Koning David

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Koning David
1040 - 970 v. Chr.
David en Goliath, Caravaggio
David en Goliath, Caravaggio
Koning van verenigd Israël
Periode 1010 - 970 v. Chr.
Voorganger Saul en Isboset
Opvolger Salomo
Vader Isaï, stam Juda
Geboorteplaats Bethlehem
Bron: I Samuel 16 - I Koningen 1
Hildesheim-st.Michael-Holzdecke-David-Salomo-Hildesia.jpg

David (Hebreeuws: דָּוִד, דָּוִיד, Strongs Daveed; geliefde; Arabisch: داوود of داود Dāwūd) was volgens de Hebreeuwse Bijbel de tweede koning van het Verenigd Koninkrijk Israël. Volgens de evangelies van Matteüs en Lucas was hij een voorouder van Jezus via Jozef. Hij wordt afgebeeld als een rechtvaardige koning, hoewel hij niet foutloos was, alsook als een gewaardeerde krijger, muzikant en dichter, die traditioneel gecrediteerd wordt voor het samenstellen van de vele psalmen van het Boek der Psalmen.

Edwin Thiele dateert zijn leven van c. 1040 v. Chr. tot 970 v. Chr., zijn heerschappij over Juda van c. 1010 v. Chr. tot 1003 v. Chr. en zijn heerschappij over het verenigde koninkrijk Israël van c. 1003 v. Chr. tot 970 v. Chr.. I en II Samuel, I Koningen en I Kronieken zijn de enige bron van informatie over zijn leven en heerschappij; de Tel Dan Stele zou het bestaan van een Judese koninklijke dynastie van het midden van de 9e eeuw v.Chr. vastleggen, het "Huis van David" genaamd, hoewel dit wordt betwist. Davids leven is zeer belangrijk voor joden en christenen. In het jodendom is David of David HaMelekh de koning van Israël en de Joden. Een directe afstammeling van David zal de Messias zijn. In de islam staat hij bekend als Dawud en wordt hij beschouwd als een profeet en de koning van een natie.

David volgens de Hebreeuwse Bijbel[bewerken]

Over Davids leven valt te lezen in de (Hebreeuwse) Bijbelboeken I Samuël,[1] II Samuël[2] alsmede I Kronieken[3] en de eerste twee hoofdstukken van I Koningen.[4] Hij was de stamvader van het Judese koningshuis, het huis van David, en regeerde van 1010 v.Chr. tot 970 v.Chr.. Hij was de jongste van acht zonen van Isaï en werd in zijn jeugd geacht op de schapen te passen - vanwege het verschijnen van roofdieren geen ongevaarlijke baan, die desondanks in weinig aanzien stond. Onverwachts werd hij gezalfd tot de opvolger van de toen heersende koning Saul. Het zou echter nog jaren duren voordat hij de troon besteeg.

Zijn eerste beschreven wapenfeit is het vermeende vellen van de Filistijnse reus Goliath met een steen uit zijn slinger, een wapen waarmee hij tijdens het hoeden van de schapen ruimschoots had kunnen oefenen. In Samuel II staat echter dat een zekere Elchanan Goliath heeft geveld.[5] De Targoem oppert dat met Elchanan David zelf wordt bedoeld. Een andere verklaring van deze schijnbare discrepantie is dat er simpelweg twee Goliaths zijn geweest.[6] Het door veel bijbelgeleerden geopperd idee dat Goliath een titel is, ondersteunt dit idee.

Na de slag bij Kadesh en het effect van de Zeevolken was er een machtsvacuüm in het Midden-Oosten ontstaan, dat David met groot politiek doorzicht invulde door een rijk voor Israël te scheppen in een tijd dat de supermachten Egypte en Mesopotamië rustig waren. Hij regeerde 7,5 jaar vanuit Hebron en stichtte toen zijn hoofdstad in Jeruzalem, vlak op de grens der twee staten. Hij veroverde die stad op de Jebusieten en liet de Ark (die door Saul compleet was genegeerd wegens de smaad van het verlies) er naartoe halen, om zijn verblijf daar te bezegelen. Zo bevestigde hij zijn gezag over het aardse en het hemelse Jeruzalem, wat een zwaarwegend politiek statement was.

Zijn succes in het leger en het feit dat David tot zijn opvolger was gezalfd leidde echter tot brandende afgunst van koning Saul. Een groot deel van zijn jonge jaren was David op de vlucht voor de eerste koning.

David wilde trouwen met Sauls dochter, Michal. Als bruidsschat eiste Saul, als wraakneming op zijn vijanden, 100 voorhuiden van Filistijnen. David kweet zich meer dan uitstekend van zijn taak: hij doodde 200 Filistijnen en kwam met hun voorhuiden terug naar de koning; toen gaf Saul hem zijn dochter Michal tot vrouw.

Pas na Sauls dood (waarin David overigens geen aandeel had) kwam David aan de macht, maar alhoewel zijn koningschap stabiliteit en militair succes bracht, kreeg hij het later weer bijzonder moeilijk door het optreden van sommige van zijn (al te ambitieuze) zoons waaronder Absalom. David was een grote liefhebber van vrouwen en hoewel niet expliciet verboden in de Torah wordt polygamie eerder afgeraden dan gestimuleerd. De reden hiervoor was dat 'veelwijverij' bijna onvermijdelijk tot spanningen, afgunst en intriges tussen de diverse vrouwen en ook tussen hun respectievelijke kinderen leidt. Dit bleek ook het geval bij de vele zonen van David te zijn die bijna allemaal een andere moeder hadden:

daarna volgde:Simea, Sobab, Nathan en Salomo, van Bathseba, weduwe van Uria; en daarna Jibchar, Elisama, Elifelet, Noga, Nefeg, Jafia, Eljada en hun zuster Thamar. Deze allen zijn zonen van David, behalve de kinderen van de bijvrouwen.

Zijn zoon, koning Salomo, bouwde uiteindelijk de Tempel van Jeruzalem, iets wat David dolgraag zelf had willen doen, maar wat hij vanwege zijn bloedige veldslagen van God niet mocht.

Psalmen[bewerken]

Een groot deel van de Psalmen zou door hem zijn geschreven, waarin hij getuigt van zijn vertrouwen op God. Zeer bekend is bijvoorbeeld Psalm 23 ("De Heer is mijn herder"),[7] maar ook bekend zijn onder meer Psalm 103 ("Prijs de Heer, mijn ziel")[8] en Psalm 131 ("Heer, niet trots is mijn hart").[9]

Beoordeling[bewerken]

In de (Hebreeuwse) Bijbel wordt David over het algemeen gezien als een man die 'wandelde met God', hoewel hij ook ernstige fouten beging. Vooral zijn grote verzameling vrouwen en de manier waarop hij bijvoorbeeld Batseba van haar eigenlijke echtgenoot Uria afhandig maakte (door deze de dood in te sturen) worden sterk veroordeeld, als ook een door hem op touw gezette telling van de bevolking.
Wat in het voordeel van David pleitte, was dat wanneer hij met zijn fouten werd geconfronteerd, hij deze erkende, berouw toonde en God om vergeving vroeg. Dit deed zijn voorganger Saul niet. Daarom toonde God zich ook vergevensgezind en beloofde dat zijn dynastie het koningshuis van de Israëlieten zou blijven (2 Samuël 7:16).[10] Wel zou het zo zijn dat vanwege zijn zonden "...moord en doodslag in je koningshuis om zich heen grijpen, omdat je mij hebt getrotseerd en de vrouw van Uria tot vrouw hebt genomen" (2 Samuël 12:10),[11] oftewel hij zou het nodige te stellen krijgen binnen zijn familie (staat verderop in de (Hebreeuwse) Bijbel ook zo beschreven).

Historiciteit[bewerken]

Archeologische bewijzen voor koning David en zijn wereld zijn er nauwelijks; in feite is er over de periode tussen de zestiende en de achtste eeuw v.Chr., ondanks vele opgravingen en onderzoekingen, maar heel weinig gevonden. De bevolking van de landstreek Judea bestond waarschijnlijk slechts uit enkele duizenden nomadische herders. Steden zijn niet gevonden, wel een twintigtal dorpen. Of er in de tijd van David (dat zou dus de tiende eeuw zijn) een staat in Palestina bestond is omstreden; er zijn zelfs geen potscherven uit deze tijd bekend. Wel bestaan er inscripties uit ongeveer 850 v.Chr. (Tel Dan-stele, Mesa-stele) waarop het heersershuis van Israël als 'Huis van David' omschreven wordt - maar ook deze interpretaties worden aangevochten.

Sommige historici nemen aan dat koning David als historische figuur zeker heeft bestaan, maar dat (net als bijvoorbeeld bij Koning Arthur) veel van de verhalen over zijn leven eerder tot de mythen behoren, en niet als harde geschiedschrijving moeten worden beschouwd.

Er zijn in de Bijbel drie versies over de opkomst van David als koning. Volgens sommigen klopt het verhaal van zijn verblijf in Engedi zeker niet: deze nederzetting is pas in de 7e eeuw v.Chr. gesticht.[12] Echter, David hield zich niet op in een nederzetting maar in rotsspleten bij En Gedi (Hebreeuws עין גדי - bron van het geitje). Dit "En Gedi" hoeft geen nederzetting te zijn. En Gedi is ook de naam van de oase waarin nederzetting En Gedi ligt. Vandaar ook de naam "Bron van het geitje". Aangezien de bron en oase een stuk ouder zijn dan de latere nederzetting kan het mogelijk zijn dat werd gedoeld op de bron en niet op een toen nog niet bestaande nederzetting.

David in het christendom[bewerken]

Voor christenen is David belangrijk omdat hij een verre voorvader van Jozef van Nazareth zou zijn, de stiefvader van Jezus. Verschillende profetieën in het Oude Testament voorspelden dat de beloofde Messias een afstammeling van koning David zou zijn. In het Nieuwe Testament in het Evangelie volgens Matteüs hoofdstuk 1 wordt de stamboom van koning David naar Jozef uitgewerkt. Maar ook de moeder van Jezus, Maria, zou volgens het geslachtsregister een nakomeling van David zijn (evangelie volgens Lucas hoofdstuk 3). Hierdoor draagt Jezus mede de titel "Zoon van David" en krijgt de koninklijke dynastie van David een eeuwigheidsdimensie.

David in de islam[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Dawud (profeet) voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Spreekwoordelijk[bewerken]

"David tegen Goliath" wordt gebruikt wanneer men spreekt van de kleine slimmerd tegenover de domme krachtpatser.

Nageslacht[bewerken]

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Isaï
 
 
 
 
 
 
?
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Nachas[13]
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Eliab
 
Abinadab
 
Samma
 
Sima[14]
 
Netanel
 
Raddai
 
Osem
 
Koning David
 
 
 
Seruja
 
Abigail
 
Jeter
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Jibchar Elisama / Elisua[15] Elifelet / Elpelet[15] Noga Nefeg Jafia Elisama Eljada / Beëljada[15] Elifelet
 
 
Absai Joab Asaël
 
Amasa
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Talmai
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Ammiël
 
 
 
 
 
Nabal
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Uria
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Achinoam
 
Abigail
 
Maächa
 
Chaggit
 
Abital
 
Egla
 
Batseba
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Amnon Daniël Absalom Tamar Adonia Sefatja
 
Jitream
 
Sima / Sammua[15] Sobab Natan Koning Salomo
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Koning Amasja
 
 
Koning Joas
 
 
Koning Achazja
 
 
Koning Joram
 
 
Koning Josafat
 
 
Koning Asa
 
 
Koning Abia
 
 
Koning Rechabeam
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Azaria
 
 
Koning Jotam
 
 
Koning Achaz
 
 
Koning Hizkia
 
 
Koning Manasse
 
 
Koning Amon
 
 
Koning Josia
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Johanan Jojakim Zedekia Sallum
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Jechonja Zedekia
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Sealtiël Malkiram Pedaja Senassar Jekamja Hosama Nedabja
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Zerubabel
 
Simeï
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Mesullam Hananja Selomith Hasuba Ohel Berechja Hasadja Jusab-Hesed
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Pelatja
 
Jesaja
 
 
Refaja
 
 
Arnan
 
 
Obadja
 
 
Sechanja
 
 
Semaja
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Hattus Jigeal Bariah Nearja Safat
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Eljoënai Hizkia Azrikam
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Hodajeva Eljasib Pelaja Akkub Johanan Delaja Anani

Literatuur[bewerken]

  • Magnussen, M. 1978: Graven in Bijbelse Bodem - Archeologie van de landen van de Bijbel, Westland, Schoten, ISBN 90-246-7020-9
Bronnen, noten en/of referenties
  1. I Samuël, Biblija.net
  2. II Samuël, Biblija.net
  3. I Kronieken, Biblija.net
  4. I Koningen, Biblija.net
  5. 2 Sam 21.19- Bibliaja.net
  6. A. Cohen - Soncino Books of the Bible
  7. Psalm 23, Biblija.net
  8. Psalm 103, Biblija.net
  9. Psalm 131, Biblija.net
  10. II Samuël 7:10-17, Biblija.net
  11. II Samuël 12:9-15, Biblija.net
  12. Magnussen, M. 1978: Graven in Bijbelse Bodem - Archeologie van de landen van de Bijbel, Westland, Schoten, p. 122
  13. 2 Samuël 17:25. 1 Kronieken 2:16 noemt Seruja en Abigaïl als zusters van David, maar aangezien een andere vader wordt genoemd, waren het kennelijk halfzusters.
  14. 1 Kron 2:13 zegt dat David zes oudere broers had - Samma ontbreekt. 1 Samuel 16:6-10 en 1 Samuel 17:12-13 zeggen dat er zeven oudere broers waren, waarvan de oudste drie, Eliab, Abinadab en Samma, met name worden genoemd. Misschien zijn Samma en Sima dezelfde persoon (maar dan klopt de telling in 1 Samuel niet) of misschien was Samma jong gestorven en daarom niet vermeld in 1 Kronieken.
  15. a b c d De namen zijn in 1 Kron 2 en 1 Kron 14 iets verschillend