Herodes Antipas

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Herodes Antipas
Confrontatie van Antipas met Jezus volgens de Meester van Sienna
Confrontatie van Antipas met Jezus volgens de Meester van Sienna
Tetrarch van Galilea en Perea
Periode 4 v.Chr. tot 39 na Chr.
Voorganger Herodes de Grote
Opvolger Herodes Agrippa I
Vader Herodes de Grote
Moeder Malthake

Herodes Antipas (Ἡρῴδης Ἀντίπατρος), (geboren voor 20 v. Chr; overleden na 39), was in de eerste eeuw bestuurder van Galilea en Perea. Zijn titel was tetrarch; viervorst (Hij bestuurde een vierde deel van het koninkrijk). Hij is het bekendst door wat het Nieuwe Testament vertelt over zijn rol in de gebeurtenissen die leidden tot de terechtstelling van Johannes de Doper en van Jezus van Nazaret. Antipas erfde een vierde deel van het koninkrijk van zijn vader Herodes de Grote, dat bij diens dood in 4 v. Chr. verdeeld werd onder diens zonen. Hij bestuurde het gebied als een vazalstaat van het Romeinse Rijk. Antipas liet de steden Sepphoris en Betharamphtha en, belangrijker, zijn hoofdstad Tiberias op de westelijke oever van het Meer van Galilea bouwen. Tiberias, genoemd naar keizer Tiberius, werd na de verwoesting van Jeruzalem een centrum van het Rabbijnse jodendom en is een van de heilige plaatsen van het jodendom. Antipas liet zich scheiden van zijn eerste vrouw, Phasaelis, die een dochter was van koning Aretas IV van Nabatea, omdat hij wilde trouwen met Herodias, de vrouw van zijn broer, de in Rome levende Herodes Filippus. Volgens het Nieuwe Testament Marcus 6:17; Lucas 3:19-20), heeft Antipas Johannes de Doper gevangengezet en ter dood gebracht, omdat Johannes deze relatie veroordeelde. De echtscheiding van Herodes Antipas dreef niet alleen het conflict met Johannes de Doper op de spits. Zijn conflict met Aretas over de grens tussen Perea en Nabatea kreeg er een persoonlijke lading door. Dit leidde in 36 tot een oorlog die rampzalig verliep voor Antipas. Keizer Tiberius gaf bevel voor een Romeinse tegenaanval, maar stierf in het jaar 37. In 39 beschuldigde zijn neef Herodes Agrippa I diens oom Antipas van samenspanning tegen de nieuwe keizer van Rome, Caligula. Antipas werd daarop in ballingschap gestuurd naar Gallië. Hij had daar het gezelschap van Herodias; meer is niet bekend over zijn einde. Lucas vertelt dat Jezus tijdens zijn rechtszaak door Pilatus naar Antipas (die in Jeruzalem verbleef), werd gezonden, omdat zijn activiteiten zich vooral in Galilea hadden voltrokken. Antipas stuurde hem echter weer terug naar Pilatus.

Levensbeschrijving[bewerken]

Antipas was een zoon van Herodes de Grote, koning van Judea, en van Malthake, die uit Samaria kwam.[1] Zijn geboortedatum is onbekend, in ieder geval voor het jaar 20 voor Christus.[2] Antipas kreeg samen met zijn broer Archelaüs en zijn halfbroer Herodes Filippus een opleiding in het Oude Rome.[2].[3] Antipas was niet de eerste keus om Herodes op te volgen. Het was de bedoeling dat Alexander en Aristobulus, zonen van Herodes en de Hasmoneese prinses Mariamne, het koninkrijk zouden erven. Pas nadat deze drie waren terechtgesteld; (ongeveer 7 v. Chr.) koos Herodes voor zijn oudste zoon Antipater, zoon van Doris. Toen Antipater er van beschuldigd werd zijn vader te hebben willen vergiftigen, herzag Herodes zijn testament, en benoemde Antipas tot zijn opvolger. Archelaüs, de broer van Antipas, wist zijn vader er van te overtuigen dat de klachten die Antipater tegen hem had ingebracht een onderdeel waren van zijn complot. Op zijn sterfbed veranderde Herodes zijn testament in 4 v Chr. voor de laatste maal. Antipas' broer Archelaüs zou nu koning worden van Judea, Idumea en Samaria , terwijl Antipas Galilea en Perea kreeg met de lagere titel tetrarch.; viervorst. Filippus kreeg de Golanhoogte, Batanea (zuidelijk Syrië), Trachonitis and Auranitis (Hauran).[4] Deze Filippus wordt vaak verward met Herodes Filippus, de eerste echtgenoot van Herodias die onterfd was en in Rome woonde. Omdat Judea een vazalstaat van het Romeinse rijk was, moest keizer Augustus met de plannen die gemaakt waren, instemmen. Daarvoor reisden de drie erfgenamen naar Rome. Antipas betoogde dat hij het hele koninkrijk diende te erven en de anderen hielden vol dat Herodes laatste wil uitgevoerd moest worden. Keizer Augustus bevestigde grotendeels het testament van Herodes, alleen kreeg Archelaüs de titel ethnarch in plaats van koning.[5]

De verdeling van het koninkrijk van Herodes:
Groen Herod Archelaus, paars Herodes Antipas; rood Filippus de tetrarch. In het zilverkleurige gebiedregeeerde tot 10 een zuster van Herodes, daarna werd dit gebied bij Judea gevoegd.
Israel/Palestina in de eerste eeuw

Regering tot het jaar 29[bewerken]

In het jaar 6 verving keizer Augustus Archelaüs door een prefect, omdat hij niet geschikt was voor zijn functie. Antipas zou daartegenover 42 jaar aan de macht blijven in Galilea en Perea.[6] Galilea en Perea werden van elkaar gescheiden door de regio Dekapolis die zuidelijk van Galilea en noordelijk van Perea ligt. Deze twaalf steden hadden grote autonomie. Terwijl Antipas in Rome zijn zaak bepleitte voor keizer Augustus, hadden opstandelingen onder aanvoering van Judas de zoon van Hizkia in Galilea het paleis te Sepphoris aangevallen, en die terroriseerden nu met buitgemaakt geld en wapentuig de regio.[7] Als vergeldingsmaatregel werd op bevel van de Romeinse gouverneur van Syrië, Quinctilius Varus, Sepphoris in de as gelegd; de inwoners werden als slaaf verkocht.[8] Perea grensde aan het koninkrijk Nabatea, dat al lange tijd met zowel de Joden als met de Romeinen een ongemakkelijke verhouding had. Antipas trad in zijn vaders voetstappen als bouwer. Hij herbouwde en versterkte Sepphoris, en bouwde een muur voor Betharamphtha in Perea.[9] Deze stad werd naar de vrouw van keizer Augustus' genoemd, Livia, later heette ze Livias Julias, ook naar diens dochter.[10] Het opmerkelijkste bouwwerk was echter zijn hoofdstad aan de westelijke oever van het Meer van Galilea, Tiberias, genoemd naar zijn superieur, Tiberius, die in het jaar 14 Augustus als keizer was opgevolgd.[11] De bewoners konden vlakbij baden in de warme bronnen van Emmaüs, en toen de Joodse oorlog uitbrak, had de stad onder meer een stadion, een koninklijk paleis en een heiligdom om te bidden.[12] De stad geeft de ‘’zee van Tiberias’’ haar naam en werd later een centrum van het Rabbijnse jodendom. Aanvankelijk weigerden vrome Joden om er te gaan wonen, omdat de stad op een begraafplaats was gebouwd en daardoor een bron was van onreinheid; Antipas liet er een mengsel wonen van buitenlanders, gedwongen migranten, arme mensen en vrijgelaten slaven.[13]

Munt geslagen door Herodes Antipas, zonder diens beeltenis

Er waren ook tijden dat Antipas wel gevoelig bleek voor de Joodse traditie. Zijn munten dragen geen beeltenis, dat zou een schending zijn geweest van de Joodse voorschriften tegen afgoderij.[14] Toen Pontius Pilatus, prefect van Judea van 26 tot 36 , aanstoot gaf door gouden schilden ter ere van de keizer in het koninklijk paleis van Jeruzalem te plaatsen, pleitten Antipas en zijn broers met succes voor de verwijdering daarvan.[15]

Johannes de Doper en Jezus[bewerken]

Jezus voor Herodes Antipas, Albrecht Dürer, 1509

Toen hij nog maar kort aan de macht was, was Antipas getrouwd met de dochter van koning Aretas IV van Nabatea. Toen hij tijdens een bezoek aan Rome echter bij zijn halfbroer Herodes Filippus (niet dezelfde als Filippus de tetrarch) logeerde, werd hij verliefd op Herodias, de vrouw van Herodes Filippus. Zij was een kleindochter van Herodes de Grote en Mariamne I). De twee kwamen overeen te trouwen, zodra Herodes Antipas van zijn vrouw gescheiden zou zijn.[16] Deze onderhandelingen vroegen veel tijd, waardoor de dochter van Aretas de plannen doorzag en haar eigen voorbereidingen kon treffen. Ze vroeg toestemming om naar de burcht Machaerus, aan de grens te reizen, waarvandaan Nabatese soldaten haar naar haar vader brachten. De verstandhouding tussen Antipas en Aretas bekoelde en er werden voorbereidingen getroffen voor een oorlog.[17] Volgens sommigen werd het huwelijk tussen Antipas en Herodias voltrokken in 34, na de dood van Filippus de tetrarch,[18] maar de bronnen uit de eerste eeuw - Josefus en de Bijbel – laten het plaatsvinden voor de dood van Filippus de tetrarch, waarschijnlijk al in 27.[19] Antipas moest meer problemen in zijn tetrarchie het hoofd bieden na Johannes de Doper. In 28/29 Lucas 3:1(of 27, als het gezamenlijk regeren van Augustus is meegenomen in Lucas’ tijdrekening) begon hij te prediken en te dopen in de rivier de Jordaan, die de westelijke grens van Perea vormde. Marcus (6:17,18) , Lucas 3:19 Matteüs 14: 3,4; en Josefus [20] vertellen allen dat Johannes gevangen was gezet in Machaerus en daarna is terechtgesteld.[21]

Kessler Gastmahl des Herodes.jpg

Volgens Matteüs en Marcus, wilde Antipas eigenlijk Johannes de Doper niet doden, maar werd hij overgehaald door een dochter van Herodias (de naam wordt niet genoemd: men denkt Salome), aan wie hij als beloning voor haar dansen alles beloofd had te zullen geven wat ze zou vragen.

Onder degenen die gedoopt werden, bevond zich Jezus van Nazaret, die zijn eigen werk in Galilea begon en daarmee Antipas (volgens Matteüs 14:1,2; Marcus 6:14-17) angstig maakte, omdat hij dacht dat Johannes uit de doden was opgestaan. (Matteüs 14:1,2) Alleen Lucas maakt melding van het feit dat een groep farizeeën Jezus waarschuwt dat Antipas zijn dood beraamt, waarop Jezus de tetrarch wegzet als die vos en verklaart dat Hij, Jezus, nooit het slachtoffer kan worden van zo’n complot, want het gaat niet aan dat een profeet buiten Jeruzalem omkomt.(Lucas 13:31-33.)Vos kan worden uitgelegd als symbool van geslepenheid, maar ook als een dier dat veel schade aanricht.[22][23] Lucas meldt ook enige dat de tetrarch Herodes Antipas een rol heeft gespeeld in Jezus’ proces. Volgens Lucas zond Pilatus hem naar Antipas , toen hij hoorde dat Jezus uit Galilea kwam en dus onder de jurisdictie van Herodes viel. Antipas, die in Jeruzalem was, hoopte dat Jezus een wonder zou doen, Jezus bleef echter zwijgen bij de ondervraging. Antipas liet hem bespotten en stuurde hem terug naar Pilatus. Lucas vertelt dat door deze gang van zaken hun vijandschap veranderde in een goede relatie.[24] Er is discussie over de reden dat Antipas bij dit proces betrokken werd. Theodor Mommsen zet uiteen dat het de normale wettelijke procedure in de beginperiode van het Romeinse rijk was om verhoord te worden door het gezag van hun thuisprovincies.[25] A. N. Sherwin-White] onderzocht de relevante wetsteksten opnieuw en trok de conclusie dat processen in de regel plaatsvonden op de plek van de ten laste gelegde misdrijven, maar dat in uitzonderingsgevallen verwezen kon worden naar de provincie van oorsprong.[26] Pilatus kan Jezus ook uit een soort hoffelijkheid naar Antipas gestuurd hebben.[27] of om bemoeienis met de Joodse autoriteiten te ontlopen.[28] Toen Jezus teruggestuurd werd, kon Pilatus het feit dat Antipas niet tot een vonnis was gekomen, als steun voor wat (volgens Lucas) zijn eigen mening was, naar voren brengen, dat Jezus niet schuldig was aan een halsmisdaad.[29] Daarmee kon Pilatus zeggen dat hij niet verantwoordelijk was voor de dood van Jezus.[30]

Er wordt wel getwijfeld aan de historiciteit van de betrokkenheid van Antipas bij het proces van Jezus.[31] Robin Lane Fox betoogt bijvoorbeeld dat het verhaal is bedacht aan de hand van psalm 2, waarin de ‘’koningen der aarde’’ worden beschreven als tegenstanders van de Gezalfde van God. Daarnaast zou worden gedemonstreerd dat niemand grond voor een aanklacht tegen Jezus kon vinden.[32]

Neergang[bewerken]

In het jaar 36 ontwikkelde het conflict met Aretas IV van Nabatea, dat veroorzaakt werd door de scheiding van Antipas en een grensgeschil, zich tot een openlijke oorlog. Het leger van Antipas werd verpletterend verslagen nadat vluchtelingen uit de vroegere tetrarchie van Filippus (tetrarch) de kant kozen van de Nabateeërs, zodat Antipas een beroep moest doen op keizer Tiberius. De keizer gaf Lucius Vitellius, de gouverneur van Syrië, opdracht om op te trekken tegen Aretas en die gevangen te nemen of te doden.[33] Vitellius mobiliseerde gehoorzaam twee Romeinse legioenen en zond ze langs een omweg door Judea, terwijl hijzelf met Antipas een feest in Jeruzalem bezocht. Daar vernam hij dat keizer Tiberius was gestorven (16 maart 37). Hij trok de conclusie dat hij niet het gezag had om een oorlog te beginnen en riep zijn troepen terug.[34]

Josephus schreef met zoveel woorden dat Vitellius vanwege een oude grief niet wilde samenwerken met Antipas. Volgens Josefus was Antipas een keer gastheer geweest bij een vredesconferentie op een brug over de Eufraat tussen Vitellius en koning Artabanus II van Parthië. Na het diplomatieke succes van Vitellius had Antipas zonder diens medeweten, zodat de keizer alles al wist toen Vitellius over zijn succes wilde berichten.[35] Andere bronnen plaatsen die conferentie echter later, tijdens de regering van Caligula, de opvolger van Tiberius.[36] Sommige historici denken dat Josefus de datum niet goed heeft of twee conferenties met elkaar verwart.[37]

Ballingschap en overlijden[bewerken]

Antipas werd ten val gebracht door zijn neef Agrippa I en Caligula. Agrippa I was een broer van Herodias en oomzegger van Antipas. Tijdens de regering van Tiberius had hij schulden gemaakt, en haalde Herodias hem over om een beroep te doen op Antipas, maar de twee kregen ruzie. Agrippa werd gevangengezet, nadat men hem tegen zijn vriend Caligula zijn verlangen hoorde uiten naar een snel overlijden van Tiberius, zodat Caligula kiezer zou worden. Toen Caligula keizer werd in 37, liet hij zijn vriend vrij en schonk hem de vroegere tetrarchie van Filippus de Tetrarch en de titel koning.[38] Josefus vertelt dat Herodias, jaloers op het succes van Agrippa, Antipas overhaalde om Caligula te vragen, dat hij zich ook koning mocht gaan noemen. Tegelijkertijd echter, diende Agrippa een lijst met aanklachten tegen de tetrarch in; hij werd er van beschuldigd samengezworen te hebben met Sejanus (terechtgesteld in het jaar 31) en vormde nu een complot tegen Caligula met Artabanus. Als bewijs merkte Agrippa op dat Antipas een resrvevoorrad wapens had, waarmee hij 70,000 man kon uitrusten. Omdat Antipas dit laatste toegaf, besloot Caligula dat ook de beschuldiging van samenzwering terecht was. In de zomer van het jaar 39 werden het geld en het grondgebied aan Agrippa toebedeeld, en werd Antipas in ballingschap gestuurd.[39] De plaats waar Antipas naar verbannen werd wordt door Josefus in Joodse Oudheden "Lugdunum" in Gallië genoemd.[40] Dit kan de stad Lugdunum zijn, die we nu kennen als Lyon,[41] of het minder belangrijke Lugdunum Convenarum, het moderne Saint-Bertrand-de-Comminges.[42]) Caligula bood Herodias aan, om als zuster van Agrippa, haar eigendommen te behouden. Ze koos er echter voor bij haar echtgenoot te blijven in zijn verbanningsoord.[43] Antipas stierf in ballingschap.[44] De derde-eeuwse historicus Cassius Dio lijkt te veronderstellen dat Caligula hem heeft laten vermoorden, maar moderne historici zijn daar sceptisch over.[45]

Stamboom van de familie Herodes[bewerken]

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Antipater
 
Kypros
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Costobarus
 
Salomé I
 
 
 
 
 
 
Phasaël I
 
 
 
 
 
Jozef
 
Pheroras
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Doris
 
 
 
Mariamne I
 
 
 
 
 
 
 
 
Herodes I
 
 
 
 
 
 
Mariamne II
 
 
 
 
 
 
Malthake
 
 
 
Cleopatra
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Alexander
 
 
Aristobulus IV
 
Berenike
 
 
Antipatros
 
Kypros
 
Phasaël II
 
Salampsio
 
 
Jozef
 
Olympias
 
 
Herodes Archelaüs
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Antipatros
 
 
Mariamne
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Herodes Agrippa I
 
Kypros
 
Herodes Filippus
 
Herodias
 
Herodes Antipas
 
Aristobulus
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Mariamne
 
Herodes van Chalkis
 
Julia Berenice
 
Drusilla
 
Herodes Agrippa II
 
Aristobulus van Chalkis
 
Salomé II
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Filippus
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Berenicianus
 
Hyrcanus
 
Markus
 
Antonia
 
Herodes
 
Agrippa
 
Aristobulus

Herinneringen[bewerken]

Onder de volgelingen van Jezus, en de leden van de vroege christenbeweging die in het Nieuwe Testament beschreven worden, bevinden zich Joanna, de vrouw van een van Antipas’ bedienden (Lucas 8:3), en Manaen, een "zoogbroeder" (NBG) of "jeugdvriend” (NBV) van Antipas (beide vertalingen van het Grieks zijn mogelijk (σύντροφος) Handelingen 13:1. Er is wel verondersteld dat dit de bronnen zijn voor de kennis van de vroege christenen over wat zich aan het hof van Antipas heeft afgespeeld.[46] In ieder geval heeft Antipas in het Nieuwe Testament een duidelijke rol, in samenhang met de dood van Johannes de Doper en Jezus. Het pseudoepigrafe boek dat bekend is als hetEvangelie van Petrus ging nog verder en stelde dat Antipas en niet Pontius Pilatus de kruisiging van Jezus beval. Dat past bij het anti-Joodse karakter van het boek, waarin de Joden anders dan Pilatus, hun handen weigerden te wassen na de dood van Christus.[47]

Film[bewerken]

Antipas is vaak verschenen in uitbeeldingen van het lijdensverhaal, de Passie. Bekende acteurs die hem speelden waren Frank Thring in King of Kings (1961), José Ferrer in The Greatest Story Ever Told (1965), en Christopher Plummer in Jesus of Nazareth (1977). Dikwijls, zoals in Jesus Christ Superstar (1973) en The Passion of the Christ (2004), wordt hij neergezet als een verwijfde, verwaaande man. (Antipas werd in die films gespeeld door respectievelijk Joshua Mostel en Luca De Dominicis). De oorsprong van deze traditie is misschien dat hij zich door Herodias liet manipuleren, of misschien omdat Jezus hem een vos noemde in Lucas 13:32, en daarbij een vrouwelijk woord gebruikte.[48] Hij komt ook voor in het boek The Secret Magdalene van Ki Longfellow. In Longfellow's visie, was hij niet vewijfd, maar opvliegend, ineffectief, en trok hij zich in een hoekje terug om zich te redden van zijn woedende schoonvader.


Noten
  1. Josephus, Joodse Oudheden 17.20, De Joodse oorlog 1.562.
  2. a b Milwitzky 638.
  3. Josephus, Joodse Oudheden 17.20–21.
  4. Joodse Oudheden 17.188–189, De Joodse oorlog 1.664.
  5. Josephus, De Joodse oorlog 17.224–249,; Joodse oudheden, 299–323.
  6. Bruce 8.
  7. Josephus, Joodse Oudheden 17.271–272, De Joodse oorlog [http://www.perseus.tufts.edu/cgi-bin/ptext?lookup=. Dit zou de Judas van Galilea kunnen zijn die het verzet leidde tegen de inschrijving door Quirinius (Schürer 381).
  8. Josephus, Joodse Oudheden 17.288–289, De Joodse oorlog 2.68.
  9. Josephus, Joodse Oudheden 18.27, De Joodse oorlog’' 2.168.
  10. Bruce 9; Schürer 342.
  11. Josephus, Joodse Oudheden, 18.36.
  12. Schürer 342–343.
  13. Josephus, Joodse Oudheden 18.37–38.
  14. Schürer 343 and n. 16.
  15. Philo, On the Embassy to Gaius 299–305.
  16. Josephus, Joodse Oudheden 18.109–110 Evangelie volgens Marcus 6:17
  17. Josephus, Joodse Oudheden 18.111–113.
  18. Kokkinos, The Herodian Dynasty, pp. 268, 277.
  19. Stewart Perowne, The Later Herods p. 49, (Bruce 10 n. 16; Schürer 344 and n. 19)
  20. JosefusJoodse Oudheden 18.118.
  21. Josephus, Joodse Oudheden 18.119.
  22. (Schürer 342 and n. 5).
  23. Gundry merkt op dat het een vrouwelijk woord is, en dat Jezus suggereert Herodes niet iemand is om bang van te worden of op de vlucht voor te slaan. (Gundry 3).
  24. Lucas 23:5-12
  25. Citaat door Sherwin-White 28.
  26. Sherwin-White 28–31.
  27. Bruce 16–17; Hoehner 88.
  28. Hoehner 88.
  29. Lucas 23:13-16 Bruce 17; Hoehner 89–90.
  30. Hoehner 90,
  31. Jensen121
  32. Lance Fox 297; vergelijk psalm 2 :2; Hand 4:26.
  33. Josephus, Joodse Oudheden 18.113–115; Schürer 350.
  34. Josephus, Joodse Oudheden 18.120–126; Schürer 350.
  35. Josephus, Joodse Oudheden 18.101–105.
  36. Suetonius, Caligula 14.3; Dio 59.27.2–3.
  37. Bruce 18–19; Schürer 350–351.
  38. Josephus, Joodse Oudheden 18.143–239, Joodse Oorlog’’ 2.178–181; Bruce 19–20.
  39. Josephus, Joodse Oudheden 18.240–252, De Joodse Oorlog 2.181–183. Zie voor de datum Schürer 352–353 n. 42.
  40. Josephus, Joodse Oudheden 18.252.
  41. Bruce 21.
  42. Schürer 352 n. 41, stelt vast dat de overgedragen tekst van De Joodse Oorlog zegt dat Antipas naar Spanje werd verbannen en dat, Lugdunum Convenarum op de Frans-Spaanse grens lag.
  43. Josephus, Joodse Oudheden 18.253–255.
  44. Josephus, De Joodse Oorlog 2.183.
  45. Dio 59.8.2; Milwitzky 639. Schürer calls Dio's statement "confused" (353), while Bruce simply remarks that "in exile Antipas and Herodias together disappear from history" (21).
  46. met Bruce 13–14; Lane Fox 297 is skeptisch op dit punt.
  47. Gospel of Peter, 1.
  48. Gundry 3, versterkt door Goodacre passim.

Antieke referenties

Moderne referenties

Externe links