Heide (vegetatie)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Heide in het Wekeromse Zand

Heide is een benaming voor vegetatie vooral bestaand uit dwergstruiken uit de Hei- en Kraaiheifamilie. Heide komt in een beperkt aantal landen voor. Behalve in Nederland en Vlaanderen ook in de kuststrook van West-Europa, Groot-Brittannië en Ierland. Het is een typische vegetatie die zich thuis voelt in streken waar een zeeklimaat heerst, met een hoge luchtvochtigheid en niet al te warme zomers en geen strenge winters.

De natuurlijke verspreiding van heidevegetaties bestaat uit ontkalkte delen van het (duinlandschap) (met name in Noord-Nederland), gebergtes boven de boomgrens en de randen van hoogvenen. De heide in het binnenland is een cultuurlandschap ontstaan door onttrekking van voedingsstoffen door begrazing en afplaggen van zandige gronden.[1] Uit stuifmeelonderzoek blijkt dat ook in het binnenland altijd wel heidevegetaties voorkwamen, maar de grote boomloze heidevelden en de zandverstuivingen zijn ontstaan door de intensivering van de schapenteelt gedurende de Middeleeuwen.[2]

Verspreiding[bewerken]

In Nederland komen heidevelden voor op zandgronden oostelijk Friesland, Zuidoost-Groningen, Drenthe, Overijssel, Gelderland, oostelijk Utrecht, Het Gooi, Noord-Brabant en Noord-en zuid Limburg), de Waddeneilanden en in de kalkarme duingebieden ten noorden van Bergen. In Vlaanderen komen heidevelden voor in de Kempen, (provincies Antwerpen en Limburg), en in beperkte mate in het West-Vlaamse Houtland en aangrenzende Meetjesland[3]. In Wallonië komt heide voor in de Hoge Venen. Verschillende toponiemen (La Bruyère, La Heydt (bij Weerst), Heid des Pairs (Spa), sur les Heids (Barchon), la Grande Bruyère de Blaton wijzen op deels verloren gegane heidegebieden.

Flora[bewerken]

De droge heide is hoofdzakelijk begroeid met struikhei (Calluna vulgaris) en bochtige smele (Deschampsia flexuosa). Verder komen er korstmossen waaronder Rendiermos- en bekertjesmossoorten voor. Karakteristieke struiken zijn de brem (Cytisus scoparius) en de jeneverbes (Juniperus communis). Vooral op de Waddeneilanden, en verder in het noorden van het land en op de Veluwe komt ook kraaihei, (Empetrum nigrum) voor.

De natte heide wordt gedomineerd door dophei (Erica tetralix) en pijpenstrootje (Molinia caerulea). Andere soorten van de vochtige heide zijn ronde zonnedauw (Drosera rotundifolia), Gagel (Myrica gale), klokjesgentiaan (Gentiana pneumonanthe) en beenbreek (Narthecium ossifragum).

De vennen en hoogvenen op de heiden hebben een bijzondere flora.

Fauna[bewerken]

Jonge zandhagedis, herkenbaar aan de oogvlekjes

Voor de fauna is de structuur van de heide belangrijk. Het karakter van de heide moet open blijven, maar plekken met open zand, pijpestrootje en wat verspreide bomen en struiken bieden de dieren een grotere keuze aan micromilieus om te zonnen of te schuilen, dan grote uniforme stukken heide. Als er dode bomen op de heide blijven liggen schept dat ook geschikte milieus voor allerlei bijzondere dieren. Het zonnige en warme microklimaat van de heide is essentieel voor de aanwezige reptielen en insecten.

Heide is vooral belangrijk voor reptielen zoals de zandhagedis, de levendbarende hagedis, de hazelworm, de gladde slang, de ringslang en de adder. Adder en levendbarende hagedis hebben een voorkeur voor vochtige heide. De zandhagedis en de gladde slang komen bijna uitsluitend op heideterreinen voor. Afhankelijk van de droogte van de heide komen er ook veel amfibieën voor, zoals heikikker, bruine kikker en rugstreeppad.

Op de heide komen veel kenmerkende insectensoorten voor, zoals de hoornaarroofvlieg, de bijenwolf, sluipwespen, de mierenleeuw, zandbijen, mestkevers en allerlei specifieke sprinkhanen en vlinders.

De zoogdierfauna is vertegenwoordigd in de vorm van haas, konijn, vos en verschillende soorten muizen. Ook ree en andere hertachtigen komen vaak uit naburige bosgebieden om er te grazen.

Wat vogels betreft moeten we denken aan het bijna uitgestorven korhoen, de weer toenemende nachtzwaluw, de roodborsttapuit, de boompieper en de veldleeuwerik. De klapekster is een klauwiersoort die ook flink in aantal achteruitgegaan is door afname van het heideareaal en de achteruitgang van de rest van het agrarische open landschap.

Geschiedenis[bewerken]

Heide bij Elspeet

De heiden ontstonden aan het eind van de middeleeuwen. De afgelegen gebieden werden overdag begraasd door schapen die 's nachts in de stal bleven, waarvan de bodem jaarlijks met verse heiplaggen bedekt werd, zogenaamde potstallen. De stalmest werd ieder jaar naar de akkers gebracht, die daardoor geleidelijk werden opgehoogd. Deze vorm van landbouw met de karakteristieke esdorpen en herdgangen bleef tot het einde van de 19e eeuw bestaan. In 1898 was nog ruim twintig procent van de oppervlakte van Nederland 'woeste grond' en die bestond hoofdzakelijk uit heiden.

De uitvinding van de kunstmest verminderde de behoefte aan schapenmest en maakte het mogelijk de heiden tot landbouwgrond te ontginnen. Daarnaast werden veel heiden in bos omgezet. Speciaal met dit doel werd Staatsbosbeheer opgericht. Ongeveer tegelijkertijd ontstond de belangstelling voor de heide bij natuurbeschermers. Als gevolg hiervan zag Staatsbosbeheer af van de bebossing van waardevolle heiden en kocht Natuurmonumenten grote heiden, waaronder de Kampina en de Brunssummerheide. Aan het eind van de 20e eeuw bestond nog minder dan één procent van Nederland uit hei. Behalve de militaire oefenterreinen zijn vrijwel alle overgebleven heiden thans eigendom van Staatsbosbeheer, de Vereniging Natuurmonumenten en de Provinciale Landschappen.

Huidige toestand[bewerken]

Bloeiende heide bij Ede

Bedreigingen[bewerken]

De heide in Nederland komt tegenwoordig steeds meer onder druk te staan, onder andere door recreatie en militaire activiteiten. Maar ook doordat er steeds meer behoefte is aan ruimte voor wegen, bebouwing en industrie. Door de opkomst van de industrie, intensieve veehouderij en het verkeer vanaf de jaren 1950 is de emissie van stikstofoxiden en zwaveldioxide verbindingen enorm toegenomen. Vanaf begin jaren 1970 kwam hier vanuit de landbouw nog een enorme toename van de ammoniak uitstoot bij. Op ecosysteem niveau leidde dit tot een toename van voedingstoffen en verzuring. Dit heeft een negatief effect gehad op het klassieke heidebeeld zoals we het van “vroeger” kennen. De heide is enorm aan het vergrassen. Tevens zijn veel van de kruidensoorten, korstmossen en mossen aan het verdwijnen. Deze afname van de floradiversiteit heeft direct zijn uitwerking op de fauna. Op de heide worden bijvoorbeeld veel minder vlindersoorten aangetroffen dan voorheen.

Beheer[bewerken]

Het beheer van de resterende heide is vooral van de mens afhankelijk. Hiervoor is het schaap een goede hulp om de heide te onderhouden. De beste methode om de heide kort te houden is door deze periodiek te plaggen. Maar deze manier is kostbaar en wordt daarom vaak achterwege gelaten, met als gevolg dat veel van de heide "vergrast" met planten zoals de bochtige smele (Deschampsia flexuosa) en het pijpestrootje Molinia caerulea.

Een andere methode is het afbranden van de heide. Het branden wordt vooral toegepast als beheersmaatregel op terreinen van Defensie waar plaggen risico's oplevert vanwege mogelijke munitieresten. Voor veel fauna is dit natuurlijk schadelijk, maar een sprinkhaan als de kleine wrattenbijter komt alleen voor in op heideterreinen die op deze manier worden beheerd.

Grootschalig plaggen kan nadelig zijn voor de fauna, wanneer de structuur van het terrein te zeer wordt aangetast.[4] Het dient dan ook met mate en kleinschalig te gebeuren. Zolang de heide niet te ernstig vergrast is het ook goed mogelijk van tijd tot tijd wat opslag van bomen te verwijderen. Ook te intensieve begrazing kan schadelijk zijn voor de typische heidefauna. Deze dieren geven de voorkeur aan een structuurrijke omgeving waarin naast wat oudere heide ook pijpestrootje, wat struiken en open plekjes aanwezig zijn.

Heide als halfnatuurlijk landschap[bewerken]

Heide op de zandgronden in het binnenland is een oud en door de eeuwen gevormd halfnatuurlijk landschap. Het is als landschapstype door de mens beïnvloed; de door mensen geleide begrazing was namelijk een stuk intensiever dan de van nature voorkomende begrazing. Onder invloed van de van nature voorkomende begrazing zouden een aantal heidegebieden geheel of gedeeltelijk overgaan in andere, complexere ecosystemen zoals een mengeling van grasland en bos. De heide is namelijk een vrij eenvoudig (lager) ecosysteem waar, mits de omstandigheden daar goed voor zijn, gras en bomen zullen gaan groeien. Op deze manier zijn ook veel heidegebieden in Nederland verdwenen. Tegenwoordig wordt met intensieve begrazing door bijvoorbeeld kuddes schapen, Schotse hooglanders en wilde paarden de heide relatief open gehouden, en krijgen grassen en bomen geen permanente vat op het gebied. Een andere menselijke ingreep om de heide in stand te houden is het afbranden van heidegebieden.

Natuurlijk is echter een relatief begrip; vele andere natuurtypen in Nederland zijn ook niet natuurlijk. Zo zijn veruit de meeste bossen in Nederland ontstaan door aanplant; deze bossen dienden als productiebos of als jachtgebied. Ook laagveenmoerasgebieden en vennengebieden zijn vaak niet geheel natuurlijk ontstaan, of worden ten minste door menselijk ingrijpen in stand gehouden. Daarbij vergeleken vertoont de beheersvorm van vrij intensieve begrazing op de heide toch belangrijke overeenkomsten met de oorspronkelijke, natuurlijke begrazing door edelhert, eland, oeros en dergelijke. Het voornaamste verschil is de verschraling die ontstond door het voortdurend verwijderen van voedingsstoffen, doordat de schapenmest en afgeplagde heide werden verzameld om de akkers op de enk, eng of es te bemesten.

Enkele heidegebieden[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Dwingelose Heide
  2. http://www.vioe.be/nl/uploads/b199.pdf
  3. Hermy M., De Blust G. & Slootmaekers M. (red.) 2004. Natuurbeheer. Uitg. Davidsfonds i.s.m. Argus vzw en het IN, Leuven. 452p.
  4. Heidebeheer voor de zandhagedis