Geocentrisme

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Geocentrisch model van de kosmos uit Peter Apians Cosmographia, Antwerpen 1539
Ptolomeïsch systeem (1660/61)
Demonstratie hoe een ellips gevormd kan worden met twee eenparig bewegende cirkels. Het middelpunt van de eerste cirkel (blauw) valt echter niet samen met het brandpunt van de ellips (geel) en de bewegingssnelheid wijkt ook af.

Het geocentrisme is de leer dat de aarde het centrum van het zonnestelsel en/of het universum is en dat de zon en andere hemellichamen om de aarde heen draaien. (Het onderscheid tussen zonnestelsel en universum werd pas gemaakt in moderne tijden.) Een geocentrisch wereldbeeld was in zwang gedurende de klassieke tijd en de middeleeuwen, hoewel er toen ook aanhangers waren van het heliocentrisme, dat stelt dat de zon het centrum is van ons zonnestelsel en/of universum.

Invloedrijke Griekse filosofen als Ptolemaeus en Aristoteles geloofden dat de zon, de maan, de andere planeten en de sterren om de ronde aarde heen cirkelden. Ook in het oude China was dit het overheersende wereldbeeld. Dit is dus niet hetzelfde als de notie van een platte aarde waarboven de zon etcetera opgaan en ondergaan. De voornaamste argumenten die voor het geocentrische model werden aangevoerd waren dat het voor ons op aarde niet voelt alsof de aarde beweegt en het feit dat we toch zien dat de zon en andere hemellichamen om ons heen draaien elke dag. Tot in de 16e eeuw werd aan dit idee vastgehouden, tot Copernicus met een nieuw theoretisch model kwam met de zon in het centrum, wat later uitgebreid en verbeterd werd door onder anderen Johannes Kepler en Tycho Brahe.

De (on)juistheid van geocentrisme[bewerken]

De algemene relativiteitstheorie stelt dat alle fysische processen in een willekeurig referentiestelsel intern consistent kunnen worden beschreven en verklaard. Puur wetenschappelijk gezien valt er niet te kiezen tussen geocentrisme of heliocentrisme, omdat er geen stabiel referentiepunt in het universum valt te definiëren. Bekijken we het vanuit de klassieke mechanica, die uitgaat van een absoluut referentiestelsel, dan draaien zon en aarde om hun gezamenlijk zwaartepunt. Dit bevindt zich echter wel in de zon, op 600 kilometer van zijn middelpunt, zodat men zou kunnen zeggen dat het heliocentrisme correcter is dan het geocentrisme. Andere problemen met het geocentrisme zijn dat het betekent dat alle planeten een vreemde, heen-en-weergaande baan afleggen (in het heliocentrische model zijn dit keurige ellipsen), en dat het licht dat van verre sterren naar ons onderweg is, ieder half jaar 300 miljoen kilometer dwars op de lichtrichting verschuift, om een half jaar later weer terug op de oude positie te zijn. Dat is in strijd met de speciale relativiteitstheorie, die zegt dat licht in rechte lijnen met een constante snelheid beweegt. Als we dergelijke vreemde bewegingspatronen niet willen aannemen, moeten we concluderen dat de aarde om de zon heen beweegt.

Daarnaast is het de moderne wetenschap duidelijk dat ons zonnestelsel weer onderdeel is van een melkwegstelsel. Het zonnestelsel draait in een baan rond het middelpunt van de melkweg, die weer beweegt ten opzichte van andere melkwegstelsels.

Geschiedenis van het geocentrisme[bewerken]

De eerste mensen die algemeen accepteerden dat de aarde bolvormig is waren de Grieken. In de Griekse oudheid waren er wel aanhangers van een heliocentrisch model van het universum, maar die waren in de minderheid. Een van de weinigen waren Aristarchus en zijn volgeling Seleucus van Seleucia.

Er waren ook andere ideeën over het universum in omloop. In de zesde eeuw voor Christus stelde Anaximander voor dat de aarde een deel van een cilinder was die omhoog gehouden wordt in het centrum van het universum. Onzichtbare wielen draaiden om de aarde. In die wielen zaten gaten, waardoor je het verborgen vuur kon zien en die gaten waren de zon, maan etc. In dezelfde tijd dachten de Pythagoreërs dat de aarde een bol was.

Het werk van Aristoteles uit de vierde eeuw voor Christus heeft grote invloed gehad op het natuurwetenschappelijk denken tot in de middeleeuwen. Aristoteles ging ervan uit dat de aarde in het centrum stond van het universum en dat de planeten, sterren en andere hemellichamen op 56 concentrische bollen vast zaten en om de aarde heen draaiden. De maan zat vast in de bol die het dichtst bij de aarde stond, en de sterren zaten op de buitenste schil.

De oude Grieken waren zich al bewust van het feit dat als de aarde beweegt, de sterren gedurende het jaar ten opzichte van de achtergrond moeten bewegen (het principe van parallax). Sterrenbeelden zouden dan moeten veranderen, bijvoorbeeld. Dit observeerden zij niet, dus concludeerden zij dat de aarde stil staat en het heliocentrische wereldbeeld daarmee onzin is. Ook het niet verschillen van de helderheid van Venus gedurende het jaar (wat je zou verwachten als die steeds op verschillende afstand staat) werd als argument tegen het heliocentrisme aangedragen. Met de uitvinding van de telescoop duizenden jaren later, bleek dat de sterren wel degelijk parallax vertonen, maar dat dit een heel klein effect is vanwege het feit dat de sterren zo ongelooflijk ver weg staan. Het feit dat Venus nauwelijks in helderheid verschilt, komt doordat het effect gecompenseerd wordt de fasen waar Venus doorheen gaat, net als de maan - Venus wordt niet altijd op dezelfde manier beschenen door de zon.

In de tweede eeuw na Christus, zette Claudius Ptolemaeus in de Almagest op papier wat het definitieve geocentrische model zou worden in de daaropvolgende eeuwen. In het Ptolemaeïsche systeem draaien de maan, de planeten en de sterren in cirkels rond de aarde. Hier komen de schillen of bollen van Aristoteles weer terug. De volgorde van de schillen van het model van Ptolemaeus zijn van binnen naar buiten:

  1. de maan
  2. Mercurius
  3. Venus
  4. de zon
  5. Mars
  6. Jupiter
  7. Saturnus
  8. bol met de vaste sterren

Als je uitgaat van cirkels of bollen als banen voor de hemellichamen, klopt het model niet met astronomische waarnemingen. Planeten maken bijvoorbeeld gedurende hun reis aan de hemel gezien vanaf de aarde een retrogade beweging: zij gaan eerst vooruit, dan weer een stukje terug en dan weer vooruit. Dit valt met enkel cirkelbanen niet te verklaren. Om zijn model beter te laten overeenkomen met de werkelijkheid, introduceerde Ptolemaeus epicykels, hulpcirkels. Hierdoor was het systeem alsnog vrij ingewikkeld, maar er konden wel accurate astronomische voorspellingen mee gedaan worden. Ptolemaeus zelf propageerde ook dat zijn model vooral gebruikt moest worden om berekeningen mee te doen, en nam het niet aan als waarheid voor hoe het universum er in werkelijkheid uitzag. Het boek de Almagest werd tijdens de Middeleeuwen in Europa gezien als de culminatie van alle wijsheid die de Grieken hadden opgedaan in de oudheid, en werd daarmee als bijna heilig gezien.

Het geocentrische wereldbeeld van Ptolemaeus hield, met goedkeuring van de kerk, stand totdat de Poolse priester Copernicus zijn heliocentrische heelal presenteerde in 1543. In het model van Copernicus liepen de planeten en manen ook in cirkelbanen, dus hij had ook epicykels nodig om de theorie kloppend te maken. Afgezien van de religieuze en wetenschappelijke bezwaren die tegen Copernicus werden ingebracht is het dus ook zo dat zijn model eigenlijk niet veel handiger was dan het geocentrische wereldbeeld. Er moesten nog steeds heel ingewikkelde berekeningen worden uitgevoerd om de bewegingen van hemellichamen te voorspellen. In die tijd was dat eigenlijk de enige reden voor het bestaan van de sterrenkunde. Het copernicaanse model was dus volgens velen geen echte verbetering, en Copernicus' werk ondervond aanvankelijk slechts welwillende onverschilligheid.[1] In 1609 stelde Kepler het copernicaanse model bij door ellipsbanen in te voeren, waardoor er een heel simpel model ontstond dat ook overeenkwam met de werkelijkheid, en dat makkelijke berekeningen mogelijk maakte. Hoewel het eigenlijk Kepler was die het heliocentrische model toepasbaar maakte, spreekt men van "Copernicaans model".

Modern geocentrisme[bewerken]

Tegenwoordig zijn er nog steeds groepen die vasthouden aan het idee van de aarde als middelpunt van het heelal. De redenen hiervoor zijn meestal religieus. Vaak worden delen uit de bijbel geciteerd die, als ze letterlijk worden genomen, aan zouden tonen dat de aarde stil staat en dat de dagelijkse beweging van de zon en maan door hun eigen bewegingen worden veroorzaakt. Een voorbeeld is Prediker 1:5:

Ook rijst de zon op, en de zon gaat onder, en zij hijgt naar haar plaats, waar zij oprees.

En Jozua 10:12-13:

Toen sprak Jozua tot den HEERE, ten dage als de HEERE de Amorieten voor het aangezicht de kinderen Israëls overgaf, en zeide voor de ogen der Israëlieten: Zon, sta stil te Gibeon, en gij, maan, in het dal van Ajalon!
En de zon stond stil, en de maan bleef staan, totdat zich het volk aan zijn vijanden gewroken had. Is dit niet geschreven in het boek des oprechten? De zon nu stond stil in het midden des hemels, en haastte niet onder te gaan omtrent een volkomen dag.

Tegenwoordig vinden de meeste christenen dat deze bijbelteksten niet letterlijk genomen moeten worden, maar dat hier alleen gedoeld wordt op de beweging van de hemellichamen zoals je die waarneemt, en niet zoals die misschien in werkelijkheid is.

Een ander argument van moderne geocentristen is dat er in de moderne natuurwetenschappen geen voorkeur is voor een bepaald referentiestelsel. Zoals hierboven staat beschreven, kunnen volgens de algemene relativiteitstheorie alle fysische processen intern consistent worden beschreven en verklaard in een willekeurig referentiestelsel. Aangezien er dus geen referentiestelsel is dat de voorkeur verdient op welke manier dan ook, argumenteren sommigen dat het geocentrische model speciaal is om religieuze redenen.

Bronnen[bewerken]

  • Michael Hoskin (Ed.) (1999). The Cambridge Concise History of Astronomy. Cambridge University Press.
  • A. Achterberg (1994). Kosmologie. Van Oerknal via niets tot straling en stof. Epsilon Uitgaven.
  • Engelstalige Wikipedia-pagina
  • Statenvertaling van de Bijbel, gedownload van www.statenvertaling.net

Referenties[bewerken]

  1. Owen Gingerich: The Book Nobody Read: Chasing the Revolutions of Nicolaus Copernicus. New York: Walker, 2004 ISBN 0-8027-1415-3

Zie ook[bewerken]