Neolithicum

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Drieperiodensysteem
Holo-
ceen
Historische Tijd
La Tène-periode   Proto-
historie
Hallstatt-periode
IJzertijd
  Laat  
Midden
Vroeg
Bronstijd
Neolithicum Kopertijd  
Laat Pre-
historie
Midden
Vroeg
Mesoli- thicum of
Epipaleo-
lithicum
Laat
Midden
Vroeg
Pleisto-
ceen
Paleo- lithicum Laat
Midden
Vroeg
Steentijd

Het neolithicum of de nieuwe steentijd is een prehistorische periode die ca. 11.000 v.Chr. begon.[1] Deze periode wordt gekenmerkt door technische en sociale veranderingen. Deze kwamen voort uit de overgang van een samenleving van jager-verzamelaars met een rondtrekkend [2] bestaan naar een samenleving van mensen die in nederzettingen woonden (sedentarisme) en aan landbouw en veeteelt deden. Zij legden voorraden aan voor slechte tijden. Men spreekt ook wel van de neolithische revolutie. Deze schijnt in meerdere plaatsen op de wereld onafhankelijk van elkaar in ongeveer dezelfde tijd begonnen te zijn en zich vervolgens van daaruit over heel de wereld verspreid te hebben. De aanvang van de neolithische revolutie en de snelheid waarmee deze zich ontwikkelde, verschilt van regio tot regio en wordt dan ook per regio behandeld. De voornaamste vernieuwingen waren: het gebruik van werktuigen van gepolijste steen, keramisch vaatwerk (gebakken potten), de ontdekking van de metaalbewerking (koper), het wiel en het schrift. Een van de eersten om deze term te gebruiken was Sir John Lubbock in 1865,[3] hoewel de term neolithic al eerder was geïntroduceerd.[4]

Ontstaan in meerdere kernen en verspreiding van daaruit[bewerken]

De neolithische revolutie begon eerst op die plaatsen die daar het gunstigst voor waren wat betreft klimaat en voedselbronnen. In zeer koude, zeer hete of droge gebieden bleef men langer als jager-verzamelaar leven. Er worden meerdere mogelijke plaatsen als bakermat geopperd:

Vervolgens verspreidde ze zich vanuit deze plaatsen over heel de wereld.

Sommigen denken dat er nog meer kernen zijn geweest dan deze [5]: Nieuw-Guinea, Centraal-Afrika, en oostelijk Noord-Amerika worden genoemd.

Aanvang en snelheid per regio[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Neolithische revolutie voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Verspreiding Neolithicum naar Europa.jpg

De aanvang van het neolithicum en de snelheid van de ontwikkelingen, verschilt van regio tot regio. In sommige regio's zijn deze veranderingen relatief snel gegaan en sommige auteurs menen dan ook te kunnen spreken van een neolithische revolutie. Tegenwoordig spreekt men in de geschiedwetenschap eerder van een neolithische evolutie[6]. Het is namelijk gebleken dat deze overgang in veel regio's veel langer duurde en geleidelijker verliep dan men aanvankelijk dacht.

  • In Zuid-Anatolië en de Vruchtbare Sikkel begon het ca. 11.000 v.Chr., tijdens het einde van de laatste ijstijd (het Weichselien). De ontwikkelingen voltrokken zich daar zeer geleidelijk. Men kan hier beter van een evolutie spreken.
  • In het Middellandse Zee gebied, Griekenland en de Balkan begon het neolithicum omstreeks 6.500 v.Chr. Mogelijk in verband met gebeurtenissen rond de Zwarte Zee begon het Neolithicum in deze streken voornamelijk door migratie[7]. De immigranten bouwden huizen en deden aan landbouw en veeteelt. Niet veel later konden zij ook potten bakken.
  • In Noordwest-Europa begon het neolithicum ca. 6000 - 5.500 v.Chr. voornamelijk door imitatie[8]. De hier aanwezige volkeren keken de kunst af van huizen bouwen, landbouw, veeteelt en pottenbakken. De Neolithische revolutie voltrok zich hier snel.
  • In Limburg rond 5.500 v.Chr. De Neolithische revolutie voltrok zich hier zeer snel omdat huizen bouwen, landbouw, veeteelt en pottenbakken werden geïmiteerd [9].
  • In Engeland en Denemarken begon het Neolithicum pas rond 3.700 v. Chr [7].
  • Primitieve volkeren op eilanden als Borneo en Nieuw-Guinea bevonden zich tot in de 20e eeuw nog in de steentijd. Bij hun "ontdekking" zijn zij meteen het computertijdperk in gekatapulteerd.

Zie datering per regio
Zie Overzichtstabel Neolithicum

Vestiging in nederzettingen, landbouw en veeteelt[bewerken]

Volgens de huidige inzichten hebben de mensen in de Vruchtbare Sikkel en Zuid-Anatolië zich al in het late Mesolithicum of (Natufien) gevestigd in nederzettingen. Dit begon al tijdens het einde van het Weichselien (de laatste ijstijd) ca. 11.000 v.Chr. Het ontstaan en de ontwikkeling van de nederzettingen en de manier waarop huizen worden gebouwd, verlopen per regio anders. Daarom worden ze per regio beschreven. Wel werden de nederzettingen in het algemeen steeds groter en werden ze ook steeds meer beveiligd. Uiteindelijk evolueerden ze tot stadstaten.

De in deze nederzettingen wonende mensen verzamelden in eerste instantie nog wilde gewassen voor hun levensonderhoud. Ze begonnen de velden met deze wilde gewassen enigszins te beschermen tegen wilde dieren [10]. Later ging men steeds meer aandacht schenken aan deze velden.

Mogelijk heeft de landbouw in het vroege neolithicum een impuls gekregen naar aanleiding van een klimatologische verandering[11]. De Jonge Dryas (ca. 10.700 - 9.560 v.Chr.) was een koudeperiode waardoor het klimaat in het Nabije Oosten veel droger werd. Door te wieden en van elders verkregen zaad te planten begonnen de mensen met het beoefenen van landbouw[12]. Er zijn echter veel theorieën over het ontstaan van de landbouw.

Volgens nieuwe inzichten begon men al rond 20.000 v.Chr. te experimenteren met de veredeling van graansoorten[13].

Nog later begon men ook aan veeteelt te doen. Tot dan toe joeg men voornamelijk op wilde dieren om zo in de behoefte aan vlees te voorzien. Toen de kuddes wilde dieren geleidelijk aan begonnen te verdwijnen, begon men ter compensatie aan veeteelt te doen met de domesticatie van schapen, geiten, runderen en varkens.

Nuvola single chevron right.svg Zie ook Neolithicum Nabije en Midden-Oosten - Landbouw en veeteelt

Uitvindingen[bewerken]

Gepolijste steen[bewerken]

Polissoir of slijpsteen om (vuist)bijlen te polijsten (Slijpsteen van Slenaken).
Gepolijste stenen vuistbijl (Archeologisch Museum van Thessaloniki).

De stenen werktuigen in het mesolithicum werden gemaakt door met andere stenen stukken af te slaan van een stuk vuursteen. In het midden-neolithicum begon men werktuigen te maken van geslepen stenen.

Keramiek[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie keramiek en pottenbakkerswiel voor de hoofdartikelen over dit onderwerp.

De ontwikkelingen in het neolithicum over de uitvinding van het pottenbakken en de uitvinding van het pottenbakkerswiel verlopen per regio anders. Daarom worden ze per regio beschreven. In het Midden-Oosten duurde het erg lang na de aanvang van het neolithicum (ca. 11.000 v.Chr.) voordat het pottenbakken werd uitgevonden (ca. 6.200 v.Chr.). In Limburg begon ca. 5.500 v.Chr.het neolithicum met de Bandkeramische cultuur, mensen die tegelijkertijd huizen gingen bouwen, aan landbouw en aan veeteelt deden en ook al konden pottenbakken.

Koper[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie kopertijd voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Nuvola single chevron right.svg Zie metallurgie

Men rekent de kopertijd tot het late neolithicum. Het koper zou rond 5.500 v.Chr. zijn uitgevonden (mogelijk in Zuid-Anatolië). Aanvankelijk werd gedegen koper gebruikt voor werktuigen en wapens. Dit is zacht en dus gemakkelijk te bewerken. Maar de zachtheid is ook een nadeel in het gebruik. Later werd koper uit erts gesmolten. Bij het smelten kwamen verontreinigingen terecht in het koper. Vaak werd het hierdoor harder en dus beter geschikt als gereedschap of als wapen. Soms werd het daardoor echter bros en daarmee ongeschikt. De producten werden tot op grote afstanden geëxporteerd.[14]. Later ging men koper legeren met tin. Dit is het begin van het bronstijdperk. Brons is harder en slijtvaster dan koper.

Het wiel[bewerken]

Trechterbeker uit Bronocice: Een wagen met een soort weg
Karren (eenassig) met houten spaakwielen

Lang plaatste men de baanbrekende uitvinding van het wiel in Sumer rond 4.000 v.Chr. Tegenwoordig gelooft men dat het op verschillende plaatsen ongeveer tegelijkertijd werd uitgevonden. Daarvoor werden lasten getransporteerd met behulp van sleeën en travois. Voor het transport door middel van rollende boomstammen was een goed voorbereide weg nodig. De achterste stammen werden telkens weggenomen en vooraan gelegd. Zonder dit laatste transportmiddel zouden de Egyptische piramiden en Stonehenge niet gebouwd zijn.

Het draaibaar bevestigde wiel maakte het transport veel gemakkelijker en kon ook al in het Neolithicum met stenen werktuigen gemaakt worden. Het schijnt al eerder uitgevonden te zijn, maar werd pas na een paar eeuwen als verkeerstechnisch middel toegepast. Mesopotamische en Egyptische pottenbakkers gelden als de eersten die het wiel als pottenbakkerswiel hebben toegepast bij het maken van aardewerk. De eerste vondsten van wagens of afbeeldingen daarvan dateren van rond 3.500 v.Chr. uit uiteenlopende streken, uit landen rond de Alpen, uit Zuid-Polen (Bronocice), uit de Noord-Kaukasus (Majkopcultuur, tegenwoordig in Rusland), uit Mesopotamië en uit de Induscultuur (Harappa). Het is goed denkbaar dat er in de toekomst nog meer plaatsen worden gevonden waar het wiel is uitgevonden. En onder de oudste vondsten zijn ook al twee-assige wagens.

Vaak ging de invoering van het wiel gepaard met het aanleggen van wegen, maar soms ook niet: het was afhankelijk van het terrein.

Al in de steentijd begon men het gewicht van het massieve wiel te verminderen door er gleuven in te maken. Een uitvinding uit de bronstijd was de spaak die rond 2.000 v.Chr. in het Midden-Oosten werd ingevoerd. Met dit stevige en lichte spaakwiel bouwde men strijdwagens. De eerste spaakwielen hadden bronzen spaken, later werden ze van hout gemaakt. Wel bleef het lager met brons beslagen[15].

Het schrift[bewerken]

Schrift is een communicatiemiddel en men kan er gesproken informatie mee bewaren. Het is een van tevoren afgesproken systeem, waarin tekens een vaste betekenis hebben. Deze tekens worden op een drager geschreven, waardoor ze weer (gebruik makend van dezelfde afspraken) gedecodeerd ofwel gelezen kunnen worden.[16].

Kleitablet met Sumerisch spijkerschrift (± 2400 v.Chr.)

Vóór de ontwikkeling van het schrift had men slechts de mondelinge overlevering. Dit borg het gevaar in zich dat onderdelen van het verhaal werden weggelaten, toegevoegd of veranderd. Het ontstaan van het schrift wordt geplaatst in bijna alle bekende culturen in het laat-Neolithicum: Sumer, Egypte, Indus-cultuur, Rijk van het midden, Olmeken en tegenwoordig ook wel in Zuid-Anatolië.

  • Traditiegetrouw noemt men Sumer als de plaats waar het schrift in de vorm van spijkerschrift voor het eerst ca. 3.300 v.Chr. is gebruikt in verband met de toenemende handel en bureaucratie.[17]
Bullae: aanvankelijk werden driedimensionale vormpjes van klei gemaakt die goederen en aantallen symboliseerden. De voorwerpjes werden opgesloten in een zakje van klei en afgesloten met een zegel. Dit werd meegegeven aan degene die bijvoorbeeld een kudde dieren moest afleveren. De afnemer kon dan zien of de levering klopte. Het schrift begon, toen deze driedimensionale vormen werden overgebracht op een plat vlak. In een plak klei werden de symbolen gekrast. Deze symbolen ontwikkelden zich tot pictogrammen. Een voet werd aangegeven door een tekeningetje van een voet. Later ging dit echter ook verwijzen naar "gaan" en "staan". De symbolen voor "vogel" en "ei" betekenden samen "opvoeden". De tekens werden hiermee ideogrammen.
Het schrift werd in de loop van het derde millennium eerst alleen gebruikt voor economische doeleinden; wetteksten, contracten, brieven, boekhoudkundige teksten.
Rond 2700 v.Chr. stopte men met het krassen in klei en ging men indrukken maken met een stylus. Dat leidde tot een sterke schematisering: de symbolen zijn nauwelijks nog herkenbaar. Door de vorm van de stylus ontstond het typische spijkerschrift. Ook schreef men niet meer van boven naar beneden maar van links naar rechts.
Vanaf 2600 v.Chr. werd het schrift ook gebruikt voor historische teksten, bezweringen, epen, hymnen en liefdespoëzie, dit alles vaak in een religieuze context.
De andere bevolkingsgroep in Mesopotamië, de Akkadiërs, begon pas later te schrijven.[18]
In het eerste millennium had het spijkerschrift zich ontwikkeld tot een lettergrepenschrift met ca. 600 tekens[19].
  • Slechts weinig onderzoekers geloven dat de symbolen van de Vinča-cultuur uit het vijfde millennium v.Chr. een echt schrift zijn.
  • De Egyptische hiërogliefen worden soms gezien als een idee dat uit voor-Azië is geïmporteerd, maar door nieuwe vondsten van Günter Dreyer denkt men dat het om een zelfstandige uitvinding gaat.
  • In China en Midden-Amerika (Maya's) werd het schrift eveneens zelfstandig ontwikkeld. Het oudste schrift dat in Midden-Amerika ontdekt werd, is een ca. 3.000 jaar oude steen waarin 62 symbolen gekerfd staan. Enige van deze symbolen stonden ook op vondsten van de Olmeken.[20]
  • Reeds rond 9.500 v.Chr. werden er in Zuid-Anatolië in Göbekli Tepe stenen gemaakt met geometrische lijnen, waarvan onderzoekers met enige zekerheid zeggen, dat ze dienden voor het rekenen. Rekenen is waarschijnlijk het belangrijkste fundament voor de ontwikkeling van een echt schrift. De gevonden stenen kregen de Latijnse naam calculi, waarvan het woord “calculeren” (rekenen) is afgeleid. In Nevali Cori zouden bullae gevonden zijn.

Opkomst van specialisatie, hiërarchisering, oorlog en staten[bewerken]

Neolithische pot uit Korea

Aanvankelijk was er in het Mesolithicum en het vroege Neolithicum een heterarchie, iedereen deed alles zelf en iedereen had in principe evenveel te vertellen. Hooguit was er een ad-hocleider bij de jacht. Als er al sprake was van bestuur, dan was dit bottom-up.

Met de omschakeling van jager-verzamelaars naar een gevestigd boerenbestaan, kwam er een toenemende specialisatie (bijvoorbeeld één herder per dorp, één pottenbakker enz.). Later kwam er enige industrialisatie voor gebruiks- en siervoorwerpen. De (seriematige) productie hiervan was ook gespecialiseerd.[21]

Ook ontstond er geleidelijk aan een hiërarchische organisatie van de gemeenschap.

  • Grotere groepen van verwanten vervingen de kleine families
  • Gezamenlijke organisaties beschermden en bestuurden nu de belangen van het individu.
  • Behalve werken voor het levensonderhoud en het huishouden, waren er nu taken voor de gemeenschap (die hierdoor sociaal en economisch sterker werd)[22]. Het (verplicht) uitvoeren van taken voor de gemeenschap zou gezien kunnen worden als het begin van een belastingstelsel.

In onderlinge competitie ontstond een snelle toename van de kennis over het beheer van de omgeving. Men kon zich nu economisch aanpassen en omgaan met tekorten in de opbrengst van de omgeving, iets wat daarvoor onmogelijk was. Er kwamen voorraden en voorraadbeheer. Er was in toenemende mate industriële productie en technische vernieuwing. Er kwam geleidelijk aan handel, soms met verre gebieden.

Er kwam een zekere mate van welstand voor sommige nederzettingen en sommige mensen. Er kwam ongelijkheid van bezit. Daarmee kwamen er echter toenemende conflicten tussen en binnen de nederzettingen. Geleidelijk aan werden de nederzettingen versterkt, er kwamen muren omheen. De nederzettingen werden steeds groter, de vorming van stadstaten begon en oorlog werd een middel om belangen te behartigen.

Door het aanleggen van voorraden en het verzamelen van kapitaal begon het verschijnsel "privé-eigendom" maar ook diefstal op te treden. Er kwamen mogelijk vormen van rechtspraak.

Ook ontstond door de aanleg van voorraden een sterke bevolkingsgroei. Toch werden mensen nu (in vergelijking met het Laat-paleolithicum) kleiner, daalde hun levensverwachting en hadden ze meer infecties. Dit wordt wel toegeschreven aan het feit, dat ze door in nederzettingen te wonen niet meer zo mobiel waren om bij een slechter wordend klimaat snel te verhuizen. Daardoor zouden zij nu juist eerder het slachtoffer zijn geworden van hongersnoden[23].

Voorouderverering, religie en kunst[bewerken]

Tijdens het Midden-paleolithicum, bij de neanderthalers, bestond de gewoonte reeds om de stoffelijke resten van gestorven leden van de gemeenschap met zorg aan de aarde toe te vertrouwen. De uitvoering van het graf bleef echter uiterst bescheiden, in de vorm van een heuveltje, een paaltje of bijvoorbeeld een steen werd het graf gemarkeerd.[24] In het neolithicum wordt voor het eerst werk gemaakt van het uiterlijke, zichtbare deel van het graf. De toen gebouwde grafmonumenten (vaak in de vorm van grote langwerpige of ronde heuvels van aarde over een stenen of houten grafkamer) werden generaties lang gebruikt, met bijzettingen die tot in de honderden liepen. In de Lage Landen waren het de boeren van de trechterbekercultuur die dergelijke imposante graven bouwden. In de grafkamers werden ook resten van aardewerk aangetroffen (gemiddeld één of twee potten per persoon). Vanaf 2900 verschenen in het grootste deel van Noord- en Midden-Europa graven met individuele bijzetting en bijgiften, voorwerpen die met de gestorvene werden begraven. Het gaat bij de 'enkelgrafcultuur' om individuele inhumaties waarbij de dode in een grafkuil met bekisting wordt gelegd, met daaromheen een greppel en soms een palenkrans. Ook werden vrouwen en mannen anders ter aarde gelegd: vrouwen op hun linkerzijde naar het oosten gericht, mannen op hun rechterzijde naar het westen gericht. De overgang van trechterbekercultuur naar enkelgrafcultuur omstreeks 2900 v.Chr. verliep zo bruusk (één tot twee generaties) dat wel eens van een culturele revolutie gesproken wordt, waarbij een nieuwe bevolking zich in het gebied was komen vestigen en op korte tijd cultureel dominant werd.

Het bestaan van een zorg voor de doden en rituelen zoals het meegeven van persoonlijke bezittingen of offergaven is een mogelijke aanwijzing voor een geloof in een leven na de dood, maar de exacte betekenis ervan is door archeologen natuurlijk niet meer te achterhalen. Over het algemeen zou men kunnen stellen dat er in het vroege neolithicum mogelijk alleen sprake was van voorouderverering terwijl er op het einde van het Neolithicum ontwikkelingen waren in de richting van een pantheon met goden en mythologische verhalen die aan de hoven de ronde deden [25]. Voor het gewone volk bleef de voorouderverering belangrijk tot diep in de ijzertijd.

Aangezien de kunst en de religie per regio verschillen, worden ze verder besproken bij de artikelen over de regio's.

Meer klimaat[bewerken]

Rond 6.200 v.Chr. vond dan ook nog "de 8k2 gebeurtenis" plaats[26]. Een door klimatologen zo genoemde ontwikkeling, waarbij de temperatuur over de hele wereld enkele graden daalde. Deze gebeurtenis markeerde in de Levant het einde van het pre-keramische tijdperk.

Ötzi[bewerken]

Een van de bekendste recente vondsten uit het neolithicum is Ötzi, een ijsmummie die ca. 3.300 v.Chr. leefde. Zijn lichaam werd in ontdooiend ijs op een berg tussen Italië en Oostenrijk aangetroffen. Hij had typische steentijdartefacten bij zich, zoals lederen kleren, pijl en boog en ook een koperen bijl.

Datering per regio[bewerken]

Omdat de datering van het neolithicum per regio verschilt, volgt hier een opsplitsing in regio's.

Overzichtstabel Neolithicum[bewerken]

Neolithicum in grote lijnen[bewerken]

Noten[bewerken]

  1. in het midden-Oosten en Anatolië was het Neolithicum al 10.900 v.Chr. stevig gevestigd: Quaternary Science Reviews 26 (2007) 2036–2041, Catastrophic early Holocene sea level rise, human migration and the Neolithic transition in Europe, Chris S.M. Turneya, Heidi Brown
  2. Dit was niet "zomaar" rondtrekken: zij gingen waar het voedsel was: afhankelijk van dierentrek, oogstrijpe gewassen etc. (Dit zou het grote voordeel zijn geweest van Sapiens boven Neanderthaler)
  3. (Pre-historic Times, Londen - Edinburgh, 1865, p. 60 (= 18692, p. 74.).)
  4. (A. O'Connor, Finding Time for the Old Stone Age. A History of Palaeolithic Archaeology and Quaternary Geology in Britain, 1860-1960, Oxford, 2007, p. 102.).
  5. The human past. World Prehistory and the Development of Human Societies door Chris Scarre (2005) p.186: Research in recent decades has confirmed that agriculture arose independently during the Holocene in at least seven different regions of the world - Southwest Asia [Fertile Crescent, 9000 BC], East Asia [Yangzi and Yellow River basins 7000 BC], New Guinea highlands [7000-4000 BC] (vindplaats Kuk), sub-Saharan Africa [3000-2000 BC], Andean South America [3000-2000 BC], central Mexico [3000-2000 BC] and the eastern United States [2000-1000 BC]. Mogelijk komt daar nog een achtste bij, Amazonia in Zuid-Amerika (3000-2000 BC)
  6. R.S. Mac Neish, The Origins of New World Civilization, in Scientific American 211 (1964), p. 37: « think more in terms of Neolithic "evolution" than "revolution"
  7. a b Quaternary Science Reviews 26 (2007) 2036–2041, Catastrophic early Holocene sea level rise, human migration and the Neolithic transition in Europe, Chris S.M. Turneya, Heidi Brown
  8. Nederlander stamt af van jager-verzamelaars
  9. M. Lodewijckx, De Aanvang van het neolithicum (ca. 9.000 - 4.700 v.C.), in J. Capenberghs (ed.), Gisteren voorbij. Een archeologische kijk op de geschiedenis van de oudste tijden, Leuven - Apeldoorn, 1991, p. 84.
  10. Göbekli Tepe, Klaus Schmidt
  11. O. Bar-Yosef, The Natufian Culture in the Levant, Threshold to the Origins of Agriculture, in Evolutionary Anthropology 6 (1998), pp. 159-177.
  12. Hoewel deze theorie niet onomstreden is
  13. Warwick
  14. Op sommige neolithische vindplaatsen zijn grote hopen zwarte stenen gevonden: de slakken van de neolithische kopersmelterijen
  15. Verschillende Auteurs, art. Rad, de.Wikipedia.org (2003-2008). (vertaald naar Duitstalige Wikipedia, zie daar voor bronnen en referenties)
  16. Tekens en symbolen zouden een eigen geschiedenis kunnen hebben. De tekeningen in de holen van Lascaux zijn 20.000 jaar oud. Ook daar werden al abstracte tekens gebruikt die misschien een magische en symbolische betekenis hadden. Dit soort afbeeldingen wordt al tienduizenden jaren gebruikt om boodschappen achter te laten. Maar men kan pas van schrift spreken als er een van tevoren afgesproken systeem is, waarin tekens een vaste betekenis hebben.
  17. De tot nu toe oudste vondsten van schrift werden gedaan in een laag met afval onder de Uruk-III-laag. Daardoor zijn ze in het vierde millennium v.Chr. te dateren. Het gaat om handelsteksten. Het toegepaste schrift laat echter geen conclusies toe omtrent de taal, dus we weten niet zeker of het Sumerisch is.
  18. na 2000 wordt Sumerisch niet meer gesproken, maar het blijft ge/herschreven worden. Kennis van Sumerisch blijft onontbeerlijk voor een carrière als ambtenaar tot diep in het 1e millennium. De laatst gevonden tekst in spijkerschrift in het Akkadisch is van 100 n.Chr.
  19. Ambo. Het Gilgamesj-epos. T. de Feyter. 2001. ISBN 90-263-1681-X, inleiding
  20. SZ Wissen 12/2006, p. 14
  21. Opgraving te Ba'ja, bevat vele referenties en foto's
  22. H.G. Gebel, The Neolithic of the Near East An essay on apolycentric process and other research problems, in A. Hausleiter - S. Kerner - B. Müller-Neuhof (edd.), Material Culture and Mental Spheres, Münster, 2002, pp. 313-324, Ibidem, Subsistenzformen, Siedlungsweisen und Prozesse des sozialen Wandels vom akeramischen bis zum keramischen Neolithikum, Teil II: Grundzüge sozialen Wandels im Neolithikum der südlichen Levante, diss. Universität Freiburg, 2002
  23. S. Wells, Die Wege der Menschheit. Eine Reise auf den Spuren der genetischen Evolution, Frankfurt/Main, 2003, p. 273.
  24. P.W. van de Broeke: Dodenbezorging en gedachtengoed van de noordelijke landbouwers, in Pre- & Protohistorie van de Lage Landen', p.227
  25. Georges Dumézilen:Trifunctional hypothesis, en:Origin of religion, en:Prehistoric religion (en:Paleolithic religion)
  26. P.M.M.G. Akkermans - R. Cappers - C. Cavallo - O. Nieuwenhuyse - B. Nilhamn - I.N. Otte, Investigating the Early Pottery Neolithic of Northern Syria: New Evidence from Tell Sabi Abyad, in AJA 110 (2006), pp. 123-156.
  27. Noot bij Tabel "Neolithicum in grote lijnen": hier is niet iedereen het mee eens, Thompson, L.G., Mosley-Thompson, E. & Henderson, K.A., 2000: Ice-core paleoclimate records in tropical South America since the last glacial maximum, Journal of Quarternary Science 15, pp 377-394
  28. Noot bij Tabel "Neolithicum in grote lijnen": hoewel deze theorie niet onomstreden is. [1]
  29. Quaternary Science Reviews 26 (2007) 2036–2041, Catastrophic early Holocene sea level rise, human migration and the Neolithic transition in Europe, Chris S.M. Turneya, Heidi Brown
  30. Warwick
  31. Quaternary Science Reviews 26 (2007) 2036–2041, Catastrophic early Holocene sea level rise, human migration and the Neolithic transition in Europe, Chris S.M. Turneya, Heidi Brown
  32. Volkskrant
  33. Quaternary Science Reviews 26 (2007) 2036–2041, Catastrophic early Holocene sea level rise, human migration and the Neolithic transition in Europe, Chris S.M. Turneya, Heidi Brown

Referenties[bewerken]

  • J. Lubbock, Pre-historic Times, Londen - Edinburgh, 1865.
  • A. O'Connor, Finding Time for the Old Stone Age. A History of Palaeolithic Archaeology and Quaternary Geology in Britain, 1860-1960, Oxford, 2007.

Verder lezen[bewerken]