Elia (profeet)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Elia in de wildernis, gevoed door de engel - Peter Paul Rubens
Schotel (majolica) met bijbelse voorstelling (Elia door raven gevoed), Harlingen (buiten de kerkpoort), 2de kwart 18de eeuw

Elia (Hebreeuws: אליהו, Eliyahu; Arabisch: إلياس, Ilyās) is een van de grote profeten uit de Bijbel. Zijn naam betekent: Mijn God is JHWH. Zijn veelbewogen leven is beschreven in de boeken I en II Koningen.

Leven[bewerken]

Zijn optreden wordt geplaatst in de 9de eeuw, circa 871-852 voor het begin van de christelijke jaartelling, toen het volk van Israël opnieuw de afgoden was gaan dienen. Vandaag de dag is hij voor Rooms-Katholieken de patroon van de Karmelieten (die zich naar de berg Karmel hebben genoemd); van de automobilisten, de luchtschepen, de vliegtuigen en van het verkeer (vanwege de vurige wagen, waarin hij ten hemel werd opgenomen). Hij wordt aangeroepen bij onweer en brandgevaar.[bron?]

Hij ging naar koning Achab en kondigde een grote droogte aan. Toen niemand zich bekeerde, verborg hij zich bij de beek Cherith, waar hij elke ochtend en avond door raven werd gevoed. Bekend is het verhaal van zijn ontmoeting met de weduwe van Sarfat. Hij zou daarbij twee wonderen hebben verricht: het meel in de pot raakte niet op en de kruik met olie raakte niet leeg, en hij zou het gestorven zoontje van zijn gastvrouw weer tot leven hebben gewekt.

Op de berg Karmel kwam het tot een beslissende ontmoeting met priesters van de Kanaänitische god Baäl, waarbij God op Elia's gebed vuur uit de hemel zou hebben laten neerkomen terwijl daarvoor de offers van de priesters van Baäl zonder vuur waren gebleven. Op bevel van Elia werden deze Baäl-priesters vervolgens door toekijkende Israëlieten gedood.

Hierna moest Elia vluchten omdat koningin Izebel, de vrouw van koning Achab, dreigde hem te laten ombrengen. Aangekomen bij de berg Horeb in de Sinaïwoestijn zou hij een diepgaand zielsgesprek met God hebben gehad, waarin hij opdracht kreeg om een opvolger te zalven, Elisa. Omdat koning Achab op onrechtmatige wijze de wijngaard van Naboth zou hebben verkregen, waarbij deze laatste werd gestenigd, moest Elia van God Achab en diens vrouw Izebel hun dood aanzeggen; hun sterven vond niet lang daarna plaats.

Toen Elia's leven op aarde eindigde, zou hij niet zijn gestorven, maar ten hemel opgenomen met vurige paarden in een wervelwind. Zijn opvolger Elisa zou hiervan getuige zijn geweest.

Nuvola single chevron right.svg Opstanding uit de doden (christelijke Bijbel)

Elia de profeet in het jodendom[bewerken]

De Joden verwachtten op grond van de voorspelling van Maleachi (3:22-24)[1] de terugkomst van Eliyahoe (de Hebreeuwse naam van Elia), voorafgaand aan de komst van de messias. Men zette daarom bij de briet mila een stoel voor hem klaar. Ook werd gedurende de sederavond een beker wijn voor Eliyahoe op de sederschotel gezet.

Elia in het Nieuwe Testament[bewerken]

Jezus liet weten dat Johannes de Doper Elia was die terug zou komen (Matteüs 11:14[2] en 17:12[3]; vergelijk Maleachi 3:23[1]). Verder liet Jezus nog weten: Elia zal komen en alles herstellen (Mattheüs 17:11[3]). Deze laatste uitspraak betekent dat Elia nogmaals zal komen, en dan om alles te herstellen. Sommige christenen denken namelijk dat hij één van de twee getuigen zal zijn, in de eindtijd tijdens de regeerperiode van de antichrist.

In Mattheüs 17:1-13 (De verheerlijking op de berg)[3] wordt verteld over een gebeurtenis waarbij Jezus, nadat hij met Petrus, Jacobus en Johannes de berg Tabor is opgeklommen en door God, die spreekt vanuit een wolk, in zijn Zoonschap wordt bevestigd. De discipelen zijn tegelijkertijd getuige van een tafereel waarbij Jezus door Elia en Mozes wordt geflankeerd.

Elia in de islam[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Ilyas voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Trivia[bewerken]

De bekende hit van Chi Coltrane, 'Go Like Elijah' verwijst naar de wijze waarop Elia's leven op aarde eindigde.

Noten[bewerken]

  1. a b Maleachi 3 (NBV)
  2. Matteüs 11:2-15 (NBV)
  3. a b c Matteüs 17:1-13 (NBV)