Archeologie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Portal.svg Portaal Archeologie
Opgraving van Anemospilia op Kreta

Beluister

(info)
Oudheden in het Louvre
Eerste vuistbijl beschreven door John Frere (1800)
Noord-Amerikaanse artefacten

Archeologie (samenst. Grieks: ἀρχαῖος – λόγος : 'leer der oudheid') of oudheidkunde is de wetenschap die overblijfselen van oude culturen bestudeert teneinde het verleden te reconstrueren en te duiden. Dergelijke overblijfselen, in het bijzonder door de mens vervaardigde gebruiksvoorwerpen (vakterm: artefacten), worden bij opgravingen gevonden. Het wetenschappelijk onderzoek behelst die overblijfselen en de context waarin zij worden aangetroffen.

Daarnaast is er ook forensische archeologie [1] en contemporaine archeologie.

De archeologische wetenschap heeft een sterk interdisciplinair karakter: diverse aspecten van haar theorie en methoden zijn ontleend aan principes van de culturele en fysische antropologie, de aardwetenschappen, biologie, kunstgeschiedenis en linguïstiek. Voor het op wetenschappelijke wijze dateren van archeologische vondsten, de archeometrie, worden natuurkundige en chemische methoden toegepast. De interdisciplinaire ontwikkeling leidde tot moderne subdisciplines als de geoarcheologie, de archeozoölogie en de archeobotanie. De archeologie wordt vaak cultuurgericht ingedeeld; zo bestudeert de klassiek archeologische richting of Mediterrane archeologie de klassieke oudheid en richt de egyptologie zich op de Egyptische cultuur. In de hedendaagse egyptologie ligt overigens het zwaartepunt op taalkundige aspecten en is de Egyptische archeologie ook weer een aparte discipline.

Geschiedenis van de archeologie[bewerken]

Sinds het verdwijnen van de vroegste beschavingen moeten mensen zijn gestuit op resten van oude culturen maar het zou tot de 19e eeuw duren totdat men tot het inzicht kwam deze prehistorische voorwerpen op een juiste wijze te vergaren, te ordenen en te duiden. De voorloper van de moderne archeoloog was niet meer dan een jager op schatten of in een iets gunstiger geval een verzamelaar van curiosa.

Gedreven door nieuwsgierigheid naar de herkomst van de prehistorische voorwerpen en de afkomst van de mens transformeerden mensen als Christian Thomsen, Charles Lyell en Charles Darwin de chaotische en ongestructureerde collecties tot samenhangende verzamelingen en ontwikkelden archeologen als Heinrich Schliemann, Lane-Fox Pitt-Rivers en William Flinders Petrie een verantwoorde manier van opgraven.[2]

De eerste opgravingen[bewerken]

De eerste echte opgraving wordt toegeschreven aan Thomas Jefferson, in zijn latere leven de derde president van de Verenigde Staten. Hij trok in 1784 een sleuf rond een graf op zijn eigen landgoed in Virginia. In de streek van Jefferson geloofden de mensen dat deze graven afkomstig waren van geheimzinnige heuvelbouwers. Hij kwam tot de conclusie dat deze heuvels waren gebouwd door inheemse indianen die het gebruikten als graf. Jefferson was zijn tijd ver vooruit; hij deed alles zeer nauwkeurig. Zijn methode werd overgenomen door de latere Noord-Amerikaanse opgravers.

Het begin van de moderne archeologie[bewerken]

Archeologie ontwikkelde zich tot een wetenschap in het midden van de 19e eeuw.[2] De Schotse geoloog James Hutton bestudeerde in zijn Theory of the Earth (1785) de stratificatie van sedimenten.[3] Hij toonde aan dat de stratificatie van sedimenten veroorzaakt werd door voortdurende processen in zee, rivieren en meren. Daarmee legde hij de basis voor het uniformitarianisme. In 1830 betoogde Charles Lyell in zijn Principles of Geology dat de oude geologische condities gelijkwaardig waren aan de huidige.[4] Een Frans inspecteur, Jacques Boucher de Perthes, werkzaam in de Sommevallei, publiceerde in 1841 een artikel waarbij hij een verband aantoonde tussen menselijke werktuigen (vuistbijlen) en uitgestorven diersoorten.[5] Hij concludeerde hieruit dat lang voor de bijbelse vloed sprake was van menselijk bestaan. De ideeën van Jacques Boucher de Perthes liepen vooruit op die van een andere grote 19e-eeuwse wetenschapper, Charles Darwin.

Archeologische methoden[bewerken]

Inspectie van de vindplaats[bewerken]

Archeologisch onderzoek in Montana (VS) met een magnetometer

Een vindplaats moet in zijn geheel systematisch in kaart worden gebracht om zo veel mogelijk informatie te verwerven over omgeving en organisatie van de vroege cultuur. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van (lucht)fotografie, geofysisch onderzoek en het global positioning system. Met luchtfotografie kan de onderzoeker op een unieke manier resten van gebouwen en structuren traceren. De plekken waar ooit mensen woonden zien er namelijk vanuit de hoogte vaak anders uit door een verschil in vegetatie en lichtreflectie. Het onderscheid in het plantendek wordt veroorzaakt door een stagnerende groei boven muren. Luchtfoto's worden ook genomen om de diverse stadia van de opgraving te documenteren en meer inzicht te verkrijgen in de inrichting van vroegere nederzettingen. Met het geofysisch onderzoek kan de archeoloog ondergrondse voorwerpen ontdekken en fundamenten karteren zonder een spade in de bodem te hoeven steken. Een magnetometer bijvoorbeeld detecteert verschillen in het ijzergehalte in de bodem waarmee voorwerpen en bouwwerken kunnen worden ontdekt.

De opgraving[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Archeologische opgraving voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Velen associëren archeologie met opgraven en dit is inderdaad een wezenlijk aspect in de verwerving van kennis over het menselijk verleden. Het op juiste wijze blootleggen, verzamelen en documenteren van prehistorische voorwerpen is een cruciale fase in het onderzoek, omdat een verkeerde werkwijze leidt tot onherstelbaar gegevensverlies. De door grafrovers en fortuinzoekers verkregen voorwerpen zijn voor de wetenschapper vaak van beperkt belang door het ontbreken van samenhang. Het is bij de opgraving van groot belang te beseffen dat aardlagen door de tijd heen boven elkaar worden gevormd en dat normaal gesproken de voorwerpen die het diepst in de grond liggen het oudste zijn. Een afdaling in de grond is een reis naar het verleden en het is daarom voor de datering van belang dat zorgvuldig wordt geregistreerd op welke diepte voorwerpen zijn aangetroffen. Het uitgangspunt is dan ook dat de vondsten die als laatste door mensen zijn gebruikt als eerste worden geborgen. Dit betekent dat als de gevormde aardlagen niet zijn verstoord de toplaag voor de archeoloog meestal het minst interessant is en dat die iets minder zorgvuldig verwijderd kan worden.

Analyse[bewerken]

Dit is de fase waar het allemaal om begonnen is. Inspectie, opgraving en documentatie stellen de onderzoeker in staat de (pre)historie te bestuderen. De aan de vergetelheid ontrukte resten worden gedateerd, geïnterpreteerd en vergeleken met eerdere vondsten waarna de verworven inzichten worden gepubliceerd.

Misvattingen over archeologie[bewerken]

naald en vishaak gemaakt van bot, Laat-paleolithicum
Geoarcheoloog aan het werk
  • De archeoloog wordt ten onrechte soms gezien als een soort (schat)graver; maar de speurtocht naar oude overblijfselen dient slechts om de kennis van het menselijk verleden te vergroten. Theoretisch kan een prehistorische afvalhoop interessanter zijn dan goud of juwelen.
  • De archeologie bestudeert verdwenen menselijke culturen. Het is geen studie naar uitgestorven diersoorten zoals dinosauriërs; dat is namelijk een tak van de biologie: de paleontologie. Overigens bestond de mens nog niet in het Mesozoïcum, het tijdperk waarin de dinosauriërs leefden. Flora- en faunaresten worden wel door archeologen bestudeerd als dit bijdraagt aan de kennis van de vroegere mens en zijn milieu. Niet allen zijn fossielen en pollen uit dezelfde aardlagen als de artefacten zijn indicatief voor de ouderdom van de vroegere menselijke producten en het paleomilieu waarin de mensen leefden, maar het kunnen ook overblijfselen zijn van de door de mens bedreven akkerbouw en veeteelt. Een goede archeoloog moet daarom voldoende weten over de flora en fauna uit het Pleistoceen en de eerste fasen van het Holoceen. Plantaardige en dierlijke resten in archeologische context worden bestudeerd in de archeobotanie en de archeozoölogie.
  • Bij toeval gevonden Archeologische objecten worden niet automatisch eigendom van de vinder omdat zij behoren tot het cultureel erfgoed. De meeste landen beschouwen archeologica daarom als staatseigendom en zij eisen dat vondsten bij de overheid worden gemeld. Artefacten mogen vanzelfsprekend niet simpelweg uit de grond worden gehaald omdat dan cruciale gegevens verloren gaan. Het niet melden en illegaal exporteren van archeologische vondsten is in veel landen strafbaar en wordt in landen als Egypte en Ierland streng gesanctioneerd.

Nederlandse wettelijke regels[bewerken]

In Nederland geldt voor iedereen (en dus ook voor professionele archeologen) een wettelijke plicht om een vondst te melden bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en zijn opgravingen gebonden aan strikte regels. Zo dient voor veldonderzoek, zoals booronderzoek en opgravingen, een opgravingsvergunning te worden aangevraagd,[6] een vergunning die slechts verleend wordt aan vakbekwame archeologen.[7] Vondsten moeten binnen twee jaar worden geconserveerd en overgedragen aan de eigenaar.[8] Artikel 50 van de Monumentenwet 1988 bepaalt dat de overheid eigenaar is van de vondsten tenzij iemand (anders) zijn eigendomsrecht kan bewijzen. De opgravingsresultaten dienen binnen twee jaar na het einde van de opgraving schriftelijk te worden gerapporteerd aan de minister, de eigenaar en burgemeester en wethouders van de gemeente waar de opgraving plaats vond.[9]

Vlaamse decretale regels[bewerken]

In België valt roerend erfgoed onder de bevoegdheid van de Gemeenschappen en onroerend erfgoed onder de bevoegdheid van de Gewesten. Voor roerende archeologische vondsten is dus de Vlaamse Gemeenschap bevoegd. Zij heeft hiervoor een Archeologiedecreet uitgevaardigd, dat het archeologisch onderzoek regelt. Zo geldt er een wettelijke plicht om toevalsvondsten te melden aan de bevoegde overheid. Voor archeologische opgravingen is een vergunning vereist, alsook voor het gebruik van (metaal)detectoren. Wat het eigendomsrecht betreft, gelden de bepalingen uit het Burgerlijk Wetboek inzake schatvondst en recht van natrekking echter onverminderd.

Zie ook[bewerken]

Zie ook

Tijdperken

In het Nederlandse basis- en middelbaar onderwijs wordt tegenwoordig een iets andere indeling in tien tijdvakken gehanteerd:

  1. Tijd van jagers en boeren (~prehistorie)
  2. Tijd van Grieken en Romeinen (~oudheid)
  3. Tijd van monniken en ridders (~vroege middeleeuwen)
  4. Tijd van steden en staten (~hoge en late middeleeuwen)
  5. Tijd van ontdekkers en hervormers (~renaissance/reformatie)
  6. Tijd van regenten en vorsten (~Gouden Eeuw)
  7. Tijd van pruiken en revoluties (~verlichting)
  8. Tijd van burgers en stoommachines (~industrialisatie)
  9. Tijd van de wereldoorlogen (eerste helft twintigste eeuw)
  10. Tijd van televisie en computer (tweede helft twintigste eeuw)

Culturen/volken waarnaar de archeologie onder meer onderzoek doet Bandkeramische cultuur, Trechterbekercultuur, Kelten, Bataven, Romeinse Rijk / Romeinen in België / Romeinen in Nederland, Franken, Merovingers, Karolingers, Vikingen, Friezen, Oude Grieken, Egyptenaren, Hunnen, Mongolen Overige onderwerpen waarnaar de archeologie onderzoek doet Neanderthaler, Hunebed, Megaliet, Kasteel Verwante disciplines


Archeologen Zie Lijst van archeologen. Aan archeologie verwante beroepen

Antropoloog, Geograaf, Historicus, Paleontoloog

Noten

  1. https://www.forensischinstituut.nl/kenniscentrum/themadossiers/archeologie
  2. a b (en) O'Connor, A., 2007. Finding Time for the Old Stone Age. A History of Palaeolithic Archaeology and Quaternary Geology in Britain, 1860-1960. Oxford University Press, 423 p. ISBN 978-0-19-921547-8.
  3. (en) Hutton, J., 1795-1899. Theory of the Earth, with proofs and illustrations. Cadell Junior and Davies, London 1 & 2.
  4. (en) Lyell, C., 1830. Principles of Geology. Vol. 1-3. London. Principles of Geology op Google Book Search.
  5. (fr) Boucher de Perthes, J., 1838-1841. De la Création, Essai sur l'Origine et la Progression des Êtres. 5 vols. Treutel Et Wurtz, Paris, 2802 p.
  6. Artikel 45 lid 1 van de Monumentenwet 1988
  7. Artikel 45 lid 2 van de Monumentenwet 1988
  8. Artikel 46 lid 3 Monumentenwet 1988
  9. Artikel 46 lid 4 van de Monumentenwet 1988.

Externe links

Wikibooks Wikibooks heeft een studieboek over dit onderwerp: Archeologie.