Jezus (historisch-kritisch)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Nuvola single chevron right.svg Dit artikel behandelt het historisch-kritische onderzoek naar de persoon Jezus van Nazareth en de resultaten daarvan. Voor de opvattingen over Jezus zoals die daarnaast feitelijk in allerlei kerken heersen, zie Jezus (traditioneel-christelijk).
Deel van een serie van artikelen over
Jezus
Christianity

Visies op Jezus, zie:

De historisch-kritische benadering van Jezus is de wetenschappelijke methode om het leven van Jezus van Nazareth historisch te reconstrueren. Deze methode bestaat voornamelijk uit kritische analyse van de bronnen en van de culturele en historische matrix van Jezus om zo te beargumenteren wat historisch is en wat niet.

Jezus van Nazaret (Aramees ישוע Jesjoea of Jesjoe`, Grieks Ἰησοῦς; Nazaret (?), ca. 5 v.Chr. (?) - Jeruzalem, 30 n.Chr.) was een Joodse profeet. Vanaf ongeveer 28 n.Chr. trad hij op in Galilea en Judea. Op bevel van de Romeinse prefect Pontius Pilatus werd hij in 30 (of 33) n.Chr. door Romeinse soldaten gekruisigd.

Geschiedenis van de historische Jezus[bewerken]

Sinds de Verlichting hebben mensen gepoogd Jezus op een rationeel-naturalistische wijze te benaderen. Baruch de Spinoza bijvoorbeeld schetst in zijn Theologisch-politiek Tractaat Christus als morele leraar, en verwerpt diens wonderen als verzinsels voor het gewone volk. Het onderzoek naar de historische Jezus bereikte een eerste hoogtepunt in de negentiende eeuw. Klassiek is David Strauss' Das Leben Jesu, kritisch bearbeitet (1835-1836), waarin Strauss betoogde dat de rabbi Jezus van Nazareth was opgetuigd met behulp van mythen. Het negentiende-eeuwse onderzoek werd grondig bekritiseerd door Albert Schweitzer in zijn Geschichte der Leben-Jesu-Forschung (1906/1913), waarin hij de meeste reconstructies ontmaskerde als projecties van de betreffende onderzoeker. Zelf zag hij de historische Jezus als een apocalyptische prediker.

In de negentiende eeuw, met uitlopers in de twintigste eeuw, verdedigde de Hollandse radicale school dat Jezus nooit bestaan heeft en dat de brieven van Paulus veel later gedateerd moesten worden. Een vertegenwoordiger van deze school was Gustaaf Adolf van den Bergh van Eysinga.

De nazi's propageerden de Arische Jezus (Walter Grundmann). Jezus zou niet afstammen van Joden, maar van heidense Galileeërs.

De eerste helft van de twintigste eeuw wordt gekenmerkt door het onderscheid tussen de historische Jezus en de verkondigde (kerygmatische) Christus (Martin Kähler, Rudolf Bultmann). Bultmann betoogde dat de historische Jezus onbelangrijk was voor het geloof, alleen dat hij bestaan had deed ertoe. Ernst Käsemann zette in 1954 het onderzoek naar de historische Jezus tegenover zijn leermeester Bultmann in Duitsland weer op de kaart.

In de laatste decennia van de twintigste eeuw en het begin van de eenentwintigste eeuw lijkt het Angelsaksische onderzoek de prominente plaats van het Duitse onderzoek te hebben overgenomen. Met name Ed P. Sanders' studie Jesus and Judaism (1985) was invloedrijk. Mede door de nieuwe informatie over het jodendom in de tijd van Jezus (de Dode Zee-rollen) en nieuwe vroegchristelijke teksten (de Nag Hammadigeschriften) ontstonden er verschillende reconstructies van de historische Jezus. Afhankelijk van de keuzes die de historicus hierbij maakt, is Jezus gereconstrueerd als rabbi, wijsheidsleraar, anti-Romeinse rebel, radicale godsdienstvernieuwer, messiaspretendent, Esseen, apocalyptische profeet, enzovoort. Dit geeft duidelijk aan hoe moeilijk het is om een objectief beeld van Jezus te krijgen. Toch meent een groot deel van de geleerden dat Jezus een apocalyptische profeet was, die de nabijheid van het koninkrijk van God verkondigde.[1]

Bronnen[bewerken]

Bijbelse bronnen[bewerken]

Voor de kennis van Jezus is men grotendeels aangewezen op de vier canonieke evangeliën (Matteüs, Marcus, Lucas, Johannes). Verder bevatten de Handelingen der Apostelen en de brieven aanvullende gegevens. Al deze geschriften zijn geschreven vanuit een (soms verschillende) religieuze visie op Jezus en (waarschijnlijk) niet door ooggetuigen van het leven van Jezus. Daarom, en omdat al deze teksten in het historisch-kritische onderzoek niet anders worden benaderd dan andere antieke teksten, is het noodzakelijk om met kritische methoden te schiften tussen historisch betrouwbare en onbetrouwbare gegevens. Naast bronnenkritiek gebruikt men hiervoor onder meer de analyse van de theologische ideeën die de schrijvers wilden overbrengen ('redactiekritiek' of Redaktionsgeschichte), en de reconstructie van de mondelinge overlevering ('vormkritiek' of Formgeschichte).

De onderlinge verhouding tussen de vier canonieke evangeliën, met name de eerste drie, die sterk op elkaar lijken, heeft verschillende theorieën opgeleverd ('bronnenkritiek'). Tegenwoordig gaan de meeste geleerden ervan uit dat Marcus ontstaan is rond het jaar 70 en gebruikt is door de schrijvers van Matteüs(circa 80) en Lucas (circa 90). Matteüs en Lucas hebben nog ander gemeenschappelijk materiaal, met name uitspraken van Jezus. Dit materiaal, bekend als bron Q, was waarschijnlijk een schriftelijke bron of misschien mondelinge traditie. Het Evangelie volgens Johannes, dat meer het karakter van een theologisch geschrift heeft dan de andere drie, dateert men tegenwoordig in 90-110 met als schrijver niet zozeer Johannes, maar de "Johanneïsche school."[2] Er bestaat verschil van mening over de vraag of Johannes afhankelijk is van de andere drie evangeliën en in hoeverre het vierde evangelie onafhankelijke tradities heeft bewaard.

De zeven onbetwiste brieven van Paulus zijn ouder dan de evangeliën (ca. 50-65 n.Chr.). Deze zijn niet bedoeld als historische verslagen van Jezus (Paulus heeft de historische Jezus ook nooit ontmoet), maar bevatten wel heel oude tradities, zoals de woorden van Jezus bij de maaltijd in de nacht waarin hij werd overgeleverd (1 Korintiërs 11).

Buiten-Bijbelse bronnen[bewerken]

Uit de jaren waarin Jezus geleefd zou hebben, zijn geen bronnen bekend die melding maken van Jezus. De eerste buiten-Bijbelse vermelding is een controversieel fragment uit 93/94 n.Chr. van geschiedschrijver Flavius Josephus.

Apocriefen van het Nieuwe Testament[bewerken]

De zogeheten apocriefe evangeliën - er zijn er 68 bekend - zijn van weinig waarde voor de historische Jezus. De meeste van deze teksten zijn verloren gegaan, maar uit de overgebleven fragmenten wordt duidelijk dat zij met veel zin voor mythologie, magie en fantasie de onbekende aspecten van Jezus' leven invullen (vooral uit zijn kinderjaren). De bewaard gebleven teksten dateren alle van na de canonieke evangeliën. Sommige ervan hebben grote invloed gehad op de volkse overleveringen. Zo stammen bijvoorbeeld de geboortegrot van Betlehem (waarboven de huidige Geboortekerk gebouwd werd) en de namen van Maria’s ouders, Joachim en Anna, uit het 2e-eeuwse apocriefe Proto-Evangelie van Jacobus. De os en de ezel in de stal komen uit het 5e-eeuwse Evangelie van pseudo-Matteus (door de schrijver zelf De geboorte van Maria en kindertijd van de Verlosser genoemd).

Mogelijke uitzonderingen zijn een fragment van het evangelie van Petrus, met wellicht enkele minieme historische herinneringen aan Jezus, en het bekendste van alle apocriefe evangeliën: het Koptische evangelie van Thomas. Dit laatste werd in 1945 bij het Egyptische dorp Nag-Hammadi ontdekt en is de vertaling van een 2e-eeuws Grieks origineel. Sommige onderzoekers veronderstellen dat het evangelie van Thomas uitspraken van Jezus bevat die teruggaan op oudere tradities dan de canonieke evangeliën. Het evangelie van Thomas bevat geen enkel verhaal over Jezus; biografische bijzonderheden kan men er dus niet in vinden.

Flavius Josephus[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Flavius Josephus over Jezus voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Het werk Joodse Oudheden (ca. 93/94 n.Chr.) van de Joodse historicus Flavius Josephus bevat twee verwijzingen naar Jezus. De eerste verwijzing is het Testimonium Flavianum, de andere verwijzing noemt ene Jezus als broer van Jakobus.

Aanhalingsteken openen

In die tijd leefde Jezus, een wijs man, [voor zover het geoorloofd is hem een man te noemen]. Hij verrichtte namelijk daden die onmogelijk geacht werden, en hij was leermeester van mensen die met vreugde [de waarheid] tot zich namen. [Hij was de Christus.] Ook nadat Pilatus hem op aanwijzing van de eerste mannen bij ons de straf van het kruis had opgelegd, gaven zij die het eerst in liefde waren gaan leven niet op. [Hij was namelijk aan hen verschenen op de derde dag, opnieuw levend. De goddelijke profeten hadden die dingen en ontelbare andere wonderlijke dingen over hem gezegd.] Tot op de dag van heden is de naar hem genoemde groep van de christenen niet verdwenen.[3]

Aanhalingsteken sluiten

De betrouwbaarheid van het Testimonium Flavianum is controversieel[4]. Volgens sommigen is de gehele tekst later toegevoegd. Volgens anderen zijn enkel de delen die hierboven tussen haken staan duidelijk later toegevoegd, terwijl de overige tekst een indruk geeft van de tekst van Josephus.

De tweede verwijzing naar Jezus gaat om de woorden "... de broer van Jezus die Christus wordt genoemd, genaamd Jakobus ..." (Joodse Oudheden 20.200). De authenticiteit van de frase "de broer van Jezus die Christus wordt genoemd" wordt door sommigen bestreden, maar is minder controversieel dan het Testimonium.[4]

Overige Joodse bronnen[bewerken]

Philo van Alexandrië (ca. 20 v.Chr tot ca. 40 n.Chr.) noemt Jezus niet. Ook in de apocriefen van het Oude Testament en de rollen van de Dode Zee, die (grotendeels) vóór Jezus' geboorte zijn geschreven, vindt men geen sporen van Jezus. Wel zijn deze bronnen van zeer groot belang voor de historische en religieuze matrix waarbinnen Jezus geleefd moet hebben.

In de rabbijnse bronnen (voornamelijk in de Babylonische Talmoed) komen enkele referenties naar Jezus voor, maar niet elke verwijzing is even duidelijk. Volgens Peter Schafer stammen de oudste daarvan uit het einde van de derde of het begin van de vierde eeuw na Chr. en kunnen ze verklaard worden als reacties op de canonieke evangeliën, met name het evangelie van Johannes.[5] Deze gegevens zijn daarom niet of nauwelijks van betekenis voor de historische Jezus.

Niet-Joodse bronnen[bewerken]

Spotprent van de Gekruisigde met een ezelskop; de tekst zegt Alexamenos aanbidt zijn god. Vermoedelijk rond A.D. 200. Gevonden: Domus Gelotiana Rome; nu in Musei Palatini.[6]

Plinius de Jongere schreef in 112 na Chr. een brief aan keizer Trajanus waarin hij de christenen beschrijft en Christus noemt.

Nuvola single chevron right.svg Zie Christenbestraffing rond 112 na Chr. voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Tacitus vertelt hoe Nero de schuld voor de brand van Rome in de schoenen van de christenen schuift. Daarbij geeft hij een korte uitweiding over de oorsprong van de christenen:

Aanhalingsteken openen

Auctor nominis eius Christus Tibero imperitante per procuratorem Pontium Pilatum supplicio adfectus erat; repressaque in praesens exitiablilis superstitio rursum erumpebat, non modo per Iudaeam, originem eius mali, sed per urbem etiam, quo cuncta undique atrocia aut pudenda confluunt celebranturque. De man aan wie deze naam ontleend is, Christus, was onder de regering van Tiberius door de landvoogd Pontius Pilatus ter dood gebracht en, hoewel dit verwerpelijke bijgeloof voor het moment onderdrukt was stak het toch weer de kop op, niet alleen in Judea, de bakermat van dit kwaad, maar ook in de stad, waarheen nu eenmaal van alle kanten alle afschuwelijks of schaamteloosheid bijeenkomt en in ere gehouden wordt. [7]

Aanhalingsteken sluiten

Dit bericht in Annales 15.44, geschreven rond 116, kan onafhankelijk zijn, maar bevat relatief weinig over Jezus behalve dat hij werd gekruisigd door Pontius Pilatus gedurende het bewind van Tiberius. Hij geeft Pilatus overigens de verkeerde titel: procurator in plaats van praefectus.

Suetonius schrijft in zijn Leven van Claudius (25.4):

Aanhalingsteken openen

Iudaeos impulsore Chresto assidue tumultuantes Roma expulit. Aangezien de Joden voortdurend opschudding veroorzaakten op instigatie van Chrestus, verbande hij [Claudius] hen uit Rome.[8]

Aanhalingsteken sluiten

Het is omstreden of deze Chrestus die rond 50 n.Chr. onrust zou hebben veroorzaakt onder de Joden te Rome, geïdentificeerd moet worden met Christus.

Lucianus van Samosata leefde nog later in de tweede eeuw. Hij geeft in De dood van Peregrinus een sarcastische beschrijving van christenen en noemt hun "wetgever" "de man die in Palestina gekruisigd werd."

Koran[bewerken]

De Koran verschaft weinig informatie over Jezus, hoewel hij daarin voorkomt als profeet. De Koran komt te laat om als bron voor de historische Jezus te kunnen gelden.

Criteria voor authenticiteit[bewerken]

Het is de taak van exegeten en historici te schiften tussen betrouwbaar en onbetrouwbaar materiaal. De evangeliën zijn volgens velen onderhevig aan een hoge graad van legendevorming, zeker naarmate de bronnen jonger (dat wil zeggen later geschreven) zijn. In de loop van de geschiedenis van het onderzoek zijn er verschillende criteria ontwikkeld, waarmee 'authentiek' materiaal onderscheiden zou kunnen worden. In het algemeen is de stelregel: hoe vroeger de bron, hoe beter. En: houd rekening met de (verborgen) agenda van de auteur.

  • Discontinuïteit en/of originaliteit: Materiaal dat niet in het contemporaine jodendom en ook niet in het vroegste christendom past, kan van Jezus afkomstig zijn.
  • Meervoudig onafhankelijk getuigenis: Als gelijkluidend materiaal in meerdere onafhankelijke bronnen en/of in meerdere genres (zoals spreuken, verhalen, gelijkenissen) voorkomt, verhoogt dat de waarschijnlijkheid van authenticiteit.
  • Verlegenheid: Materiaal dat de vroegste christenen in verlegenheid zou kunnen brengen, kan teruggaan op Jezus.
  • Coherentie of Contextuele plausibiliteit: Materiaal dat past in het reeds gewonnen beeld van de historische Jezus, zou ook authentiek kunnen zijn.
  • Verwerping en executie: De reconstructie van Jezus moet een plausibele verklaring voor de kruisdood geven.
  • Verder: ‘sporen van Aramees’ in de bronnen; ‘couleur locale’; ‘levendige verhaaltrant’; ‘tendenzen van de evoluerende synoptische traditie’.[9]

Deze criteria zijn overigens eerder vuistregels dan formules. In het recente onderzoek is meer nadruk komen liggen op de rol van het geheugen en herinnering. Als gevolg daarvan is men sceptischer over de mogelijkheid om losse spreuken en verhalen voor authentiek te verklaren en verwacht men eerder dat de grote lijn die door verschillende herinneringen loopt betrouwbaar is.[10]

De persoon Jezus[bewerken]

Het bestaan van Jezus[bewerken]

Over het bestaan van de historische mens Jezus bestaat onder vrijwel alle deskundigen geen serieuze twijfel meer.[11][12][13][14][15][16][17][18][19][20][21] Daar zijn verschillende redenen voor. Ten eerste zijn Paulus, Marcus en (de weliswaar hypothetische) bron Q van elkaar onafhankelijke getuigenissen over de historische mens Jezus binnen circa veertig jaar na zijn dood. Ten tweede presenteren de bronnen die binnen een eeuw na Jezus' dood zijn geschreven[22], hem als een figuur uit het recente verleden die past in de context van zijn tijd.[23]

Twee sleutelgegevens zijn lastig te verklaren zonder historische Jezus aan te nemen. Het eerste gegeven is dat Paulus de voornaamste leerling van Jezus, Petrus, en Jezus' broer, Jakobus, kende.[24] Het tweede gegeven is dat het onwaarschijnlijk is dat de vroegste christenen de vernederende kruisdood zouden hebben verzonnen voor hun messias.[25]

Dat er een historische persoon ten grondslag ligt aan de verschillende bronnen over Jezus, is de meest eenvoudige verklaring (zie Ockhams scheermes).[26] Alternatieve theorieën die moeten verklaren hoe Jezus verzonnen zou zijn, hebben de toets der kritiek (nog) niet doorstaan.[27] Volgens prominent Jezusmythicus Richard Carrier is er "een handvol geleerden met kwalificaties binnen deze discipline" die menen dat Jezus niet bestaan heeft, maar de meeste geleerden (zoals Bart D. Ehrman) volgen "nog steeds de oude traditionele opvatting dat er een historische Jezus is geweest."[21]

Het niet-bestaan van Jezus[bewerken]

Hoewel vrijwel alle deskundigen aannemen dat een historische Jezus heeft bestaan, verdedigen een aantal deskundigen dat het bestaan van Jezus een mythe is. Met name Robert M. Price en Richard Carrier verdedigen deze opvatting.[28][29][30][31][32]

De redenering die onder andere Carrier verdedigt is deze: dat Paulus enkel schrijft over Jezus als over een spirituele of geestelijke persoon, zoals binnen de gnostiek; dat het in die tijd gebruikelijk was om in dergelijke spirituele verlossers te geloven; dat het Marcusevangelie deze spirituele verlosser een aards leven gaf, onder meer op basis van bestaande mythologische geschiedenissen; en dat het in die tijd niet ongewoon was om een dergelijke aardse biografie te schrijven over een fictief persoon.

Over de betekenis van het fragment Jakobus, de broer van de Heer, uit de brief van Paulus, schrijft Carrier dat het onwaarschijnlijk is dat Paulus een biologische broer bedoelt, onder meer omdat uit het N.T. duidelijk blijkt dat broer van de Heer een gebruikelijke benaming was voor medechristenen.[33] Over de suggestie dat de vroegste christenen geen vernederende kruisdood zouden hebben verzonnen voor hun messias, schrijft Carrier dat geloof in een gekruisigde martelaar (zoals ook Johannes de Doper) juist aantrekkingskracht had voor bepaalde bevolkingsgroepen, vooral als deze vervolgens door God werd opgewekt en verheerlijkt.[34]

Ook verdedigen Carrier en anderen dat er geen primaire bronnen bestaan die het bestaan van een historische Jezus ondersteunen, en überhaupt geen buiten-Bijbelse bronnen uit de eerste eeuw; het Testimonium Flavianum wordt door hen beschouwd als een latere toevoeging of vervalsing. Gezien de mate waarin bronnen uit die tijd bewaard zijn gebleven, is het volgens hen zeer aannemelijk dat dergelijke bronnen wel zouden bestaan als een historische Jezus daadwerkelijk had geleefd. De alternatieve hypothese dat Jezus niet echt heeft geleefd, maar is verzonnen, past volgens hen daarom beter bij de historische bronnen.

Algemeen aanvaard levenskader[bewerken]

E.P. Sanders (Duke University) heeft een lijst[35][9] opgesteld van in het historisch-kritisch onderzoek nagenoeg algemeen aanvaarde gegevens over het levenskader van Jezus:

  • Jezus is geboren ca 4 v.Chr., rond de tijd dat Herodes de Grote stierf.
  • Hij bracht zijn kinder- en jeugdjaren door in Nazareth in Galilea.
  • Hij werd gedoopt door Johannes de Doper.
  • Hij verzamelde leerlingen om zich heen.
  • Hij onderwees in kleine steden en dorpen en op het platteland.
  • Hij verkondigde 'het koninkrijk van God.'
  • Rond het jaar 30 ging hij naar Jeruzalem voor het joodse paasfeest.
  • Hij verwekte opschudding in de tempel.
  • Hij hield een laatste maaltijd met zijn leerlingen.
  • Hij werd gevangengenomen en ondervraagd door joodse gezagdragers in Jeruzalem.
  • Hij werd terechtgesteld op bevel van de Romeinse landvoogd Pontius Pilatus.[36][37]

Namen en titels[bewerken]

De naam Jezus is via het Grieks afgeleid van het Hebreeuwse Jehosjoea (Jozua) of het Hebreeuws-Aramese Jesjoea. De betekenis is 'JHWH is redding' of 'De Heer is redding'. Volgens de joodse conventies van toentertijd was hij wellicht oorspronkelijk bekend als Jesjoea ben Josef (Jezus de zoon van Jozef). In de evangeliën staat soms ook zijn plaats van herkomst bij de naam Jezus: Jezus van Nazareth of Jezus de Nazarener.

Jezus was een van de meest voorkomende joodse namen in Palestina rond het begin van de jaartelling. Er is wel geopperd dat de Bijbelse Jezus een samenvoeging is van diverse Jezussen. (Dit verschijnsel van het toeschrijven van gebeurtenissen of avonturen van vele personen aan één persoon of held heet in de literatuurwetenschap epische verdichting.)

De titel Christus is de gelatiniseerde weergave van het Griekse woord Χριστός (Christos), dat de Griekse vertaling van het Hebreeuwse masjie'ach (gezalfde) is. In het Nederlands wordt ook vaak de Griekse verbastering messias gebruikt. Het woord gezalfde wordt in de joodse traditie gebruikt voor koningen, priesters en profeten. In sommige joodse kringen ontstond in de tweede of eerste eeuw voor Christus de verwachting dat uiteindelijk een afstammeling van David, gezalfd door God, de troon zou bestijgen en Israël in oude glorie zou herstellen.[38] Of Jezus zelf claimde deze messias te zijn, is onzeker. Wel is waarschijnlijk dat sommige volgelingen al bij zijn leven dachten dat hij de messias was.[39] Zeker is dat later de volgelingen die geloofden in Jezus' opstanding, (veelal) ook geloofden dat Jezus de messias was. De titel messias werd al snel tot een tweede naam voor Jezus en hij staat daarom onder christenen bekend als Jezus Christus of Christus Jezus.

Volgens veel moderne exegeten is er geen aanleiding aan te nemen dat Jezus ooit heeft beweerd Zoon van God te zijn.[9] De titel Zoon van God hoeft overigens niet noodzakelijk een goddelijke status aan te duiden. In de joodse traditie kon Israël zelf, de koning of een bijzondere rechtvaardige zoon van God heten.[40] Wel is waarschijnlijk dat Jezus God zijn Vader noemde en een bijzondere verhouding met God meende te hebben.

Geboorte en jeugd[bewerken]

Geboortejaar[bewerken]

Over de eerste dertig jaar van Jezus' leven valt nauwelijks iets te zeggen. Ook de bepaling van zijn geboortejaar blijft speculatief. Traditioneel werd aangenomen dat Jezus geboren was in het jaar 1, gebaseerd op de berekeningen van Dionysius Exiguus rond 525. Maar als het klopt dat Herodes de Grote nog leefde toen Jezus werd geboren, moet de laatste vóór 4 v.Chr. geboren zijn.[41] Anderzijds verbindt Lucas de geboorte aan de census van Quirinius (6/7 na Chr.). Veel historici hebben geconcludeerd dat het jaar 6 à 7 voor het begin van onze jaartelling het meest waarschijnlijke jaar van Jezus' geboorte is. Maar de enige zekerheid is dat Jezus is geboren tijdens het bewind van keizer Augustus.[42] De precieze geboortedatum van Jezus is niet bekend, de datum 25 december steunt niet op Bijbelse of historische bronnen.

Geboorteplaats[bewerken]

Binnen de christelijke traditie wordt in navolging van de evangeliën van Matteüs en Lucas Bethlehem als geboorteplaats van Jezus beschouwd. De profeet Micha voorspelde dat het koningshuis van David hernieuwd zou worden met een persoon uit Bethlehem-Efrata in de bergen van Judea.[43] Hierin zien veel christenen een teken dat Jezus de Messias zou zijn. Vanuit historisch-kritisch perspectief is de voorstelling van de geboorte van Jezus in Bethlehem naar alle waarschijnlijkheid ontstaan om de voorspelling uit te laten komen. Matteüs en Lucas geven deze opvatting verschillend vorm. Volgens Lucas woonden de ouders van Jezus, Jozef en Maria, aanvankelijk in Nazareth en gingen zij kort vóór de geboorte van Jezus naar Bethlehem vanwege een volkstelling.[44] Maar volgens Matteüs vestigden zij zich pas in Nazareth na de dood van Herodes I en hun terugkeer uit Egypte, uit vrees voor de nieuwe koning van Judea, Herodes Archelaüs, de zoon van Herodes, waarmee hij dus lijkt te zeggen dat de eerdere woonplaats Bethlehem was.

Nazareth lijkt de beste gissing voor de geboorteplaats van Jezus.[bron?] Als alternatief wijzen sommigen naar Bethlehem in Galilea[45], omdat Bethlehem in Judea volgens sommigen überhaupt niet in aanmerking zou komen wegens het ontbreken van archeologisch bewijs van bewoning rond de tijd van Jezus in de stad Bethlehem in Judea.[46]

Afkomst[bewerken]

De genealogieën van Jezus in Matteüs en Lucas komen onderling niet overeen, maar wijzen beide naar de lijn van Jezus naar David. Aangezien de genealogieën echter behoorlijk afwijken, kan dit als een theologische constructie beschouwd worden.

Moedertaal en geletterdheid[bewerken]

De talen van Romeins Palestina zijn een complex fenomeen, omdat dit gebied blootgesteld is geweest aan verschillende internationale talen.[47] Aramees werd door Joden het meest gebruikt en daarom is de gangbare veronderstelling dat Jezus Aramees sprak. Dit wordt bevestigd door Aramese citaten van Jezus in de Griekse manuscripten (bijvoorbeeld Talita koem: 'Meisje ik zeg je, sta op!'; Marcus 5:41).[48] Het kan niet helemaal uitgesloten worden dat Jezus ook een Hebreeuws dialect sprak, noch dat hij enige basiskennis van Grieks had. Grieks was de lingua franca van het oostelijke Middellandse Zeegebied en in de westelijke grote steden van het Romeinse Rijk. Latijn sprak men alleen in Afrika en ten westen van Rome, maar het Romeinse bestuur in het oosten hanteerde doorgaans het Grieks als bestuurstaal.[49]

Niets wijst er op dat Jezus een hoge opleiding gehad heeft. De meeste mensen uit zijn tijd konden niet lezen of schrijven. Als argument dat Jezus uit de Hebreeuwse Bijbel kon lezen, brengt men naar voren dat in elk geval in de rabbijnse tijd volwassen Joodse mannen werden geacht die te kunnen lezen, en dat in de evangelieverhalen door Jezus verwezen wordt naar het lezen van de Schriften.[50] Als Jezus niet kon lezen of schrijven betekent dat in zijn historische context niet dat hij de Hebreeuwse Bijbel niet kende.[51]

Openbare optreden[bewerken]

Johannes de Doper[bewerken]

De doop door Johannes de Doper, omstreeks het jaar 26, is het moment waarop de gezamenlijke evangeliën een consistenter beeld over Jezus' leven bieden. Het is het moment waarop Jezus in de openbaarheid trad.

Johannes de Doper was een populaire religieuze leraar uit die tijd. Volgens het Mattheus- en Lucas-evangelie was hij een neef van Jezus, maar de evangelisten Marcus en Johannes vermelden dit niet. Johannes de Doper doopte talrijke mensen in de Jordaan als symbool van de verlossing van hun zonden. Een dergelijk ritueel is bij de mandaeërs nog steeds in zwang. Zij beschouwen Johannes als de belangrijkste leraar uit hun traditie en Jezus als iemand die uit hun kring voortkwam, maar zich ontpopte als een verrader.

Prediking[bewerken]

Na de doop door Johannes de Doper hield Jezus zich bezig met het prediken van zijn boodschap in de streek Galilea. Hij predikte in synagogen, bij mensen thuis en in de open lucht. De evangeliën spreken ook van discussies tussen Jezus en diverse schriftgeleerden. Men gaat ervan uit dat de totale tijd van Jezus' prediking ongeveer drie jaar in beslag heeft genomen.

De Bijbel spreekt van de omgang van Jezus met destijds in het algemeen geminachte mensen, zoals prostituees en tollenaars. Een centrale rol in de prediking van Jezus was het nabije Koninkrijk van God, een profetische traditie die al in de dagen van Jezus enkele eeuwen oud was (vgl. Amos). In zijn prediking betrok Jezus de joodse verwachting van Gods Koninkrijk op zichzelf. Uitgestotenen en armen waren blijkbaar een belangrijke of zelfs belangrijkste groep die door Jezus werd aangesproken.

Jezus stond in zijn prediking niet alleen. Een groep van mensen reisde met hem mee op zijn voettochten door het land. Hierbij hadden volgens de Bijbel twaalf discipelen een speciale plaats. De meesten van hen waren vissers uit Galilea. Zij ontvingen onderricht van Jezus.

Een religieuze Jood[bewerken]

Jezus was een religieuze, in Galilea opgegroeide Jood.[52][53][54] Hij wordt door zijn volgelingen rabbi, leraar, genoemd en gedraagt zich als leraar. Veel van zijn uitspraken doen vermoeden dat hij het grotendeels eens was met de milde Hillel, alleen op het punt van echtscheiding is hij net zo streng als Sjammai. Volgens de evangeliën had Jezus er geen problemen mee, om doden, melaatsen, vrouwen met een vloeiing aan te raken, waarmee hij zich ritueel verontreinigde. Uit de evangeliën komt naar voren dat hij innerlijke reinheid belangrijker vond. Opvallend is dat Jezus eigenlijk alleen beschreven wordt op het platteland, in kleine dorpjes als Kana, Nazaret, Kapernaüm, Betsaïda, Naïn. Vrijwel nooit zien we hem in de heidense steden die de Herodianen hadden gebouwd, zoals Sepphoris; Caaesarea, Tiberias.

Parabels[bewerken]

Jezus verkondigde zijn leer vaak in de vorm van een parabel of gelijkenis. Het verhaal sluit aan op concrete omstandigheden, maar Jezus gaf er vanuit zijn gezichtspunt en boodschap een andere wending aan en leerde de mensen daarmee de Joodse wetten goed na te leven. Zoals het verhaal van de barmhartige Samaritaan. Veel parabels van Jezus worden echter uitgelegd alsof ze een allegorie zijn.[55][56]

Eschatologie[bewerken]

Jezus en de discipelen gaan er van uit dat het koningschap van God aanstaande is; uit de Dode Zee-rollen is bekend dat deze verwachting breed leefde, wat de reactie van het onder Romeinse bezetting levende publiek, van de discipelen, maar ook van de Joodse elite verklaart. Velen lijken de spanning tussen het komende koninkrijk van de hemel, dat nu al vorm krijgt, en dat anderzijds toch nog afwacht, niet begrepen te hebben.[57][58]

Wonderdoener[bewerken]

Aan weinig andere historische personen worden zoveel wonderen toegeschreven als aan Jezus. Hij genas onder meer zieken en gehandicapten[59], wierp duivelen uit[60], deed doden herleven[61] en had macht over de natuur[62]. Vanuit een historisch-kritisch perspectief is Jezus als wonderdoener niet uniek. Wonderdoeners worden vaker beschreven in de oudheid (zoals bij Pythagoras), en ook rond de tijd van Jezus in Palestina.[63]

De tendens in de overlevering van de (apocriefe) evangeliën is dat hoe jonger de bron is, des te spectaculairder de wonderen van Jezus zijn. In de vroegste lagen van de traditie komt Jezus vaak voor als genezer en exorcist. Deze reputatie reflecteert waarschijnlijk het historische gegeven dat Jezus inderdaad als genezer en exorcist optrad.[64]

Jezus' dood[bewerken]

Naar Jeruzalem[bewerken]

Uiteindelijk reist Jezus naar Jeruzalem, waar hij niet onopgemerkt verblijft. Volgens de verslagen van de evangelisten maakt hij zijn entree zoals het een messias betaamt: hij rijdt de stad binnen op een ezel en wordt door het volk toegejuicht, die in hem de koning ziet die de strijd zal opnemen tegen de Romeinen. Vervolgens raakt hij in het zoveelste debat met de religieuze leiders verzeild, die in hem juist een gevaar zien voor hun macht. Deze Joodse religieuze macht, in de vorm van het Sanhedrin, neemt Jezus uiteindelijk gevangen omdat hun volgelingen in groten getale achter hem aangaan. In het Evangelie volgens Markus is echter te lezen dat Jezus door het Sanhedrin veroordeeld is, omdat beweerd werd dat hij de Messias was. Omdat het Sanhedrin de doodstraf niet mocht uitvoeren, die wel door hen werd geëist, wordt Jezus overgeleverd aan de Romeinse machthebber Pontius Pilatus. Volgens de Bijbel wordt Jezus door hem onschuldig verklaard, maar uit angst voor een opstand van het Joodse volk uiteindelijk toch ter dood gebracht door middel van kruisiging. Er werd voor kruisigen gekozen, aangezien dit een zeer oneervolle manier van doden was. Het werd ook alleen gebruikt voor niet-Romeinen, zoals slaven, vijanden of criminelen. Hieruit blijkt dus dat Jezus gezien werd als een vijand voor de Romeinse staat.

Sterfdatum[bewerken]

Evenals bij Jezus' geboortedatum, is er over zijn sterfdatum geen zekerheid. Deze viel in elk geval in de periode van het bewind van Pontius Pilatus, die van 26 tot 36 na Chr. praefectus was van Judea. Volgens de canonieke evangeliën stierf Jezus op een vrijdag. Volgens de eerste drie evangeliën (Matteüs, Marcus en Lucas) was dit de vijftiende dag van de joodse maand nisan.[65] Maar bij Johannes was het vrijdag de veertiende nisan.[66] Met de aanname dat een van beiden klopt, komen de jaren 27, (31) en 34 (synoptici) of de jaren 30 en 33 (Johannes) in aanmerking.[67] Men gaat er over het algemeen van uit dat het jaar 30 of 33 het meest waarschijnlijke sterfjaar is.

De (zons)verduistering en de aardbeving in het kruisigingsverhaal zijn legendarisch: het was gebruikelijk post factum zulke natuurfenomenen te hechten aan de dood van belangrijke historische figuren. Een zonsverduistering is niet waarschijnlijk, omdat deze niet enkele uren duurt, zoals in het verhaal. Bovendien valt het paasfeest samen met volle maan.[68] Astronomische berekeningen aan de hand van deze vermeende zonsverduistering hebben historisch-kritisch dus geen waarde.

Opstanding[bewerken]

De verhalen over de opstanding hebben twee onderwerpen:

  • De ontdekking dat het graf leeg is (alle vier de evangeliën).
  • Verschijningen van de opgestane Jezus (Matteüs, Lucas, Johannes).

De brief 1 Korintiërs van Paulus uit ca. 56 na Chr. bevat in hoofdstuk 15 het oudste geschreven bericht van de opstanding. Paulus vermeldt dat Christus is gestorven en begraven en daarna is opgestaan en verschenen aan verschillende (groepen) volgelingen.

Aanhalingsteken openen

3 Het belangrijkste dat ik u heb doorgegeven, heb ik op mijn beurt ook weer ontvangen: dat Christus voor onze zonden is gestorven, zoals in de Schriften staat, 4 dat hij is begraven en op de derde dag is opgewekt, zoals in de Schriften staat, 5 en dat hij is verschenen aan Kefas en vervolgens aan de twaalf leerlingen. 6 Daarna is hij verschenen aan meer dan vijfhonderd broeders en zusters tegelijk, van wie er enkelen gestorven zijn, maar de meesten nu nog leven. 7 Vervolgens is hij aan Jakobus verschenen en daarna aan alle apostelen.[69]

Aanhalingsteken sluiten

Paulus citeert hier een traditie die hij ook zelf weer heeft ontvangen. Meestal beschouwt men 1 Kor. 15:3b-5a als oudere traditie.[70] Paulus noemt ook zichzelf als getuige van de opgestane, daarmee doelend op een visioen dat hij bij zijn roeping had.[71]

Het Evangelie volgens Marcus eindigt abrupt in Marcus 16:8 bij de ontdekking van het lege graf. In tweede instantie zijn er twee eindes aan geschreven, een kort en een lang. Beide ontbreken in de oudste handschriften. Het langste slot doet verslag van een ontmoetingen met de opgestane Jezus.[72] Zie voor de mogelijke herkomst van dit slot Marcus 16.

Onder meer omdat Paulus nergens het lege graf vermeldt, betwijfelen veel wetenschappers de historische betrouwbaarheid van het verhaal over het lege graf. Wel is het algemeen geaccepteerd dat volgelingen van Jezus ervaringen hadden, die ze interpreteerden als verschijningen van Jezus. Vaak wijst men ter vergelijking op het feit dat rouwende mensen realistisch schijnende verschijningen kunnen zien van overleden geliefden.

De vergoddelijking van Jezus[bewerken]

De godsdienstsocioloog John G. Gager paste voor het eerst de theorie van de cognitieve dissonantie van Leon Festinger toe op de kwestie Jezus.[73] De kern van deze theorie zegt dat wanneer een voorspelling niet uitkomt, het geloof in de voorspelling toeneemt, afhankelijk van het commitment van de gelovigen. Deze toename vindt plaats via een herinterpretatie van de boodschap (bijvoorbeeld het opschorten van de voorspelling). Het uitblijven van de voorspelling geeft immers cognitieve dissonantie, en dissonantie moet worden gereduceerd ter immunisering van het geloof. Festinger zelf dacht dat zijn theorie niet kon toegepast worden op het vroege christendom.[74] Die toepassingen kwamen er toch naarmate door latere deskundigen meer kennis verworven werd over deze periode. Toegepast op Jezus beargumenteert John G. Gager dat het vroege christendom een kleine millennialistische groepering was die het einde van de wereld verwachtte (‘Het Rijk Gods is nabij’). Die eindtijd bleef echter uit, en werd vervolgens wegverklaard met "de noodzaak van een wereldwijde prediking en proselytisme". Bij Paulus (ca. 50-56) is er al een bezorgdheid over het uitblijven van het Rijk Gods merkbaar; bij Marcus 13:10 (ca. 70) moet "het Evangelie eerst gepredikt worden onder al de volkeren". Meer concreet voltrok dit proces zich volgens Gager in twee fasen. Eerst is er een verandering in de aard van de messias-verwachting: men verwachtte in het jodendom van die tijd altijd een succesvolle messias, maar er gebeurde niets, dus is men de kruisdood als het doel gaan voorstellen. Men verwachtte wel nog het directe einde van de wereld bij de naderende wederkomst van Jezus. Toen vervolgens ook die wederkomst uitbleef, is men de boodschap gaan veranderen tot "eerst moet de hele wereld geëvangeliseerd worden" en dan zal de wereld ten einde lopen.[75]

Literatuur[bewerken]

Chronologisch:

Zie ook[bewerken]

Bronnen

Noten

  1. Dale C. Allison Jr., (2010) et passim.
  2. Bijbelse encyclopedie, Kok Kampen, 1979, p. 678; 419. Studiebijbel NBV. NBG/KBS 2008, p. 1763; 1905.
  3. Flavius Josephus, Joodse Oudheden 18, 3.3/63-64. Nederlandse vertaling: Flavius Josephus, De Oude Geschiedenis van de Joden Deel 3 (vert. F.J.A.M. Meijer en M.A. Wes). Amsterdam: Ambo, 1998. Vgl. F.F. Bruce, De betrouwbaarheid der schriften van het Nieuwe Testament. Telos Nederland 1977.
  4. a b Peter Kirby.
  5. Peter Schafer, Jesus in the Talmud. Princeton 2007, p. 8.
  6. Spotprent in Musei Palatini
  7. Tacitus, Ann. 15.44. Vertaling Ben Bijnsdorp.
  8. LacusCurtius.
  9. a b c Peter Schmidt, '"De historische Jezus". Kunnen we er wel iets over weten?', Wonder en is gheen wonder 2 (2002).
  10. Dale C. Allison Jr., (2010), p. 1-11; 17.
  11. Albert Schweitzer, Geschichte der Leben-Jesu-Forschung. Tübingen 2e druk 1913, 498-564. Schweitzer concludeert na een uitgebreid onderzoek: Es ist also zu schliessen, dass die Annahme, Jesus habe existiert, überaus wahrscheinlich, ihr Gegenteil aber überaus unwahrscheinlch ist (p. 564).
  12. S. J. Case, The Historicity of Jesus: A Criticism of the Contention that Jesus Never Lived, a Statement of the Evidence for His Existence, an Estimate of His Relation to Christianity. Chicago 1912; 2e druk 1928.
  13. M. Goguel, Jesus the Nazarene: Myth or History? 1925. Trans. F. Stevens. London/New York 1926. With a new introduction by R. Joseph Hoffmann, New York 2006.
  14. Robert E. Van Voorst, Jesus Outside the New Testament: An Introduction to the Ancient Evidence. 2000. ISBN 0-8028-4368-9, p. 16 stelt: "Biblical scholars and classical historians regard theories of non-existence of Jesus as effectively refuted."
  15. Michael Grant (classicus) stelt dat recentelijk "no serious scholar has ventured to postulate the non-historicity of Jesus or at any rate very few, and they have not succeeded in disposing of the much stronger, indeed very abundant, evidence to the contrary." Michael Grant, Jesus 2004 ISBN 1898799881, p. 200.
  16. Encyclopedia of Religion, red. L. Jones, Macmillan Reference USA, 2005, ISBN 0028657330. Artikel 'The Historical Jesus': "Some [...] argued [...] that Jesus was not a historical figure who attracted myths but was rather a myth himself, no more ideal than Zeus. The future was not, however, with such radicalism, which could never really explain Paul or Josephus's two references to Jesus."
  17. Maurice Casey 2010, 21-45.
  18. Gerd Theissen en Anette Merz, Der Historische Jesus. 4e druk 2011, 96-122.
  19. Bart D. Ehrman, Did Jesus Exist? The Historical Argument for Jesus of Nazareth. New York: HarperCollins 2012.
  20. Maurice Casey, Jesus. Evidence and Argument or Mythicist Myths? Londen 2014. Casey zegt op p. 1: Some way into the twentieth century, competent New Testament scholars believed that it [i.e. the view that Jesus did not exist] had been decisively refuted.
  21. a b (en) Seth Andrews. TTA Podcast 101 - Did Jesus Exist (with Dr. Richard Carrier). The Thinking Atheist Geraadpleegd op 30 april 2014 (11:52–12:26)
  22. Flavius Josephus en de verschillende Bijbelse bronnen.
  23. Dat aan Jezus ongeloofwaardige dingen worden toegeschreven, is geen reden hem tot mythisch figuur te verklaren, want aan vele andere historische personen, zoals Pythagoras, Empedocles of Apollonius van Tyana en zelfs Vespasianus(P. Cornelius Tacitus, Historiae IV-81) worden vergelijkbare wonderen toegeschreven.
  24. Paulus had hen naar eigen zeggen in circa 35 na Chr. in Jeruzalem ook ontmoet. (Hij schrijft rond 56 na Chr. dat hij in circa 35 na Chr. in Jeruzalem met Petrus en Jakobus, broer van de Heer (dat wil zeggen van Jezus), gesproken heeft; zie Galaten 1:15-20 (NBV) en verder 1 Korintiërs 1:12; 3:22; 9:5; 15:5; Galaten 1-2.
  25. Onder de Joden bestond geen verwachting dat de messias moest lijden, vgl. Lucas 24:19-21.25-27 (NBV). Volgens Paulus was de gekruisigde Christus voor de Joden aanstootgevend; 1 Korintiërs 1:23 (NBV).
  26. Vgl. Steve Mason, Josephus and the New Testament (2e herziene druk 2003), p. 236: "Most historians agree that Jesus' existence is the only adequate explanation of the many independent traditions among the NT writings."
  27. Zie bv. de theorie van Richard Carrier, Proving History, (2012). Een weerlegging van o.a. Carriers positie is te vinden in Maurice Casey, Jesus. Evidence and Argument or Mythicist Myths? Londen 2014. Zie ook een reactie hierop door Carrier
  28. G. A. Wells, The Jesus Myth, Open Court, 1998.
  29. Robert M. Price, Deconstructing Jesus, Promotheus Books, 2000.
  30. Robert M. Price, The Christ-Myth Theory And Its Problems, American Atheist Press, 2012.
  31. Richard Carrier, Proving History: Bayes's Theorem and the Quest for the Historical Jesus, Promotheus Books, 2012.
  32. Richard Carrier, On the Historicity of Jesus, Sheffield Phoenix Press, 2014.
  33. Richard Carrier.
  34. Richard Carrier.
  35. E.P. Sanders (1993), Nederlandse vertaling: Jezus, mythe en werkelijkheid (1996), p. 19-20.
  36. Tacitus, Ab excessu divi Augusti, XV-44
  37. Flavius Josephus, Antiquitates Judaicae, III-3
  38. Bijv. Psalmen van Salomo 17.
  39. H.J. de Jonge, ‘De visie van de historische Jezus op zichzelf’, in: J.P. Heering e.a. (eds.), Jezus' visie op Zichzelf. In discussie met De Jonge’s christologie (Leidse Lezingen). Nijkerk 1991, 48-64.
  40. Respectievelijk Hosea 11:1; Psalm 2 en Wijsheid 2:10-16.
  41. Zie Matteüs 2 en Lucas 1:5.
  42. H.J. de Jonge, 'Christelijke jaartelling als geraamte van de geschiedenis', Reformatorisch Dagblad (20 december 2007).
  43. Micha 5:1.
  44. Lucas 2: 2-4. Maar waarschijnlijk heeft Lucas de volkstelling onder Publius Sulpicius Quirinius ongeveer tien jaar te vroeg gedateerd.
  45. Bruce D. Chilton 'Recovering Jesus' Mamzerut', in: James H. Charlesworth (ed.), Jesus and Archaeology. 2006, p. 84-110; hier 95-96. Vgl. Bruce Chilton, 'The Mamzer Jesus and His Birth'.
  46. Zie Awieram Oshri van het Israëlisch Archeologisch Instituut, 'Where was Jesus born', Archaeology 58.6 (2005), Samenvatting.
  47. Willem Smelik, ‘The Languages of Roman Palestine’, in: Catherine Hezser (ed.), The Oxford handbook of Jewish daily life in Roman Palestine. Oxford 2010, p. 122-141.
  48. Aramese citaten of woorden worden overigens soms gepresenteerd als Hebreeuws in de evangeliën, bijvoorbeeld Joh. 19:13. De theorie dat de Griekse evangeliën vertalingen zijn van Aramese evangeliën, wordt door geleerden doorgaans afgewezen.
  49. M.C. Tenney, New Testament Survey Revised. 1988, IVP-Eerdmans, p. 54
  50. Maurice Casey (2010), p. 158-162; Theissen en Merz (1998), p. 354. Aanwijzingen: Marcus 1:39 ("En hij ging prediken in hun synagogen..."), 2:25 ("Hebt gij nooit gelezen wat David gedaan heeft?", 12:10 ("Hebt gij ook dit Schriftwoord niet gelezen?..."); Matteüs 12:5 ("Of hebt gij niet gelezen in de wet..?"), 19:4 ("Hebt gij niet gelezen dat de Schepper...?"), 21:16 ("Hebt gij nooit gelezen...?"); Lucas 4:16 (...Hij...stond op om voor te lezen); Johannes 7:15 (De Joden ... zeiden: "Hoe is deze zo geleerd zonder onderricht te hebben ontvangen?").
  51. Chris Keith, Jesus' Literacy: Scribal Culture and the Teacher from Galilee. New York 2011.
  52. Meet the Rabbis- Rabbinic thought and the teachings of Jesus; Brad H Young, Hendrickson publisherss 3e druk, 2007,ISBN 978-1-56563-405-3
  53. Jesus, the Jewish Theoogian,1995 Hendrickson oublisers,8e druk 2008; ISBN 978-0-8010-4817-3
  54. David Flusser, Jesus, the Sage from Galilee ,4th English ed, 2007 ISBN 978-0-8028-2587-2
  55. NBV Studiebijbel 2008, bladzijde 1886
  56. VHow to read the Bible for all it's worth,, bladz 123;,
  57. De Dode Zee-rollen, Hodge, Stephen, Ank Hermes 2002; De Dode Zee-rollen, Geschiedenis en geheimen, Libero 2008, p. 172.
  58. Albert Schweitzer, zendingsarts theoloog, maakte de eschatologie een belangrijk punt in zijn Leben Jesu Forschung; Albert Schweitzer J.M.Veen, Oekumene,Bosch en Keuning 1975, p. 18.
  59. Lucas 5:12-26
  60. Lucas 8:26-39
  61. Lucas 7:11-17
  62. Lucas 8:22-25
  63. D. Flusser, The sage from Galilee. Eerdmans, p. 97.
  64. Theissen en Merz, (2008), 290-292.
  65. Marcus 15:1.
  66. Johannes 19:31.
  67. Theissen en Merz (1998), p. 152-155.
  68. Lev. 12 en Num 23.
  69. 1 Korintiërs 15:3-7 (NBV).
  70. H.J. de Jonge, Visionaire ervaring en de historische oorsprong van het christendom. Leiden 1992, 6-7.
  71. 1 Kor. 15:8. Vgl. 1 Kor. 9:1 "heb ik dan niet Jezus, onze Heer, gezien?" en Gal. 1:15-16a "Maar toen besloot God, (...) zijn Zoon aan mij te openbaren, opdat ik hem aan de heidenen zou verkondigen."
  72. Aland, Kurt, Der Text des neuen Testaments, Deutsche Bibelgesellschaft 1982, p. 294.
  73. John G. Gager: Kingdom and Community: The Social World of Early Christianity, 1975.
  74. Danny Praet: De God der Goden: De christianisering van het Romeinse Rijk, uitgeverij Pelckmans, 1997.
  75. Danny Praet: De God der Goden: De christianisering van het Romeinse Rijk, uitgeverij Pelckmans, 1997.