Vegetatie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Vegetatie is de ruimtelijke massa van planten-individuen, in samenhang met de plaats waar zij groeien en in de rangschikking die zij uit zichzelf (spontaan) hebben aangenomen (Victor Westhoff). De termen begroeiing en aanplant of aanplanting zijn dus niet hetzelfde als vegetatie: begroeiing kan spontaan zijn, maar ook aangeplant, aanplant is door menselijk toedoen tot stand gekomen.

Vegetatiekunde (Fytocoenologie of Plantensociologie) is de wetenschap die zich bezig houdt met vegetatie en met plantengemeenschappen.

1rightarrow.png Zie Vegetatiekunde en Plantengemeenschap voor de hoofdartikelen over dit onderwerp.

De term flora slaat op de lijst met soorten (of andere taxa) in een bepaald gebied. De floristiek houdt zich dus bezig met gebieden en hun plantengroei en is een onderdeel van de plantengeografie. Ook wordt de term flora gebruikt voor het naslagwerk, dat gebruikt wordt voor de determinatie van soorten in een gebied.

De landschapsecologie houdt zich bezig met het landschap: de som der ecosystemen van een bepaald gebied en de onderlinge biotische en abiotische invloeden. Als uitersten van menselijk beïnvloed landschap kunnen worden onderscheiden het natuurlandschap (geen menselijke invloed) en het cultuurlandschap (overheersende menselijke invloed).

Inhoud

Kenmerken vegetatie [bewerken]

Vegetatie wordt gekenmerkt door:

Relaties tussen planten [bewerken]

Binnen de vegetatie zijn er betrekkingen tussen planten. Te onderscheiden zijn eenzijdige en wederkerige afhankelijkheidsbetrekkingen, directe en indirecte beïnvloeding, concurrentie en prioriteit.

Eenzijdige afhankelijkheidsbetrekkingen [bewerken]

  • Parasitisme, waarbij organismen leven ten koste van andere organismen. De obligate parasieten kunnen alleen als parasiet leven, de facultatieve parasieten kunnen ook niet-parasitair leven. Specifieke parasieten zijn gebonden aan één soort gastheer. Onder de planten worden ook parasieten gevonden: wortelparasieten (voorbeeld (bremraap) en stengelparasieten (voorbeeld: Groot warkruid, Klein warkruid). Halfparasieten hebben bladgroen en kunnen nog zorgen voor hun eigen fotosynthese (voorbeelden: Maretak, Ratelaar).
  • Saprofytisme, waarbij planten leven (resten van) van dode organismen. Schimmels behoren vaak tot deze of voorgaande groep. Wintergroen wordt beschouwd als halfsaprofiet, aangezien het de mogelijkheid tot fotosynthese bezit.
  • Epifytisme komt voor bij planten die op andere planten leven, zonder hieraan voedsel of water te onttrekken.
  • Lianen (houtige, windende planten) en klimplanten (met hechtranken of hechtwortels) steunen op een gastheer. Klimop en kamperfoelie komen ook loslevend voor: het zijn een facultatieve klimplant, resp. liaan.
  • Bescherming of beschutting: planten kunnen andere beschermen tegen wind, zonnestraling, uitdroging en verwarming. Veel planten op de bosbodem worden bevoordeeld door de aanwezigheid van bomen, die beschutting geven.

Wederkerige afhankelijkheidsbetrekkingen [bewerken]

  • Mutualisme komt voor bij individuen van dezelfde soort. Door het massa-effect bijvoorbeeld kunnen bosplanten zorgen voor een hogere luchtvochtigheid.
  • Van symbiose spreekt men als organismen van verschillende soort elkaar wederzijds voordeel geven. (Let op: in de Anglo-Amerikaanse literatuur heet dit mutualisme maar heeft de term symbiose een veel ruimere betekenis.) Voorbeelden van symbiose zijn:

Directe en indirecte beïnvloeding [bewerken]

  • Directe beïnvloeding kan bijvoorbeeld optreden bij verstikking van planten door bladstrooisel, bij verstikking door 'boomwurgers' in de tropen (Ficus benjamina). Ook zijn er planten die door hun wortel stoffen uitscheiden die nadelig zijn voor andere planten.
    Voorbeeld: Spiesbladmelde in een verder gesloten vegetatie met Gewoon kruiskruid.
  • Een voorbeeld van indirecte beïnvloeding is de chemische beïnvloeding door het plantenstrooisel. Zo verteren de naalden van de Jeneverbes snel, waardoor de concentratie aan stikstofverbindingen in de bodem hoger wordt en de nitrificatie wordt bevorderd.

Concurrentie [bewerken]

Concurrentie (soms ook wel met een anglicisme competitie genoemd) tussen individuen treedt op wanneer ze dezelfde behoeften hebben, maar waar het milieu niet daarin kan voorzien. Er kan concurrentie plaatsvinden om ruimte, om voedingsstoffen en water, of om licht. Omdat de individuen van één soort dezelfde eisen stellen, is de concurrentie dan sterker dan tussen planten van verschillende soorten.

Prioriteit [bewerken]

Van overheersing of prioriteit spreekt men wanneer een organisme door zijn afmetingen, groeivorm of vitaliteit andere planten slecht weinig ruimte overlaat om te groeien. Zo vangen bomen in een bos het meeste licht op, waarbij er voor de planten van de bosbodem weinig licht overblijft. Een ander voorbeeld geldt bij pioniervegetaties, waar de eerst gevestigde plantensoorten zich ook als eerst kan uitbreiden. Hierdoor blijft er minder ruimte over voor andere soorten.

Structuur in ruimte en tijd [bewerken]

1rightarrow.png Zie Vegetatiestructuur voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Structuur is de manier waarop iets in elkaar zit, waarop elementen van een verzameling samenhangen. Bij vegetatie gaat het om de rangschikking van de planten, waarbij onderscheiden kan worden de structuur in de tijd, de horizontale structuur en de verticale structuur.

Seizoensaspecten [bewerken]

Temporele structuur of seizoensaspecten zijn vooral waar te nemen aan meer ingewikkelde vegetaties van continentale klimaatsgebieden. In Nederland heeft het Eiken-Haagbeukenbos (Stellario-Carpinetum) de meest duidelijke seizoensaspecten.

Verticale structuur [bewerken]

Onder verticale structuur wordt verstaan de bovengrondse en ondergrondse gelaagdheid van de vegetatie. Er kan worden onderscheiden (met hoogten slechts indicatief gegeven):

Meestal zijn slechts 2 tot 3 vegetatielagen goed ontwikkeld, bijvoorbeeld in bossen. Lianen groeien in verschillende vegetatielagen en kunnen tot in de boomlaag groeien. In een kruidenvegetatie ontbreken een struiklaag en een boomlaag.

Horizontale structuur [bewerken]

Onder horizontale structuur wordt verstaan:

  • Homogeniteit en dispersie: de regelmatigheid van de onderlinge afstanden tussen de planten. Een regelmatig patroon wijst vaak op menselijke invloed, bij voorbeeld: in een bosaanplant staan de bomen vaak op regelmatige afstanden. De verspreiding van zaden heeft invloed op de dispersie, bijvoorbeeld bij door mieren verspreide zaden komen de planten van de betreffende soort vooral voor langs de mierenpaadjes.
  • Patroon en zonering: lijn- en netvormige patronen kunnen ontstaan door de abiotische milieuomstandigheden, zoals langs meeroevers, langs de zeereep en in de bergen (hoogtezones). Bij soortenarme vegetaties kan een mozaïekstructuur ontstaan, zoals bij zeekraal-vegetaties.

Bij onderzoek van de vegetatie moet rekening gehouden worden met de horizontale structuur. Het minimumareaal (de minimale oppervlakte die nodig is voor een goede ontwikkeling van het vegetatietype en dus de minimaal te onderzoeken oppervlakte van een vegetatie om een "goed beeld" te krijgen) is afhankelijk van de soortenrijkdom, de grootte van de planten en de homogeniteit.

Textuur [bewerken]

Onder textuur verstaat men de niet aan ruimte of tijd gebonden eigenschappen van de vegetatie. Deze uit zich in diversiteit, biomassa (droog of vers), spruit-wortelverhouding, relatief bladoppervlak, aandeel van de verschillende levensvormen of groeivormen:

  • diversiteit aan soorten: het aantal soorten of een index, zoals die van Margaleff of van Shannon, waarbij rekening gehouden wordt met de (on)gelijkmatigheid (eveness) van de aantallen per soort.
  • biomassa: de totale massa van de levende organismen in een ecosysteem; in een vegetatie de totale massa van de planten, eventueel onderverdeeld naar wortel en spruit.
  • spruit-wortelverhouding
  • spectra aan groeivormen (een morfologisch begrip) en van levensvormen (aanpassing aan milieu) (bv. volgens Iversen of Raunkiær) en levensstrategieën
  • leaf area index (LAI): de totale bladoppervlakte in verhouding tot de bodemoppervlakte is een maat voor het assimilerend vermogen van de vegetatie.

Successie [bewerken]

1rightarrow.png Zie Successie (ecologie) en Potentieel natuurlijke vegetatie voor de hoofdartikelen over dit onderwerp.

Onder successie wordt verstaan de gerichte opeenvolging van plantengemeenschappen door verandering van het abiotische milieu. Wanneer alle menselijke invloeden zouden wegvallen treedt een ontwikkeling op die gaat in de richting een climaxvegetatie, die men de potentieel natuurlijke vegetatie noemt. Gewoonlijk wordt niet bedoeld de pioniersvegetatie. De potentieel natuurlijke vegetatie hangt grotendeels af van de standplaatsfactoren, met name de abiotische factoren. In Nederlands is de potentieel natuurlijke vegetatie voor een groot deel bos (vegetatie)vegetatie van verschillende typen.

Vegetatieopname [bewerken]

1rightarrow.png Zie Vegetatieopname voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Om vegetatie te kunnen analyseren moeten er vegetatieopnamen worden gemaakt. In Nederland wordt veelal de methode volgens Braun-Blanquet gevolgd, of een afgeleide daarvan. Een proefvlak moet een bepaalde minimale afmeting hebben, die weer afhankelijk is van de homogeniteit.

De opname moet tenminste bestaan uit een soortenlijst, liefst per vegetatielaag en een totale bedekking. Per soort moet informatie worden verzameld over:

  • de abundantie: de hoeveelheid planten per oppervlakte
  • de frequentie: het aantal keer dat een soort wordt aangetroffen in deelvlakken van het proefvlak
  • de bedekkingsgraad: de procentuele bedekking van de projectie van de planten
  • de sociabiliteit, dispersie of heterogeniteit; of het tegenovergestelde: homogeniteit: de mate waarin soorten gegroepeerd zijn (bv. willekeurig verspreid, regelmatig, geklonterd)
  • de vitaliteit: de mate waarin de planten gedijen (bv. dwergvorm, afgegeten, volledig uitgegroeid)
  • de fenologische toestand: het stadium van de levenscyclus waarin de soort verkeert (bv. vegetatief, bloeiend, knopdragend, met rijpe vruchten)
  • de fertiliteit: de mate waarin vruchtzetting plaatsvindt en het stadium daarvan (bv. onrijp, rijp met zaden, zaden al verdwenen uit vrucht)

Vaak worden enkele zaken hiervan gecombineerd geschat, zoals abundantie en bedekking.

Zie ook [bewerken]