Psalm 131

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Psalm 131 is een van de psalmen uit het Oude Testament, die wordt toegeschreven aan Koning David. Het is één van de zogenaamde Opgangsliederen (de psalmen 120 tot en met 134), die in het Hebreeuws sjier hammaälot (lied van opgang) heten. Het betreft hier het opklimmen langs een ladder of een helling, naar iets hoger gelegens als een troon, een altaar of een hooggelegen stad.[1]

Berijmde tekst[bewerken]

  • Berijming van 1773
Mijn hart verheft zich niet, o HEER',
Mijn ogen zijn niet hoog; 'k verkeer,
Ik wandel niet in 't geen te groot,
Te vreemd is voor Uw gunstgenoot.
Heb ik mijn ziel niet stil gezet,
En mij verloochend naar Uw wet,
Gelijk het pas gespeende kind
Zich stil bij zijne moeder vind?
Mijn ziel, die naar den vrede haakt,
En 't morrend ongenoegen wraakt,
Is in mij als een kind gespeend,
En heeft zich met Uw wil vereend.
Dat Isrel op den HEER' vertrouw';
Zijn hoop op Gods ontferming bouw',
En stil berust' in Zijn beleid,
Van nu tot in all' eeuwigheid.
  • Nieuwe berijming
HEER, niet trots is mijn hart,
niet hoogmoedig mijn blik,
ik zoek niet wat te groot is
voor mij en te hoog gegrepen.
Nee, ik ben stil geworden,
ik heb mijn ziel tot rust gebracht.
Als een kind op de arm van zijn moeder,
als een kind is mijn ziel in mij.
Israël, hoop op de HEER,
van nu tot in eeuwigheid.

Psalm 131 in het Twents[bewerken]

De Twentse vertaling van deze psalm, van de hand van Anne van der Meiden, speelt een belangrijke rol in de theatershow Na de Pauze van Herman Finkers.[2]

Bronnen, noten en/of referenties