Abundantie (ecologie)
Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Het begrip abundantie is in de vegetatiekunde een maat voor de talrijkheid van voorkomen van een plantensoort op een bepaalde oppervlakte.
De oppervlakte vegetatie die daarbij moet geïnventariseerd worden, is afhankelijk van het soort vegetatie.
Als richtlijn wordt dikwijls genomen:
- graslanden: ten minste 4 m²
- waterplanten: ten minste 10 m²
- heide: ten minste 10 m²
- akkeronkruiden: ten minste 20 m²
- bossen en struwelen: ten minste 100 m²
Om de abundantie te meten, kan gebruik worden gemaakt van de vegetatieschaal van Tansley[1] uit 1946, die werkt met lettercodes. In België en Nederland wordt vaak een eenvoudige vorm ervan toegepast met de volgende indeling:
- D(ominant): soort overheerst op alle andere soorten
- A(bundant): soort is talrijk voorkomend
- F(requent): soort komt regelmatig voor
- O(ccasioneel): soort komt af en toe voor
- Z(eldzaam): soort komt slechts sporadisch voor met één enkele plant
Vaak wordt de abundantie en de bedekking gecombineerd geschat, zoals in de schaal van Braun-Blanquet
[bewerken] Referenties
- ↑ Tansley, A.G. (1946) Introduction to plant ecology. Allen&Unwin, Londen.