Johannes Kepler

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Nuvola single chevron right.svg Voor het gelijknamige ruimtevaartuig, zie Johannes Kepler (ruimtevaartuig).
Kepler op een kopie van een schilderij uit 1610 in het Benediktijnerklooster in Krems

Johannes Kepler, of Johannes Keppler (Weil der Stadt, 27 december 1571Regensburg, 15 november 1630) was een Duitse astronoom, astroloog en wis- en natuurkundige, die vooral bekend werd door zijn studie van de hemelmechanica en in het bijzonder vanwege de berekening van de planeetbewegingen en de daarover geformuleerde wetten, de Wetten van Kepler. Isaac Newton zou deze ontdekkingen door zijn algemene wetten van de Wet van de zwaartekracht natuurkundig verklaren. Kepler was een pionier van de optica en de kristallografie. Als wiskundige was hij een voorloper van de integraalrekening door zijn volumebepalingen van omwentelingslichamen zoals wijnvaten. Hij hield zich ook bezig met kosmologische speculaties en schreef zelfs vroege sciencefiction.

Kepler keerde zich tegen de gebruikelijke astrologie, maar was zelf actief astroloog. Volgens hem kon astrologie wetenschappelijk beoefend worden. Bij zijn verklaring van het verschijnen van de nieuwe ster van 1604, SN 1604, nam hij zijn toevlucht tot astrologische ideeën en terminologieën.

Leven en werk[bewerken]

Eerste levensjaren en opleiding[bewerken]

Kepler werd op 27 december 1571 geboren in Weil der Stadt nabij Stuttgart, in het zuidwesten van Duitsland. Zijn vader was o.a. beroepssoldaat en trok als zodanig naar de Nederlanden. Zijn vrouw volgde hem, in 1574 en 1575, en ondertussen woonde Johannes twee jaar bij zijn grootouders. Over zijn ouders heeft hij later niet erg lovend geschreven. Na terugkeer van de ouders verhuisde de familie naar Leonberg. Daar bezocht Johannes de Latijnse school in 1578. In 1579 probeerde vader Kepler zijn geluk als kastelein van de herberg Zur Sonne in Elmerdingen. Daar bezocht Johannes de tweede klas van de Latijnse school. De volgende twee jaren moest hij echter meehelpen op het land en kon niet naar school. In 1583 mocht hij weer naar school en kon hij deze eenvoudige Latijnse basisschool afmaken. Hij slaagde voor het zogenaamde landexamen, zodat hij de kloosterschool van Adelsberg mocht bezoeken. Daar had hij veel onenigheden met zijn schoolkameraden, door zijn eigen aanpassingsproblemen en door jaloezie van anderen omwille van zijn goede schoolresultaten. In 1586 werd hij student op het protestantse seminarie in de Maulbronn. Van 1589 tot 1591 studeerde hij theologie aan de lutherse Universiteit van Tübingen.

Hij volgde colleges wiskunde bij Michael Maestlin, die een van de eerste aanhangers van Copernicus' heliocentrische wereldbeeld was. Hij wilde tijdens zijn opleiding een keer een dispuut starten over de bewegende maan en de bewegende aarde. De ideeën zijn verwerkt in Somnium (Maandroom). De dispuutleider professor Müller verbood dit dispuut. Zie het hoofdartikel Somnium

In Keplers tijd werd de wetenschappelijke studie aan de universiteit nog ingedeeld volgens oude middeleeuwse schema's. Zo werd astronomie (waartoe ook astrologie behoorde) als onderdeel van de wiskunde beschouwd en ressorteerde natuurkunde onder filosofie, dat een hogere status had dan wiskunde. Kepler werd er bij het verschijnen van zijn eerste werk, Mysterium Cosmographicum, door de rector van zijn oude universiteit in Tübingen, Matthias Hafenreffer, dan ook op gewezen dat hij zich toch vooral tot de wiskunde moest beperken bij zijn werk. Maar Kepler beschreef zijn nieuwe astronomie, Astronomia Nova, tien jaar later juist als hemelse fysica.

Johannes Kepler als wiskundige

Wiskundeleraar in Graz 1594-1600[bewerken]

In 1594 werd Kepler hoogleraar wiskunde in de stad Graz aan de Protestantse Hogeschool. Deze school was de tegenpool van de Katholieke Universiteit. Deze Katholieke Universiteit van Graz was oorspronkelijk een Katholieke Hogeschool geweest, die echter in 1585 door de katholieke aartshertog tot universiteit verheven was, met bekrachtiging in 1586 door de paus. Keplers standvastige geloofsovertuiging bracht hem uiteindelijk in 1600 in moeilijkheden.

Kepler was overtuigd van de juistheid van Copernicus' voorstelling van de kosmos. Maar Kepler was in andere opzichten een kind van zijn tijd. Hij zag in de wiskunde het denken van God en meende dat in de stereometrie de bouw van het zonnestelsel terug te vinden is. Hij noteerde op 19 juli 1595 dat hij als bij ingeving begreep hoe de kosmos (zonne- en sterrenstelsel) gebouwd is. De zes planeten zijn gescheiden door de vijf stereometrische regelmatige veelvlakken, waarvan er slechts vijf bestaan, de zogenaamde platoonse lichamen. Hij beschrijft zijn opvatting over de bouw van de "Kosmos" in Mysterium Cosmograficum, en noemde het werk een Prodromos, "voorloper". In Harmonice Mundi (1619) werden de gedachten en ideeën van zijn Mysterium Cosmograficum verder uitgewerkt.

Mysterium Cosmograficum is het eerste wetenschappelijke werk dat van het wereldbeeld van Copernicus uitgaat. Het maakte grote indruk op de astronomen van die tijd. Belangrijk was dat hij door dit werk met Tycho Brahe in verbinding kwam.

Eerste huwelijk[bewerken]

In december 1595 leerde Kepler de toen 23-jarige Barbara Mühlegg (Mühleck), de dochter van een rijke molenaar, kennen, met wie hij op 27 april 1597 trouwde. De bruid was al twee keer weduwe en had een zesjarig dochtertje, Gemma van Dvijneveldt. Dit wordt als reden gezien dat vader Mühleck met kandidaat Kepler instemde, ofschoon hij hem een armoedzaaier vond met een beroep dat niet goed betaalde. Kepler gaf een trouwbelofte af, maar vertrok naar Tübingen om zijn boek Mysterium Cosmograficum te laten drukken. Hij bleef lang weg, waardoor de huwelijkssluiting in gevaar kwam en ternauwernood later in april 1597 met veel pracht en praal plaatsvond. Ze gingen wonen in het huis van de molenaar, Schloss Mühlegg in Gössendorf. De eerste twee kinderen stierven kort na de geboorte. Barbara was naar Keplers woord een droefgeestige vrouw. In 1600 moest het echtpaar, zoals alle protestanten, het land verlaten en verloor Barbara het grootste deel van haar vermogen, waardoor de familie met het beperkte inkomen moest rondkomen dat Kepler zelf verdiende. Kepler had gehoopt onafhankelijk te kunnen leven met het vermogen van zijn vrouw, zoals hij aan Mästlin geschreven had (Max Caspar).

Johannes Kepler

Graz-Benatek-Graz-Praag 1600[bewerken]

Vanaf de opvolging van aartshertog Ferdinand in december 1596 was de situatie voor de protestanten in Graz uiterst moeilijk geworden. Kepler moest bijvoorbeeld in 1599 10 gulden betalen om zijn gestorven dochtertje luthers te mogen begraven. Kepler had allang een uitnodiging voor een bezoek aan Tycho Brahe, die in 1596 Keplers Mysterium Cosmograficum gelezen had. In februari 1600 reisde Kepler via Praag naar Benatek om na te gaan of hij bij Brahe een aanstelling kon krijgen.

Op 4 februari 1600 vond in Benátky nad Jizerou (30 km oostelijk van Praag) een merkwaardige ontmoeting plaats, die belangrijk voor de astronomie zou worden. Tycho Brahe hoopte dat de grote wiskundige "zijn" kosmosidee zou kunnen onderbouwen. Kepler meende de waarnemingen van Brahe te kunnen gebruiken om daarmee de ideeën van zijn Mysterium te bewijzen.

Toen hij in juli terugreisde naar Graz, probeerde hij toch nog bij aartshertog Ferdinand een aanstelling te krijgen als hofmathematicus; de keizer had immers ook een hofmathematicus die een andere religie beleed. Voor de zonsverduistering van 10 juli 1600 organiseerde hij een waarneming op de markt van Graz. Hij schreef nog een verhandeling over de bewegingen van de maan, die hij opdroeg aan aartshertog Ferdinand.

Op 27 juli 1600 vond de uitwijzing van alle lutheranen plaats. 2500 mensen bleven standvastig en emigreerden, onder wie Kepler met zijn gezin.

Bouw van het oog uit de Astronomiae Pars Optica

Praag 1600-1612[bewerken]

Kepler vertrok 30 september 1600 definitief naar Praag waar hij assistent werd van Tycho Brahe, die daar de keizerlijk wiskundige was. Bij Tycho Brahe bestond een werkverdeling en Kepler kreeg de baan van Mars toegewezen. Brahe had jarenlang nauwkeurige waarnemingen over de baan van Mars gemaakt. Zelfbewust meende Kepler het werk in een paar weken af te hebben. Hij sloot zelfs een weddenschap met de assistent van Brahe, Longomontanus, maar het bleek een werk van jaren te worden.

In 1601 publiceerde hij een werkje over astrologie: De Fundamentis Astrologiae Certioribus (Over zekerder fundamenten voor Astrologie). Na de dood van Brahe in 1601 werd hij benoemd als zijn opvolger en kreeg hij de volle beschikking over Brahe's observaties van de Marsbaan. Toch raakte zijn werk in een impasse.

Hij onderbrak zijn werk aan de baan van Mars, omdat hij meende dat hij daarvoor eerst beter inzicht in de breking van licht nodig had. Over die onderzoekingen publiceerde hij in 1604 Astronomiae pars Optica (Het optische deel van de astronomie), over atmosferische lichtbreking, de werking van het oog en lenzen. Met betrekking tot de werking van het oog verliet Kepler het oude standpunt van Aristoteles (waarschijnlijk nog verdedigd door Galilei), dat er een straal van het oog uitgaat die een voorwerp aftast.

Kepler stelde daarentegen dat het licht uitgaat van het voorwerp in alle richtingen en zo een oog treft. Licht wordt gebroken door het vocht in de oogbol, wordt daardoor gebundeld en valt achter op de oogzenuw. Bij het passeren van de atmosfeer wordt licht ook gebroken, wat van invloed is in de astronomie.

Met zijn theorie over breking van het licht verklaarde Kepler de werking van lenzen zoals die al heel lang in brillen toegepast werden, zonder dat men precies de werking wist. Door zijn verklaring van de werking van het oog maakte hij duidelijk hoe de lens van de bril werkt, door namelijk meer of minder het licht te breken en zo de ooglens te corrigeren. In 1610, nog maar een paar maanden nadat Galilei zijn Sidereus Nuncius gepubliceerd had, publiceerde Kepler een nieuw boek over hetzelfde onderwerp, over de inmiddels in de telescoop gebruikte lenzen: Dioptrice. Kepler was de eerste die een dergelijk gedegen boek over optica schreef.

Supernova 1604[bewerken]

Restant van Keplers Supernova

Kepler publiceerde in 1604 in het Duits en in 1606 in het Latijn over de Nieuwe Ster, (een supernova, die thans SN 1604 heet) die in 1604 een paar maanden aan de hemel zichtbaar was geweest. Op 17 november 1604 werd door Kepler de naar hem genoemde supernova gezien. Een assistent had de ster al een week eerder gezien en had Kepler dat in grote opwinding meegedeeld. Kepler wilde er niets van weten, de hemel bleef een week bewolkt, en zo lang kon Kepler in zijn ongeloof volharden. Deze gang van zaken maakt al duidelijk, hoe moeilijk het verschijnen van een nieuwe ster te aanvaarden was. Brahe had in 1572 een nieuwe ster gezien, maar de “volmaaktheid” van de hemel had ook voor Kepler door één tegenbewijs nog niet afgedaan. Die zogenaamde volmaaktheid bestond sinds Pythagoras hierin, dat de volmaakte godheid alleen een volmaakte kosmos met volmaakte objecten geschapen kon hebben. Sinds Copernicus waren geleerden wel gaan geloven dat de zon in het middelpunt van de kosmos staat. Het meest overtuigende argument daarvoor was echter, dat daarmede de banen van de planeten als cirkels te verklaren waren. Ook Kepler geloofde in het jaar waarin hij "zijn" supernova zag nog altijd in de volmaaktheid van de hemel en de cirkelbeweging van de planeten. Maar in 1604 stond tot verbijstering van de toenmalige wereld plots een schitterende nieuwe ster in het sterrenbeeld Schutter, samen met Jupiter, Saturnus en Mars.

Astrologen verdelen de twaalf sterrenbeelden van de dierenriem in vier groepen van drie, naar de elementen aarde, water, lucht en vuur. De sterrenbeelden behorend bij een element staan ongeveer 120° uiteen en vormen een grote gelijkzijdige driehoek aan de hemel. Volgens die indelig stond de nieuwe ster in de zogenaamde driehoek van vuur. Dat samenkomen van Jupiter en Saturnus in de driehoek van vuur gebeurt maar eens in de 800 jaar. De vorige keer was toen Karel de Grote keizer was en 800 jaar daarvoor werd Christus geboren. Zouden Jupiter en Saturnus in de vuurdriehoek brand gesticht hebben? Zou dit misschien een teken voor de bekering van Amerika zijn? Dat soort gedachten opperden de sterrenwichelaars. De schok was nog groter dan die veroorzaakt door Brahe's stella nova van 1572. Kepler keerde zich eerst in een Duits boekje, later in het Latijn, tegen alle astrologische speculaties, maar had zelf geen idee wat er wel aan de hand was. "Misschien heeft zich daar boven sterrenmateriaal samengebald," zo overwoog hij. Hij begreep wel dat het een verschijnsel van de sterrenhemel was dat niet binnen ons zonnestelsel plaatsvond.

Astronomia Nova[bewerken]

In 1609 verscheen Keplers beroemdste werk, Astronomia Nova seu Physica coelestis. 2000 jaar lang had de geleerde wereld beweerd dat de planeten zich in cirkelbanen en met gelijkmatige snelheid langs de hemel bewogen. Kepler beschreef met zijn eerste twee wetten dat die banen ellipsen zijn en dat de planeten in hun banen van snelheid veranderen.

In 1610 hoorde hij van de waarnemingen die Galilei in de Sidereus Nuncius bekend had gemaakt. Enthousiast schreef hij zijn Dissertatio cum Nuncio Sidereo, een instemming met en waardering voor Galilei's werk. Een paar maanden later beschikte hij voor het eerst over een telescoop en publiceerde zijn waarnemingen van de manen van Jupiter in Narratio de Observatis Quatuor Jovis Satellitibus. Dit boek, dat ook in Florence verscheen, betekende een enorme steun voor Galilei.

Dioptrice[bewerken]

Galilei was niet in staat te verklaren waarom zijn verbeterde telescoop zo goed werkte, maar wilde deze ook niet lenen aan Kepler. Met de hulp van hertog Ernst van Keulen kon Kepler in de herfst van 1610 meten met een vergelijkbare telescoop. Hij schreef korte tijd daarna het boek Dioptrice: de wetenschap van de straalbreking door lenzen. Hij greep hierin terug op een eerder boek uit 1604 waarin hij de grondbeginselen van de camera obscura had uitgelegd. Hij had dit boek bescheiden een Supplement van Witelo genoemd, een middeleeuwse wetenschapper die een samenvatting over de optica had geschreven, gebruikmakend van Ptolemaeus, Alhazen en Roger Bacon.[1]

Tweede huwelijk[bewerken]

Kepler had zijn familie in Linz ondergebracht. Zijn vrouw Barbara stierf daar op 3 juli 1611 en in dat jaar stierf ook een van hun zoontjes. Barbara liet een elfjarige dochter Susanna na en een zesjarige zoon Wilhelm die veel later, na Keplers dood, Somnium zou laten drukken. Kepler keerde eerst nog naar Praag terug ter wille van keizer Rudolf II die zeer zwak was en nog dat jaar zou sterven. Daarna ging Kepler definitief naar Linz, naar zijn moederloos gezin. Op 30 oktober 1613 trouwde Kepler voor de tweede keer. De bruid was de 24-jarige ouderloze Susanna Reuttinger, bijna 20 jaar jonger dan Kepler. De Dertigjarige Oorlog was in volle gang en Kepler en zijn gezin ondervonden daarvan de nadelige gevolgen. Susanna moest de verzorging van de twee kinderen uit het eerste huwelijk op zich nemen en kreeg zelf in de loop der jaren zes kinderen waarvan de eerste drie kinderen jong stierven. Later, na Keplers dood, bleef zijn weduwe met drie kinderen achter in armoedige omstandigheden, waarin later door hulp van vrienden verbetering kwam.

Gravure van Johannes Kepler

Linz 1612-1626[bewerken]

Na de dood van keizer Rudolf II in 1612, verliet Kepler Praag en verhuisde hij naar Linz. Hij schreef daar onder andere boeken over de geboortedatum van Christus en toonde aan dat de christelijke kalender er 5 jaar naast zat en dat Jezus eigenlijk in 4 'voor Christus' geboren was.

Tussen 1617 en 1621 verscheen zijn werk Epitome Astronomiae Copernicanae, een werk van zeven boeken, wat een zeer belangrijke bijdrage was voor de heliocentrische astronomie. Zijn aanzien en invloed stegen door dit werk enorm.

In 1619 verscheen het lijvig boekwerk Harmonice Mundi. De Prodromus (= Voorloper) van dit werk was Mysterium Cosmograficum (1596) waarvan het eerste woord van de originele Latijnse titel "Prodromus" luidt. Harmonice geeft het beste inzicht in de gedachtewereld van Kepler. Kepler was diep religieus, zoals de wereld om hem heen: God heeft de kosmos volgens een mathematisch, harmonisch bouwplan geschapen. De mens kan de harmonie in dit plan ontdekken, omdat hij naar Gods beeld geschapen is. Dit lijkt een religieuze verhandeling, maar in dit boek staat ook zijn derde wet. Het werk was in vijf boeken verdeeld, vandaar: Harmonices Mundi Libri V, wat betekent Vijf Boeken over de Wereldharmonie. Bedoeld is de kosmos (Harmonices is de tweede naamval van Harmonice).

Keplers horoscoop voor Wallenstein

Heksenproces tegen Keplers moeder[bewerken]

In 1616 werd zijn moeder Katharina Kepler, een kruidenvrouwtje, tijdens een heksenvervolging beschuldigd heks te zijn. Zoals dikwijls bij de heksenprocessen was de aanleiding een ruzie tussen twee buurvrouwen. Bovendien was in 1611 een afschrift van een eerste ontwerp van Somnium of Maandroom buiten Keplers weten in Tübingen bekend geworden. Grappig bedoelde opmerkingen over de magere uitgedroogde menselijke wezens, die door demonen meegevoerd konden worden tijdens hun reis naar de maan, kwamen Kepler duur te staan. Bij het heksenproces tegen zijn moeder werd dit breed uitgesponnen. Ook hijzelf zou op grond van dit grapje in staat van beschuldiging gesteld zijn, als hij niet van hogerhand beschermd was. De zaak begon in 1615 en sleepte zich jaren lang voort. De aanklager was de barbier van de hertog van Württemberg, de ondervrager was de provoost. Het hogere hof moest beslissen. Op advies van de Rechtskundige Faculteit Tübingen werd bepaald dat Katherina onder dreiging van de ernstigste martelingen moest verklaren dat ze heks was. Dat deed ze niet, waarna ze binnen een week werd vrijgesproken. Ondanks haar beroemde zoon zat Katharina Kepler 14 maanden, van augustus 1620 tot oktober 1621, opgesloten in verschillende kerkers in afwachting van haar berechting. Kepler heeft een groot deel van de akte van verdediging geschreven. Ze stierf een half jaar later in het stadje Heumaden, in huis bij haar dochter, een domineesvrouw.[2]

Ulm 1626-1627[bewerken]

In de loop van de Dertigjarige Oorlog werd de stad Linz in 1626 zwaar beschadigd. Ook de drukkerij waar Kepler de beroemde Rudolfijnse tafels (tabellen met berekeningen van de stand der planeten) wilde laten drukken werd vernield. Hij verhuisde naar Ulm, waar hij in 1627 dat werk eindelijk voltooide. Dit werk was eigenlijk de "hoofdopdracht" die Tycho Brahe en Kepler zichzelf oorspronkelijk gesteld hadden. Brahe had omstreeks 1570 ontdekt hoe onnauwkeurig de tabellen die gebruikt werden om de stand van de planeten te voorspellen, feitelijk waren. Die wilde Brahe, en na hem Kepler, verbeteren.

Sagan 1627-1630[bewerken]

Wereldkaart van Kepler in 1627

In het jaar 1627 kwam Kepler ook in dienst van Wallenstein en verhuisde naar Sagan, waar Wallenstein resideerde. Wallenstein hoopte dat Kepler betrouwbare horoscopen voor hem kon maken. Wallenstein was de machtige legeroverste in dienst van de keizer. Als tegenprestatie zou Wallenstein hem ook een drukkerij ter beschikking geven. Die moest echter nog opgezet worden. Kepler had de drukkerij pas in 1629 tot zijn beschikking en liet eerst een driedelige efemeridenband drukken voor de jaren 1621-1636. Dit werk was destijds voor astronomen (en astrologen) belangrijk en er was al lang naar uitgekeken. Tussendoor begon hij ook aan Somnium, dat hij zelf net niet meer af zou krijgen, maar dat voor de postume uitgave van het grootste belang was. Kepler heeft talloze horoscopen samengesteld, waarvan er nog 800 bewaard zijn.

Laatste levensjaar[bewerken]

In 1630 wilde hij naar Linz, waar men hem eindelijk zijn salaris zou uitbetalen. Onderweg in Regensburg zou hij de keizer bezoeken, die daar een Rijksdag hield, en hem ook nog geld schuldig was. Tijdens zijn reis te paard werd hij ernstig ziek en hij stierf in Regensburg. Door de Dertigjarige Oorlog werd het kerkhof in Regensburg waar Kepler begraven lag, volledig verwoest. Zijn graf is daarbij verloren gegaan. Zijn grafschrift is echter nog wel bekend aangezien hij dat lang van tevoren bekendgemaakt had:

Mensus eram coelos, nunc terrae metior umbras.
Mens coelestis erat, corporis umbra iacet.
(De hemel heb ik bemeten, nu meet ik de schaduwen der aarde.
Mijn geest verkeerde in de hemel, het lichamelijk omhulsel ligt hier.)

Familie na zijn dood[bewerken]

Monument voor Kepler in zijn geboorteplaats Weil der Stadt
Beeld van Tycho Brahe en Johannes Kepler in Praag

De gelden die hij tegoed had, werden slechts gedeeltelijk en na veel inspanningen aan zijn familie betaald. Zijn weduwe kwam na allerlei omzwervingen en ontberingen naar Regensburg, werd daar vriendelijk ontvangen en stierf daar, toch nog arm, in 1636. Na zijn dood liet Keplers zoon Wilhelm in 1633 eindelijk het kleine boekje Somnium drukken. Het had Kepler beziggehouden vanaf zijn studietijd in Tübingen; het had de grote problemen om zijn moeder verergerd en had hem zijn leven lang vervuld met vragen en fantasie: Hoe zou de aarde er vanaf de maan uitzien? En hoe zou de maan eruitzien? Het boekje, een soort science-fictionsprookje met veel wetenschappelijke aantekeningen, was mede uitgegeven om de financiële zorgen van Keplers weduwe te verlichten.

Na zijn dood vond in 1631 de door Kepler voorspelde Venusovergang plaats, die echter door niemand werd waargenomen.

Kepler als astroloog[bewerken]

Astrologie en astronomie gingen tot Keplers tijd nog hand in hand. Men geloofde heel algemeen aan allerlei voortekenen, aan waarzeggerij, astrologie en magie.[3]Keplers opvattingen over de astrologie waren ambivalent. Enerzijds stak hij zijn kritiek op de fatalistische astrologie niet onder stoelen of banken en waarschuwde iedereen tegen de 'fantasieën' van de astrologie.[4] Anderzijds verdiende hij goed aan het opstellen van horoscopen voor de rijken en machtigen en zijn jaarlijkse 'Almanakken' met astrologische en andere fenomenen. In 1601 schreef hij een handleiding hoe je de astrologie wetenschappelijk kunt beoefenen: De Fundamentis Astrologiae Certioribus (Over zekerder fundamenten voor Astrologie). In een ander geschrift uit 1609, Tertius Interveniens, waarschuwt hij de "Tegenstanders van de Astrologie" om niet het kind met het badwater weg te gooien.[5] Het standpunt dat hij hier inneemt is typerend voor iemand die in wezen een overgangsfiguur was tussen het mythische en het wetenschappelijk denken. Het ingrijpendst voor hem persoonlijk bleken zijn middeleeuwse opvattingen rond het heksenproces tegen zijn moeder. Beiden, moeder en zoon, gaven geen ogenblik blijk het bestaan van hekserij in twijfel te trekken.

Keplers relatie met Galileo Galilei[bewerken]

Hoewel Kepler en Galilei als tijdgenoten bezig waren met vrijwel dezelfde vraagstukken, hebben beide wetenschappers elkaar nooit ontmoet. Kepler heeft hiertoe wel een aantal pogingen gedaan, maar de Galileis reacties waren minimaal. De eerste poging vond plaats in 1597 toen Kepler een exemplaar van zijn boek Mysterium cosmographicum toezond. Galilei bedankte Kepler als medezoeker naar de Waarheid en onderschreef de Copernicaanse opvattingen in het boek. Hij voegde eraan toe dat Copernicus voor zijn opvattingen dat de aarde om de zon draait bespot werd door dwazen. In het antwoord op de brief van Galilei stuurde Kepler een brief met het verzoek om samen te werken om de copernicaanse kosmografie verder uit te werken. Zo zouden hun dwaze collega's kunnen worden overtuigd. Galilei stuurde daarop geen antwoord.[6] De arrogantie en botheid van Galilei leidde tot veel weerstand in wetenschappelijke kringen. Een voorbeeld is de moddergooierij tussen Galilei en de wiskundige Balthasar Capra omtrent het gebruik van het militaire kompas rond 1607.[7] Toen Galilei in 1610 zijn boek Sidereus Nuncius uitbracht, was er opnieuw weerstand onder collega wetenschappers. De belangrijkste was professor Magini van de Universiteit van Bologna, die de ontdekking van Galileo ontkende. Kepler schreef een verdediging van Galilei in een openbaar pamflet. Hoewel Galilei daardoor een hofwiskundige bij de familie De' Medici kon worden, heeft Galilei Kepler er nooit voor bedankt. Toch bleven geleerden als Della Porta en Horky kritiek uitoefenen op Galilei. Omdat Kepler met zijn verdediging van Galilei zelf in de problemen dreigde te komen, verzocht hij om Galilei een telescoop te sturen, zodat hij de bevindingen kon controleren. Galileo schreef vriendelijk terug, toegevend dat Kepler zijn enige bondgenoot was en dat hij de telescoop niet kon uitlenen. Hij schreef echter niets over zijn verdere wetenschappelijke ontdekkingen. In de herfst van 1610 kon Kepler met een geleende telescoop zelf ook de manen van Jupiter zien en bevestigde hij als eerste geleerde de observaties van Galilei. Kepler heeft daarna nog verscheidene andere brieven gestuurd aan Galilei, maar alle bleven onbeantwoord. Galilei heeft in zijn beschouwingen zelden gebruikgemaakt van Keplers bevindingen. Zelfs de berekeningen waarin Kepler aantoonde dat de aarde in een ellips en niet in een cirkel om de zon heen draaide, heeft Galilei nooit gebruikt. Ook in de geschriften die Galilei met de inquisitie in botsing brachten, maakten geen melding van de ellipsbaan die de aarde om de zon zou maken in plaats van een cirkelbeweging.[8]

Werken[bewerken]

Tabulae Rudolphinae (Rudolfijnse Tafels) door Johannes Kepler in 1627

Een vollediger opsomming van Keplers werken is te vinden op de Duitse Wikipedia. Een kleine greep hieruit:

  • 1596: Mysterium cosmographicum. De stella nova (Hypotheses over de bouw van de kosmos, Kepler verdedigt onder andere de theorieën van Copernicus), uitgegeven door Max Caspar, C.H. Beck. München, 1938/1993. ISBN 3-406-01639-1
  • 1604: Ad Vitellionem Paralipomena, Quibus Astronomiae Pars Optica Traditur. Supplement op Witelo
  • 1609: Astronomia nova aitiologetos seu Physica coelestis (waarin: Eerste en tweede wet van Kepler), uitgegeven door Max Caspar, C.H. Beck. München, 1938, en Astronomia Nova, uitgegeven en ingeleid door Fritz Krafft, Bibliothek des verloren gegangenen Wissens, 2005, LVIII, 576 p., Marixverlag. ISBN 3-86539-014-5)
  • 1619: Harmonices Mundi libri V ( Over de harmonie in de kosmos. Dit werk wordt tegenwoordig druk besproken), uitgegeven door Max Caspar, C.H. Beck. München, 1940/1990, ISBN 3-406-01648-0; vertaling in het Duits: 2006, R. Oldenbourg, Wissenschaftsverlag GmbH, München ISBN 978-3-486-58046-4
  • 1627: Tabulae Rudolphinae (Tabellen voor gebruik in astronomische waarnemingen. Tegenwoordig onbelangrijk voor waarnemingen, historisch van betekenis voor de experts), uitgegeven door Franz Hammer, C.H. Beck, München, 1969.
  • 1634: Somnium (uitgegeven na Keplers dood) en Edward Rosen, Kepler's Somnium, The Dream, or Posthumous Work on Lunar Astronomy, ISBN 0-486-43282-3 (Volledige vertaling in het Engels met veel aantekeningen)

De Duitse uitgave van Johannes Keplers Gesammelte Werke telt inmiddels 23 delen. Van zijn Harmonices Mundi is een geannoteerde Engelse vertaling verschenen: The harmony of the world, uitg. American Philosophical Society, Philadelphia (1997) ISBN 0-87169-209-0 Van Kepler is geen werk in het Nederlands vertaald.

Literatuur[bewerken]

  • (nl) Anna Maria Lombardi, Kepler - astronoom op zoek naar harmonie, uitg. Natuurwetenschap & Techniek, Amsterdam (2007), ISBN 978-90-8571-127-8
  • (it) Anna Maria Lombardi, Keplero - semplici leggi per l'armonia dell'universo, uitg. Le Scienze, Milaan (2000)
  • (de) Anna Maria Lombardi, Johannes Kepler in: Spektrum der Wissenschaft, Biografie 4/200 (geeft ook een uitermate deskundige inleiding in Harmonice Mundi).
  • (nl) Arthur Koestler, Johannes Kepler - een nieuwe visie op het heelal, uitg. Elsevier, Amsterdam (1962)
  • (de) Max Caspar, Johannes Kepler, Stuttgartt 1995, ISBN 3-928186-28-0 (blz. 143-162) (grote informatieve monografie).
  • (en) Arthur Koestler, The Sleepwalkers, Penguin Arkana, 1959, ISBN 0-14-019246-8
  • (en) Owen Gingerich, The Book Nobody Read, Heinemann London, ISBN 0-434-01315-3
  • Omwentelingen, 1981, roman uit het Engels vertaald door R. van der Veer, 1986, Meulenhof ISBN 90-290-2033-4, vertaling van The revolutions trilogy, John Banville, uitg. Picador, Londen (2001).

Zie ook[bewerken]

Externe link[bewerken]

Logo Wikimedia Commons
Commons heeft meer mediabestanden op de pagina Johannes Kepler.
Bronnen, noten en/of referenties
  1. Arthur Koestler, 1962, blz. 158
  2. Arthur Koester, 1962, pag. 162-167
  3. Niet iedere astronoom geloofde overigens aan astrologie; het schijnt dat Copernicus er niets van moest hebben. Maar Galileo Galilei trok nog een horoscoop voor zijn broodheer Cosimo II de Medici.
  4. In een brief aan Wallenstein, die zijn horoscoop wilde laten maken, waarschuwde hij deze ook tegen de fantasieën van de astrologie.
  5. Aanleiding was de publicatie van twee strijdschriften over astrologie. Het ene was van de arts Helisäus Röslin, die een onvoorwaardelijk voorstander van astrologie was, het andere van de arts Philippus Feselius, een felle tegenstander. Kepler treedt in zijn geschrift als een bemiddelaar tussen beide standpunten op.
  6. Arthur Koestler, 1962 pag. 136-140
  7. John Eliott Drinkwater Bethune, Life of Galileo. Life of Kepler, 1826, pag. 17
  8. Arthur Koestler, 1962 pag. 148-157