Machaerus

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
De heuvel waarop Machaerus gebouwd was

Machaerus (Grieks: Μαχαιροῦς) was een rond het begin van de gangbare jaartelling een fort aan de zuidgrens van Perea. Plinius de Oudere noemt Machaerus de belangrijkste Joodse vesting na Jeruzalem.[1] Volgens Flavius Josephus is Johannes de Doper hier ter dood gebracht.[2]

Het fort Machaerus was strategisch gelegen op een hoge rots met steile hellingen en diepe ravijnen aan de verschillende zijden. De rots biedt een weids uitzicht over het omliggende land. De rots wordt tegenwoordig aangeduid als Qal`at al-Mishnaqa of Mukawir en ligt in Jordanië.

Een Byzantijnse bron uit later tijd maakt melding van een nederzetting Machaberos die op deze plek zou liggen.[3] Bij opgravingen zijn inderdaad drie Byzantijnse kerkjes uit de 6e eeuw gevonden.

Geschiedenis[bewerken]

Forten van Herodes de Grote

Eigenlijk hebben op de plaats van Machaerus twee forten bestaan. Het eerste fort is gebouwd door de Hasmoneese koning Alexander Janneüs, waarschijnlijk rond 90 v.Chr.[4] Het fort diende ter bescherming van de grens met de Nabateeërs, op wie Alexander Janneüs het gebied van Perea veroverd had. De Hasmoneese vorsten bewaarden in Machaerus (en in de forten Hyrcania en Alexandrium) hun kostbaarheden.[5] In vermoedelijk 56 v.Chr. verwoestte Aulus Gabinius, de Romeinse legates van Pompeius, het fort echter in de nasleep van zijn campagne tegen Aristobulus II (de forten Hyrcania en Alexandrium ondergingen hetzelfde lot).[6].

Rond 30 v.Chr. herbouwde Herodes de Grote het fort, met dezelfde bedoelingen als die Alexander Janneüs er destijds mee had: de zuidgrens van Perea beschermen tegen de Nabateeërs. Na Herodes' dood kwam Machaerus in handen van Herodes Antipas, die hier verbleef in periodes dat hij in Perea was. Het was Herodes Antipas die Johannes de Doper in Machaerus ter dood liet brengen (volgens het Nieuwe Testament gebeurde dit op instigatie van Herodias en Salomé).[7]

Aan het begin van de Joodse Opstand wisten de Zeloten het fort in bezit te krijgen (66 na Chr.). Nog geruime tijd na de inname van Jeruzalem in 70 wisten de Zeloten hier stand te houden tegen de Romeinse overmacht. Toen 72 de Romeinse legates Lucilius Bassus, de aanvoerder van het Legio X Fretensis, na zijn verovering van Herodion het beleg om Machaerus sloeg en een van de ravijnen vulde met aarde, waardoor het fort bereikbaar werd, zagen de Zeloten zich uiteindelijk gedwongen zich alsnog over te geven.[8] Op Bassus' bevel werd het fort Machaerus verwoest, om te voorkomen dat zich hier opnieuw opstandelingen zouden verzamelen. Alleen het fort Massada hield in de Joodse Opstand langer stand tegen de Romeinen.

Opgravingen[bewerken]

Hoewel in de negentiende en het begin van de twintigste eeuw verschillende archeologen korte tijd onderzoek hebben gedaan op Machaerus, zijn pas vanaf 1968 enkele meer systematische opgravingen verricht, achtereenvolgens door Jerry Vardaman (1968), Virgilio Corbo (1978-1981) en het Jordaanse ministerie van toerisme en oudheden (1992-1993). De gegevens die uit de opgravingen over Machaerus naar voren komen, blijken Josephus' beschrijving van het fort grotendeels te bevestigen,[9] maar maken wel duidelijk dat Josephus overdrijft op het punt van de onneembaarheid van de vesting en de pracht ervan.

Machaerus bestond uit een 'benedenstad' en een citadel. De benedenstad was gelegen aan de bovenzijde van de noordelijke helling. De benedenstad was ommuurd en voorzien van twee verdedigingstorens. In de benedenstad zijn slechts op beperkte schaal opgravingen verricht.

De door Herodes gebouwde citadel ('bovenstad') lag op de top van de heuvel. Deze genoot niet alleen bescherming van de benedenstad, maar was ook zelf ommuurd en voorzien van vier torens. Een 15 meter hoog viaduct (dat tevens dienst deed als aquaduct) bood toegang tot de citadel. Een tweede, lager gelegen aquaduct bood geen toegang tot de citadel, maar vormde wel een extra watervoorziening.

Het paleis in de citadel beslaat een oppervlakte van zo'n 4000 m2 en wordt door een lange noord-zuid gang in twee vleugels verdeeld. Binnen de muren van het paleis bevinden zich enkele warmwaterbronnen en een groot triclinium met een oppervlakte van zo'n 238 m2. In grote waterbekkens werd regenwater opgevangen. Enkele waterbekkens waren versierd met zuilen in Ionische en Dorische stijl

Uit de opgravingen blijkt bovendien dat tijdens de Joodse Opstand de citadel op provisorische wijze verder werd versterkt met (niet al te stevige) muren. Ook zijn er ovens uit deze periode aangetroffen.

Referenties[bewerken]

Noten[bewerken]

  1. Plinius de Oudere, Naturalis Historia 5,15,72
  2. Flavius Josephus, Ant 18, 116
  3. Stephanus van Byzantium
  4. Flavius Josephus, BJ 7,171
  5. Flavius Josephus, Ant 13, 417
  6. Flavius Josephus, Ant 14, 89-90
  7. Marcus 6:14-29
  8. In BJ 7, 190-215 geeft Josephus een levendige beschrijving van de strijd om Machaerus.
  9. Flavius Josephus, BJ 7, 173-177