Weichselien

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Indeling van het Pleistoceen
Internationaal Noordwest Europa
Serie Sub-serie Etage Super-etage Etage Tijd (Ma)
Holoceen jonger
Pleistoceen Laat Tarantien (onbenoemd) Weichselien 0,0115 - 0,116
Eemien 0,116 - 0,128
Midden Ionien Saalien 0,128 - 0,238
Oostermeer 0,238 - 0,243
(onbenoemd) 0,243 - 0,324
Belvédère 0,324 - 0,338
(onbenoemd) 0,338 - 0,386
Holsteinien 0,386 - 0,418
Elsterien 0,418 - 0,465
Cromerien diverse etages 0,465 - 0,850
Vroeg Calabrien
Bavelien diverse etages 0,85 - 1,07
Menapien diverse etages  
Waalien diverse etages  
Eburonien diverse etages  
Gelasien Tiglien diverse etages 1,80 - 2,40
Pretiglien diverse etages 2,40 - 2,588
Plioceen   Piacenzien Reuverien   ouder
Tabel 1 - Indeling van het Pleistoceen
Blauwe vakken: Glaciaal of Stadiaal - Roze vakken: Interglaciaal of Interstadiaal

Het geologisch tijdvak Weichselien (Vlaanderen: Weichseliaan of Weichsel), ook wel Weichsel Glaciaal genoemd, is een etage van de serie Pleistoceen, die duurde van 116.000 tot 11.500 jaar geleden. Het Weichselien komt na/op het Eemien en wordt opgevolgd door het Holoceen. Het Weichselien is bekend als 'de laatste ijstijd'. De term ijstijd heeft ook een andere definitie en zou hier beter niet gebruikt moeten worden. De correcte term is glaciaal, echter in de praktijk wordt in dit verband heel vaak toch de term 'ijstijd' gebruikt. Gedurende het Weichselien bereikte het Scandinavische landijs Nederland niet. Samen met het Eemien maakt het Weichselien deel uit van het Laat Pleistoceen.

Naamgeving[bewerken]

Het Weischselien dankt zijn naam aan de Poolse rivier de Wisła, die in het Duits Weichsel werd genoemd. In Oost-Europa komt ook wel de naam Vistula voor (een latinisering van Wisła). De namen Weichselien en Vistula worden gebruikt in dat deel van Europa dat binnen het bereik van de Scandinavische vergletsjering viel. In Centraal-Europa, binnen het bereik van de Alpiene vergletsjering, wordt de naam 'Würm Glaciaal' gebruikt. In Groot-Brittannië wordt deze periode 'Devensian' genoemd, in Ierland het 'Midlandian'. In Noord-Amerika wordt de naam 'Wisconsin glaciation' gebruikt, terwijl in de Rocky Mountains het Laat Weichselien de 'Pinedale glaciation' wordt genoemd.

In Nederland is gedurende de jaren vijftig van de twintigste eeuw de term Tubantien in gebruik geweest.

De reden voor al deze verschillende benamingen voor 'dezelfde' glacialen is gelegen in het feit dat de perioden vernoemd zijn naar hun afzettingen. Meestal zijn dat afzettingen die gerelateerd zijn aan de dichtstbijzijnde ijskap, zoals keilemen, eindmorenen, lössen, fluvioglaciale afzettingen, etc. De Scandinavische en de Alpiene ijskappen zijn nooit samengevloeid. Er ligt een gebied tussen dat in zekere mate door beide beïnvloed is, maar waar geen directe afzettingen van de gletsjers, zoals keilemen, zijn afgezet. Het betekent dat een keileem van de Scandinavische ijskap nooit de keileem van de Alpiene ijskap uit dezelfde periode 'ontmoet'. Uit de keilemen zelf blijkt hun ouderdom niet dus zekerheid of het om keilemen uit dezelfde periode gaat, is niet uit de keilemen zelf af te leiden. Omdat in beide gebieden apart moet worden bepaald hoe oud de keilemen uit de verschillende glacialen zijn, is het verstandig om de afzettingenreeks uit beide gebieden een eigen reeks namen te geven. Daarna kan onderzocht worden welke glacigene afzettingen uit beide gebieden gelijktijdig zijn afgezet (correleren). In het geval van de afzettingen uit het Weichselien (Scandinavische ijskap) blijken die te correleren met die uit het Würm (Alpiene ijskap). Ook als men van mening is dat duidelijk is welke afzettingen uit de reeks van beide gebieden met elkaar correleren, is het verstandig om de eigen set namen te blijven hanteren. Toekomstig onderzoek kan nl. altijd uitwijzen dat een bepaalde correlatie niet klopt waardoor een glaciaal uit het ene gebied met een ander glaciaal uit het andere gebied blijkt overeen te komen dan tot dan toe gedacht. Dezelfde redenen vormen de grondslag om de glacialen uit Groot-Brittannië, Noord-Amerika, Rusland, enz., eigen namen te geven.

Indeling in Noord-Europa[bewerken]

Het Weichselien wordt in drie delen onderverdeeld: Vroeg (116.000 tot 73.000 jaar geleden), Midden (het zogenaamde pleniglaciaal, van 73.000 tot 14.500 jaar geleden) en Laat (laatglaciaal, van 14.500 tot 11.500 jaar geleden).

Het Vroeg-Weichselien was een afwisseling van koude (stadialen) en warmere (interstadialen) perioden. Bij het aanbreken van het pleniglaciaal werd het klimaat nog kouder, hoewel er nog steeds interstadialen plaatsvonden, waarin het klimaat tijdelijk wat opwarmde. Voor de gebieden rond de Noordzee betekende dit in feite een afwisseling tussen extreem koude omstandigheden (poolwoestijn) en iets warmere omstandigheden (toendra). Het laat-pleniglaciaal (ongeveer vanaf 29.000 jaar geleden) was een lange periode van extreme afkoeling, waarin op de breedtegraden rond de Noordzee nauwelijks meer vegetatie kon groeien.

Vanaf 19.000 jaar geleden wordt het klimaat wereldwijd geleidelijk warmer. Dit leidde in het laatglaciaal tot twee interstadialen Allerød en Bølling) waarin de zeespiegel steeg, de boomgrens naar het noorden schoof en de gletsjers in Scandinavië zich terugtrokken. Drie keer werd dit onderbroken door een periode waarin de kou terugkeerde. De laatste en koudste van deze stadialen was helemaal aan het einde van het Weichselien. Dit stadiaal wordt de Jonge Dryas genoemd.

Klimaat[bewerken]

Serie Etage Sub-etage Chronozone Tijd geleden (jaar)
Holoceen Preboreaal 10.640 - 11.560
Pleistoceen Weichselien Laat- glaciaal Jonge Dryas 11.650 - 12.850
Allerød 12.850 - 13.900
Oude Dryas 13.900 - 14.000
Bølling 14.000 - 14.650
Pleni- glaciaal
Denekamp 28.000 - 32.000
Hengelo 36.900 - 38.700
Moershoofd
Glinde 48.000 - 51.000
Ebersdorf
Oerel 55.400 - 57.700
Schalkholz
Vroeg- glaciaal Odderade ±74.000
Rederstall
Brørup
Herning -116.000
Eemien 116.000- 128.000
Blauw: Koud - Roze: Warm (kolom Chronozones)

Het Weichselien was de laatste van de duidelijk koudere perioden (de glacialen) die in het Pleistoceen optraden. Tijdens het Weichselien waren België en Nederland niet door landijs bedekt. De zuidelijkste punt van het landijs lag ter hoogte van Sleeswijk-Holstein en de Scandinavische en de Britse ijskappen hebben elkaar, in tegenstelling tot het voorlaatste glaciaal, het Saalien, nooit bereikt. In Nederland en België heerste een toendraklimaat. Door de lage zeespiegel lagen de Noordzee en de Ierse Zee droog; hier heersten omstandigheden van een poolwoestijn.

Binnen het Weichsel-glaciaal heersten echter ook klimaatschommelingen tussen koudere en warmere perioden. Van de koudere perioden (de stadialen) vallen vooral de periode tussen 22.000 en 18.000 jaar geleden en het laatste deel van het Weichselien rond 12.000 jaar geleden (het Jonge Dryas) op. Tijdens de warmere perioden (de interstadialen) verschoven de vegetatiezones noordwaarts. Deze perioden duurden echter meestal niet langer dan een paar honderd jaar, waarna de kou weer terugkwam.

'Dansgaard-Oeschger-cycli' en 'Heinrich Events'[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Meer informatie over Heinrich Events en Dansgaard-Oeschger-cycli.

In boringen in de diepzee overheersen fijne tot zeer fijne sedimenten vrijwel volledig. Echter, af en toe worden er in diepzeeboringen grotere partikels in het sediment aangetroffen (met groottes tot aan fijn grind), die daar onder de heersende sedimentologische omstandigheden niet te verwachten zijn. Men heeft gevonden dat niveaus met deze grovere partikels een aantal keren optreden. De enige manier om het verschijnsel te verklaren, is door aan te nemen dat deze partikels vanaf het zeeoppervlak ter plaatse naar de zeebodem zijn gevallen. Men neemt aan dat er sprake is van gesteente dat meegevoerd is door ijsbergen en tijdens het afsmelten daarvan ter plaatse is gedeponeerd. De partikels worden 'dropstones' genoemd of 'ice rafted debris'. De laagjes met deze 'dropstones' zouden ontstaan zijn tijdens perioden van opwarming, waardoor ijsbergen massaal van de ijskappen losraakten. Deze (soms zeer) korte perioden van opwarming worden 'Heinrich Events' genoemd, naar hun ontdekker Hartmut Heinrich. 'Heinrich Events' zijn bekend uit alle glacialen, maar vooral uit het Weichselien. De events uit het Weichselien zijn genummerd: H0 tot en met H6, waarbij H0 waarschijnlijk tijdens de Jonge Dryas opgetreden is.

Dansgaard-Oeschger-cycli (DO-cycli) zijn nauw verwant aan 'Heinrich Events'. Het zijn periodiek optredende snelle klimaatveranderingen die zichtbaar worden in de stabiele zuurstofisotopenverhouding van ijskernen en kalkige fossielen, zoals foraminiferen. Er zijn tijdens het Weichselien 23 DO-cycli waargenomen, waarvan er een aantal overeenkomt met reeds bekende interstadialen.

Koude laat glaciale zee[bewerken]

Maximale uitbreidingen van het Scandinavische landijs tijdens drie verschillende glacialen. Rode lijn: Weichselien; Gele lijn: Saalien; Blauwe lijn: Elsterien
Nuvola single chevron right.svg Zie voor meer informatie het artikel isostasie.

Als gevolg van het gewicht van de ijskap werd de aardkorst naar beneden geduwd. Bij het afsmelten van het ijs aan het eind van het glaciaal viel het gewicht weg en begon de aardkorst weer omhoog te komen. Door het afsmelten steeg ook de zeespiegel. De rijzende zeespiegel haalde op plaatsen die bij de rand van de ijskap gelegen waren en daardoor het diepst naar beneden geduwd waren, de omhoogkomende bodem in, waardoor deze gebieden door de zee overstroomd werden. Dat gebeurde terwijl het klimaat nog niet echt warm was en ook het zeewater door de grote toevoer van smeltwater van de nabijgelegen gletsjers erg koud was. Dergelijke koude zeeën, waarin ook het zoutgehalte laag was, kwamen na verschillende glacialen (Elsterien, Saalien, en Weichselien in het gebied van de huidige Oostzee en de Noordzee gedurende een relatief korte periode voor. Omdat de snelheid van de zeespiegelrijzing na verloop van tijd afnam, maar de bodemrijzing nog doorging, trok de zee zich plaatselijk ook weer terug. De periode daarna laat een afname zien van de bodemrijzing, terwijl de stijging van de zeespiegel langzaam doorging. Op sommige plaatsen keerde de zee weer terug, maar nu met een 'warme' fauna. Op andere plaatsen, die wel onder water bleven, wordt de 'koude' fauna langzaam vervangen door een 'warme.' Weer andere plaatsen kenden alleen de koude fase en bleven daarna boven water. Welk van deze scenario's zich afspeelde, was afhankelijk van waar de plaats zich ten opzichte van de ijskap bevond en hoe diep de bodem was neergeduwd. In deze koude zee leefde een arctische fauna die vooral door de molluskenfauna herkenbaar is. Naar de karakteristieke molluskenfauna werden deze kort bestaande koude zeeën Yoldiazee genoemd.

Afzettingen in Nederland en België[bewerken]

De poolwoestijn die in sommige gebieden in Noord-Europa heerste, met name in de droogliggende Noordzee, zorgde voor veel losliggend zand, terwijl de wind vrij spel had. In grote delen van Europa ten zuiden van de ijskap is daardoor dekzand en löss afgezet, dat werd meegenomen door de wind (eolisch). In Nederland bestaat dat sediment vooral uit zand (grovere korrels). Plaatselijk werd ook löss afgezet, vooral in Zuid-Limburg en Noord-Brabant, maar ook noordelijker, langs de zuidelijke Veluwezoom of zelfs in Groningen. In België overheerst lösssedimentatie. In Nederland worden afzettingen met een voornamelijk eolische facies samengevat in de lithostratigrafische eenheid Formatie van Boxtel. Deze formatie bevat ook afzettingen die ouder zijn dan het Weichselien. Een oudere naam voor dergelijke alleen uit het Weichselien daterende afzettingen is Formatie van Twente. Fluviatiele afzettingen met een Rijnmineralogie en in de (fijne) grindfractie noordelijke gesteentecomponenten (oorspronkelijk aangevoerd door de gletsjers uit het Saalien) worden samengevat onder de Formatie van Kreftenheye. Deze formatie is voornamelijk afgezet tijdens het Weichselien, maar begon al vlak voor het Eemien en eindigde in het vroege Holoceen.

In de Nederlandse provincie Limburg worden verschillende pakketten löss onderscheiden: oude, middelste en jonge löss. De middelste en de jonge löss zijn tijdens het Weichselien afgezet.

In de provincie Noord-Brabant is rond Eindhoven de 'Brabantse Leem' bekend. Deze leem is gedeeltelijk tijdens het Weichselien afgezet en is te beschouwen als een in moerassige omgeving gesedimenteerde löss. In het Duits bestaat daar de term 'Sumpflöss' voor. De Brabantse Leem is onderdeel van de Formatie van Boxtel. Plaatselijk is de leem fijn gelaagd en bevat hij fossiele bodems en/of concentraties van land- en zoetwatermollusken.

Wereldkaart met vegetatiezones tijdens de laatste koude fase van het Weichselglaciaal, het zogenaamde Jonge Dryas. Grijs is gebied bedekt door landijs, de lichtroze kleur waarmee onder andere Noord- en Centraal-Europa bedekt is, geeft toendra aan. De blauwe kleur van onder andere de tegenwoordige Noordzee staat voor poolwoestijn.

IJstijdrelicten uit het Weichselien[bewerken]

IJstijdrelicten zijn planten of dieren die gedurende de glacialen de grootste uitbreiding van hun areaal hadden en die nu nog steeds voorkomen. Sommige plassen worden bewoond door dieren die de koudere periode overleefd hebben, zoals het watervloachtige kreeftje Eurycercus glacialis, dat verder alleen op Groenland voorkomt, en de geelgerande watertor (Dytiscus marginalis L.), die ook in Lapland leeft. Van de planten uit het Weichselien vinden we de Zweedse kornoelje (Cornus suecica L.), de zevenster (Trientalis europaea L.) en het Linnaeusklokje (Linnaea borealis L.) in Nederland.

Mensen in het Weichselien[bewerken]

Het uitgestrekte open landschap van de toendra was de graasplek voor kudden dieren, waar door de mens op gejaagd werd. Tijdens het Weichselien werd Centraal-Europa bevolkt door nomaden die achter de kuddes aantrokken voor hun voedsel. Het gaat hierbij om mensen van onze soort, Homo sapiens. Naast onze soort zijn Neanderthalers nog gedurende het grootste deel van het Weichselien in Europa aanwezig geweest. Zij verdwenen grotendeels ongeveer 30.000 jaar geleden.

Meer afbeeldingen[bewerken]

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  • (en) Mangerud, J., Astakhov, V., Jakobsson, M., Svendsen, J.I., 2001. Huge Ice-age lakes in Russia. Journal of Quaternary Science, 16(8): 773–777.
  • (en) Mangerud, J., Jakobsson, M., Alexanderson, H., Astakhov, V., Clarke, G.K.C., Henriksen, M., Hjort, C., Krinner, G., Lunkka, J.-P., Moller, P., Murray, A., Nikolskaya, O., Saarnisto, M., Svendsen, J.I., 2004. Ice-dammed lakes and rerouting of the drainage of northern Eurasia during the Last Glaciation. Quaternary Science Reviews, 23: 1313–1332.
  • (de) Meene, E.A. van de & W.H. Zagwijn, 1978. Die Rheinläufe im deutsch-niederländischen Grenzgebiet seit der Saale-Kaltzeit. Ueberblick neuer geologischer und pollenanalytischer Untersuchungen. Fortschritte in der Geologie von Rheinland und Westfalen, 28: 345-359.
  • Meijer, T., 2010. Palaeomalacology of the Brabant loam (The Netherlands). pp 179-192, In: Bakels, C., Fennema, K., Out, W.A., Vermeeren, C. (Eds). Van planten en slakken. Bundel aangeboden aan Wim Kuijper als dank voor veertig jaar lesgeven en determineren. 279 pp. Sidestone Press, Leiden.
  • (de) Meyer, K.-D., 1981. Arbeitsergebnisse der Subkommission für Europäische Quartärstratigraphie: Stratotypen des Elster- und Weichsel-Glazials (Berichte der SEQS 4). Eiszeitalter und Gegenwart, 31: 203-209.
  • (nl) Mulder, E. de, Geluk, M.C., Ritsema, I., Westerhoff, W.E., Wong, T.E. (eds), 2003. De ondergrond van Nederland. Geologie van Nederland, 7: 379 pp.
  • (nl) Pannekoek, A.J. (ed.), 1956. Geologische geschiedenis van Nederland. Staatsdrukkerij- en Uitgeversbedrijf, 's-Gravenhage, 154 pp.
  • (en) Ran, T.H., Bohncke, S.J.P., Huissteden, K.J. van, and Vandenberghe, J., 1990. Evidence of episodic permafrost conditions during the Weichselian Middle Pleniglacial in the Hengelo Basin (The Netherlands). Geologie et Mijnbouw, 69: 207-218.
  • (en) Schokker, J., 2003. Patterns and processes in a Pleistocene fluvio-aeolian environment. Netherlands Geographical Studies, 314: 142 pp. (thesis).
  • (nl) Sloff, J.O., 1919. Schelpen in löss. Maandblad van het Natuurhistorisch Genootschap in Limburg, 8(1): 5.
  • (nl) Staalduinen, C.J. van, ed., 1977. Geologisch onderzoek van het Nederlandse Waddengebied. Rijks Geologische Dienst, Haarlem, 77 pp.
  • (en) W.H. Zagwijn, 1961. Vegetation, climate and radiocarbon datings in the Late Pleistocene of the Netherlands. Part 1: Eemian and Early Weichselian. Mededelingen Geologische Stichting NS 14, 15-45.
  • (en) W.H. Zagwijn, 1986. The Pleistocene of the Netherlands with special reference to glaciation and terrace formation. Quaternary Science Reviews, 5: 341-345.
  • (nl) W.H. Zagwijn, Beets, D.J., Berg, M. van den, Montfrans, H.M. van & Rooyen, P. van, 1985. Geologie. – Atlas van Nederland, 13: 23 pp.
  • (nl) W.H. Zagwijn, Van Staalduinen, C.J. (eds), 1975. Toelichtingen bij Geologische overzichtskaarten van Nederland. Rijks Geologische Dienst, Haarlem: 134 pp.
  • (nl) Zandstra, J.G., 1977. Geologische opbouw van het Pleistoceen. In: Staalduinen, C.J. van, (ed.), Geologisch onderzoek van het Nederlandse Waddengebied. Rijks Geologische Dienst: 37-58