had, hieraan overdadige ruchtbaarheid gaf, de controverse buiten de perken van de beleefdheid bracht[2] en de positie van de Kerk beledigde. Na de ophef die Galileo Galilei maakte, werd het werk dan in 1616 op de Index geplaatst, in afwachting van correcties. In 1620 werd het in licht gewijzigde vorm vrijgegeven.

Overlijden[bewerken]

Copernicus overleed in 1543 op 70-jarige leeftijd in Frauenburg/Frombork in het Pools-Litouwse Gemenebest in het prinsbisdom Ermland (thans Warmia, woiwodschap Ermland-Mazurië, Polen) en werd in de kathedraal aldaar begraven.

Tegenwoordig is in de kathedraal en de bijgebouwen een museum over Copernicus gevestigd. Voor de ingang van het kasteel van Allenstein (sinds 1945 Olsztyn) staat een bronzen standbeeld van Copernicus. In 2008 heeft men een schedel en beenderresten teruggevonden en met behulp van DNA-onderzoek op haren en een reconstructie, gemaakt door forensische experts, heeft men kunnen bewijzen dat het ging om het stoffelijk overschot van Copernicus.[3] Op 22 mei 2010 zijn zijn resten herbegraven in Copernicus' voormalige woonplaats.[4]

Nationaliteit[bewerken]

De nationaliteit van Copernicus geeft vanaf het opbloeiende nationalisme van de 19e eeuw tot op heden, steeds weer aanleiding tot polemieken. Zowel Polen als Duitsers maakten aanspraak op hem. Daarbij werden 19de-eeuwse nationale etiketten op hem geplakt die hij zelf niet herkend zou hebben. In ieder geval is duidelijk dat:

  • Copernicus in Pruisen (Kulmerland) geboren is, het gebied dat in de vroege 13de eeuw het kernland van de Duitse Orde was, maar dat in de 15de eeuw onder de Poolse kroon kwam.
  • De familie van zijn vader Niklas Koppernigk afkomstig was uit Frankenstein in het Duitstalige Neder-Silezië,[5] dat sinds 1348 als deel van het koninkrijk Bohemen behoorde tot het Heilige Roomse Rijk der Duitse Natie.
  • De familie van zijn moeder Barbara von Watzenrode - wier broer de vorst-bisschop van het prinsbisdom Ermland was - eveneens afkomstig was uit het toenmalige Duitse Rijk.

Het land van de toen nog heidense Pruisen (Pruzzen), werd in de 13e en 14e eeuw met goedkeuring van Rome gekerstend en bestuurlijk op een voor die tijd bijzonder moderne wijze georganiseerd door een geestelijke ridderorde uit het Duitse Rijk: de Duitse Orde. De Pruisen gingen na heftige strijd uiteindelijk op in de bevolking van boeren en burgers die onder de Orde vooral uit de westelijke Hanzesteden en uit Westfalen, maar ook uit Friesland en Holland, werden aangetrokken als kolonisatoren. Nadat 'Duitsers' en 'Pruisen' in elkaar waren opgegaan werd de naam van de laatsten de gemeenschappelijke naam voor de bevolking van dit gebied en deze naam ging na de Middeleeuwen over op alle onderdanen van het koninkrijk Pruisen. Na 1945 is de naam Pruisen, in Polen zowel als in Duitsland, afgeschaft.

Copernicus' vaderstad Toruń (Thorn) werd in 1440 lid van de Pruisische Bond en maakte zich daarmee – na een periode van ca. 200 jaar - los van de staat van de Duitse Orde (Duits: Ordensstaat) - om zich onder bescherming te stellen van de Poolse koning, overigens onder voorwaarde van verregaande stedelijke autonomie. Even later moest de Ordensstaat Pruisen bij de tweede vrede van Thorn in 1466 haar westelijke helft - West-Pruisen - afstaan aan het Koninkrijk Polen en werd het als voorlopig autonome provincie Koninklijk Pruisen genoemd). De Duitstalige stad Toruń (Thorn) was nu, samen met Danzig (Gdańsk) en Elbing (Elbląg), een van de drie Duitse Hanzesteden die de status van Poolse Rijksstad kregen, met een eigen vertegenwoordiging in de Sejm (het Poolse parlement). Op grond van hun autonomie voerden zij, zoals vele Duitse steden, al vroeg de Lutherse Reformatie door. Het Ermland bleef echter als katholiek bisdom een enclave die onder direct koninklijk gezag viel en rooms-katholiek bleef. Deze religieuze tegenstellingen ontwikkelden zich overigens pas aan het einde van Copernicus' leven. Hijzelf volgde als geleerde de voorgeschreven traditionele kerkelijke carrière in de Rooms-katholieke Kerk, in het Bisdom Ermland (Pools: Warmia).

Toruń (Thorn) viel tijdens de geboorte van Copernicus dus onder de Poolse kroon, wat de bewoners echter nog geenszins in moderne zin tot “Pool” maakte. De nationale staat en het nationaliteitsbegrip hadden ten tijde van Copernicus een andere betekenis dan zij in de moderne tijd en met name na 1789 kregen. Men was onderdaan van een vorst, die door huwelijk, erfenis, oorlog of anderszins landsdelen verkreeg of verloor, zonder dat dit het besef van etniciteit of nationaliteit van de bewoners van de betreffende gebieden direct veranderde of zelfs maar beïnvloedde.

De wetenschappelijke geschriften van Copernicus zijn grotendeels in het Latijn, zijn zakelijke en persoonlijke correspondentie is grotendeels in het Duits geschreven. Schriftelijke getuigenissen van Copernicus in het Pools zijn niet bekend. Op basis van de beschikbare feiten lijkt geen verdergaande duiding voor de nationaliteit of etniciteit van Copernicus mogelijk te zijn. We kunnen hem alleen een Duitstalige Europeaan noemen die zich een trouw onderdaan van de koning van Polen achtte.

Controverse[bewerken]

De Katholieke Kerk nam aanvankelijk geen stelling voor of tegen Copernicus, omdat de theorie als een wiskundige fictie werd beschouwd, mede vanwege het voorwoord van Osiander. Dat wil niet zeggen dat de aangevoerde argumenten door de Kerk aanvaard werden.

Theologische oppositie tegen de theorie van Copernicus van kerkelijke zijde kwam van protestantse theologen (onder wie Maarten Luther) die zijn theorie niet in overeenstemming bevonden met de Bijbel.

Toen Galileo Galilei (1564-1642) de denkbeelden van Copernicus later ging onderbouwen en verbreiden, met onder meer zijn waarnemingen van de schijngestalten van Venus als bewijs, kwam Galilei in conflict met de Katholieke Kerk, die in 1616 reageerde door het werk van Copernicus op de Index te plaatsen. Het verbod van 1616 zou later bij de publicatie van de Index in 1758 tijdens het pontificaat van Paus Benedictus XIV worden opgeheven.

In de zeventiende eeuw staafden de waarnemingen en wetten van Johannes Kepler en de zwaartekrachttheorie van Isaac Newton het copernicaanse wereldbeeld observationeel en theoretisch.

Publicaties[bewerken]

Het originele manuscript dat Copernicus ten tijde van zijn overlijden bezat, kwam in bezit van zijn vriend en pleitbezorger G.W. Rheticus. Nadien is het via vele omzwervingen in de huisbibliotheek van de adellijke familie Von Nostitz te Praag gekomen. In 1945 werd het door de Praagse autoriteiten geconfisqueerd. Onder het communistische bewind heeft de Tsjecho-Slowaakse republiek het manuscript aan buurland Polen geschonken. Het manuscript bevindt zich sindsdien in de universiteitsbibliotheek van Krakau.

Externe links[bewerken]

Bronnen en/of noten

Bronnen:

  1. Owen Gingerich: The Book Nobody Read: Chasing the Revolutions of Nicolaus Copernicus. New York: Walker, 2004 ISBN 0-8027-1415-3
  2. Galileo stelde in zijn Dialogo de verdedigers van Ptolemaeus voor als Simplicio (de Simpele). De Paus beschouwde dit als een belediging. Zie Deborah Todd,Joseph A. Angelo, A to Z of Scientists in Space and Astronomy, p.125
  3. Skelet in kathedraal inderdaad van Copernicus, Astroblogs, 21 november 2008
  4. Copernicus herbegraven, NU.nl, 22 mei 2010
  5. Meyers Grosses Konversationslexicon, 6e druk, Bibliographisches Institut, Leipzig & Wien, 1909