Astronomie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Portal.svg Portaal Astronomie
Komeet Hale-Bopp met blauwe plasmastaart en witte stofstaart was met het blote oog te zien in 1997.

Astronomie of sterrenkunde is de wetenschap die zich bezighoudt met de observatie en de studie van alle fenomenen buiten de atmosfeer van de Aarde. Het woord astronomie komt van het Griekse woord αστρονομία (astronomia), een samenstelling van άστρον (astron, ster of sterrenbeeld) en νόμος (nomos, wet): het toekennen van wetmatigheden aan sterren.

De astronomie bestudeert niet alleen sterren en sterrenstelsels in het heelal, maar ook de planeten van ons eigen zonnestelsel. Een onderdeel van de astronomie is de astrofysica, een tak van de natuurkunde die de processen die zich afspelen in de kosmos probeert te verklaren met natuurkundige wetten. Veel astronomen hebben dan ook een stevige achtergrond in de fysica en wiskunde.

Amateurtelescoop (type Maksoetov-Cassegrain)

Daarentegen is de astronomie een van de weinige wetenschappen waar ook hobbyisten of 'amateur-astronomen' een actieve rol in kunnen spelen, vooral bij het ontdekken en observeren van voorbijgaande astronomische gebeurtenissen, zoals kometen en meteoren. De namen van veel (eenmalige) kometen bijvoorbeeld zijn meestal ontleend aan amateurastronomen die deze komeet als eerste waarnamen.

Astrofysica en kosmologie[bewerken]

Astrofysica is een latere ontwikkeling van de astronomie, die mogelijk werd door het begrip dat:

Kosmologie is een tak van de sterrenkunde die zich met de structuur, het ontstaan, de algemene geschiedenis en toekomst van het heelal bezighoudt.

Korte geschiedenis[bewerken]

De Aarde als centrum van het heelal
Nuvola single chevron right.svg Zie Geschiedenis van de astronomie voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Oudheid[bewerken]

De astronomie is een zeer oude wetenschap die al bestond in het oude Egypte, Sumerië, India en China. In het prille begin hield de astronomie zich alleen bezig met de bewegingen van de objecten langs de hemel, zoals zon, maan en planeten. Men kon langzamerhand spectaculaire verschijnselen voorspellen, zoals zons- en maansverduisteringen. Ook het verschijnen van kometen sprak erg tot de verbeelding. Deze aan het hemelgewelf waargenomen verschijnselen werden door Babylonische astronomen in verband gebracht met gebeurtenissen op Aarde, wat ook het begin betekende van de astrologie.[1] De astronomie was in die begintijd beperkt tot de objecten die met het blote oog zichtbaar zijn. De oude Grieken brachten de astronomie een stuk verder, bijvoorbeeld door de definitie van de dierenriem, een band van 12 sterrenbeelden waardoorheen de zon, maan en planeten bewegen.

Middeleeuwen en renaissance[bewerken]

Astronomie en geometrie in de middeleeuwen. Voorwerpen die gehanteerd worden zijn o.a. een armillarium en een kompas.

Tijdens de middeleeuwen stond de ontwikkeling van de astronomie vrijwel stil, met uitzondering van het werk van enkele Arabische astronomen. Veel namen van sterren stammen daarom uit het Arabisch. Tijdens de renaissance stelde Copernicus een astronomisch model op, waarin de Zon in het midden staat van het zonnestelsel (heliocentrisme). Zijn werk werd verdedigd en verder ontwikkeld door Galileo Galilei en Johannes Kepler. Laatstgenoemde beschreef als eerste op een correcte manier de bewegingen van de planeten rondom de Zon. Kepler had echter geen inzicht in de achterliggende oorzaak van de Wetten van Kepler die hij afleidde uit zijn waarnemingen.

Nieuwe tijd en heden[bewerken]

Begrip van zwaartekracht en hemelse dynamica waren ontdekkingen van Isaac Newton, die daarmee de bewegingen van de planeten volledig verklaarde.

Men ontdekte dat sterren heel ver van ons verwijderd zijn. Met de uitvinding van de spectroscopie werd bewezen dat sterren gelijksoortige objecten zijn als onze eigen Zon, maar met een grote variëteit aan temperaturen, massa's en omvang. Dat onze Melkweg bestaat uit een aparte groep van sterren werd pas bewezen in de twintigste eeuw. Toen werden ook andere sterrenstelsels ontdekt, alsmede nevels en gaswolken. Kort daarop werd de uitdijing van het heelal aangetoond op grond van de roodverschuiving die ontstaat door het dopplereffect. Hieruit blijkt dat de meeste van die andere sterrenstelsels van ons af bewegen.

Aanvankelijk meende men dat het zonnestelsel ophield bij de baan van Pluto. Een probleem bleef echter de herkomst van kometen met vaak hyperbolische banen, die erop wijzen dat ze van zeer grote afstand komen. De astronoom Jan Hendrik Oort stelde in 1950 de Oortwolk voor: een reservoir van miljarden komeetachtige lichamen die overgebleven zijn na de vorming van het zonnestelsel en zich uitstrekt tot wel één à twee lichtjaar rondom het zonnestelsel. In 1951 werd het bestaan van de Kuipergordel gesuggereerd door de Nederlands-Amerikaanse Gerard Kuiper. Hier zouden de kortperiodieke kometen vandaan komen; dat wil zeggen de kometen met een omlooptijd van tussen de 50 en een paar duizend jaar en met de grootste concentratie van komeetlichamen net voorbij de baan van Neptunus. Inmiddels zijn er al verscheidene objecten tussen de afmetingen van kometen en Pluto in gevonden in deze gordels waarmee het bestaan hoogstwaarschijnlijk is bewezen.

Het vakgebied kosmologie werd met enorme sprongen voorwaarts gebracht in de 20e eeuw door het model van de oerknal. Een theorie die door bewijsmateriaal vanuit de astronomie en de natuurkunde wordt ondersteund, zoals de kosmische microgolf achtergrondstraling, de wet van Hubble en het relatieve voorkomen van de verschillende elementen in het heelal.

In 1995 werd bij de ster 51 Pegasi de eerste planeet buiten het zonnestelsel ontdekt met behulp van betere telescopen. In de daaropvolgende jaren zijn er nog veel meer van deze exoplaneten ontdekt.

Met de komst van de ruimtevaart zijn astronomische ontdekkingen in een grote versnelling terechtgekomen. Uit de algemene relativiteitstheorie volgt de mogelijkheid van het bestaan van zwarte gaten, die indirect worden waargenomen.

Waarnemingen[bewerken]

De koepels van het Keck-observatorium op Hawaï

Informatie over astronomische objecten kan alleen verkregen worden door waarnemingen. De meeste waarnemingen worden gedaan door middel van detectie en analyse van elektromagnetische straling, dus fotonen. Een andere informatiebron is de kosmische straling, zoals neutrino's. Verwacht wordt dat in de toekomst ook zwaartekrachtgolven informatie over kosmische gebeurtenissen aan ons kunnen overbrengen.

De optische astronomie maakt gebruik van zichtbaar licht. Het meest gebruikte instrument daarvoor is de telescoop, aangevuld met elektronische beeldverwerkingstechnieken en spectrogrammen.

De infraroodastronomie voert waarnemingen uit bij langere golflengten dan die van het zichtbare licht. Ook dit wordt gedaan met behulp van telescopen, die speciaal worden ontworpen voor het waarnemen van infrarood. Omdat infrarood licht sterk wordt geabsorbeerd door waterdamp, worden infraroodwaarnemingen meestal uitgevoerd op hoge locaties, bijvoorbeeld op een berg. Bekende hoge locaties zijn de observatoria op de Andes in Chili, op Hawaï en de Canarische Eilanden. Vroeger werden ook vaak instrumenten aan ballonnen gebruikt die op grote hoogte waarnemingen deden. De ruimtetelescoop heeft daarbij nog grotere voordelen, omdat daarmee nog meer ruis vanuit de atmosfeer kan worden geëlimineerd.

Radioastronomie gebruikt geheel andere instrumenten, namelijk radiotelescopen om radiostraling met een golflengte van millimeters of centimeters waar te nemen. De ontvangers lijken op de ontvangers voor normale radio-ontvangst. Momenteel bouwt ASTRON (Netherlands foundation for research in astronomy) de grootste radiotelescoop ter wereld, LOFAR genoemd.

Voor röntgenstraling, gammastraling en ultraviolette straling is de atmosfeer vrijwel ondoorzichtig, met uitzondering van een paar golflengten, waarvoor de atmosfeer wel transparant is. Deze waarnemingen worden dus veelal ook vanuit de ruimte gedaan, of vanuit luchtballonnen. De röntgenastronomie met behulp van vooral satellieten leidde tot vele nieuwe inzichten.

Sinds enige jaren wordt in het SETI-Project gezocht naar signalen uit het heelal die op ander leven duiden.

Beroemde astronomen en astrofysici[bewerken]

Christiaan Huygens

Hieronder zijn ook belangrijke wis- en natuurkundigen die bijdroegen aan de kennis van de hemellichamen en de werking van de kosmos. Zie ook de lijst van astronomen.

Astronomische onderwerpen op Wikipedia[bewerken]

Een kleine samenvatting voor geïnteresseerden is te vinden onder Inleiding tot de astronomie.

Over de volgende onderwerpen uit de astronomie en astrofysica is meer op Wikipedia te lezen: AardasAstronomische eenheidH-II-gebiedHeelalKuipergordelKunstmaanLichtjaarLichtsnelheidMaanMaansverduisteringMagnitudeMeteoorOortwolkParallaxPlaneetPlanetaire nevelPlanetoïdePrecessieRöntgenastronomie - SpectraalklasseSterrenbeeldSterrenkaart - Veranderlijke sterVenusovergangWetten van KeplerZonZonnestelselZonsverduistering.

Zie ook: Astronomie van A tot Z, een complete lijst met de astronomische onderwerpen.

Lijsten met sterren[bewerken]

Informatie over sterren is hier per beginletter te vinden:
A, B, C, D, E, F, G, H, I, J, K, L, M, N, O, P, Q, R, S, T, U, V, W, X, Y, Z

Ook via de sterrenbeelden en via de Categorie:ster zijn artikelen over sterren te vinden.

Externe links[bewerken]

Volkssterrenwachten[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Een van de oudste en best bewaarde tabletten is het zogenaamde Venus-tablet van Ammisaduqa, dat beschreven werd ten tijde van het heerserschap van koning Ammisaduqa van Babylon, ergens tussen 1646 en 1626 v.Chr. Hieruit wordt duidelijk dat aan de planeet Venus goede uitwerkingen werden toebedacht.