Korstmos

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Korstmossen (of lichenen) zijn symbiosevormen tussen een schimmel en een fotosynthetisch organisme dat een bacterie of een alg is. Korstmossen zijn dus geen landplanten.[1] Ze zijn het resultaat van de innige mutualistische symbiose van twee verschillende typen van organismen: een schimmel en een groenwier en/of een blauwalg (Cyanobacteria). Vaak zijn deze zo sterk met elkaar verbonden dat ze buiten het samenwerkingsverband geen overlevingsmogelijkheid bezitten. De studie die zich richt op korstmossen is de lichenologie. Organisaties op dit terrein zijn onder andere de Bryologische en Lichenologische Werkgroep en de International Association for Lichenology.

Symbiose[bewerken]

De schimmel, die dus ook de grove vorm van het korstmos bepaalt, omgeeft de algen. De algen verzorgen de fotosynthese, en produceren daarbij in plaats van de suiker die normaal gesproken wordt geproduceerd, speciale suikeralcoholen die door de schimmel kunnen worden gebruikt.

De algen hebben ook voordeel van de schimmel:

  • De schimmel houdt water vast, dat afkomstig is uit de lucht (regen), zodat de algen deze stof kunnen gebruiken voor de fotosynthese.
  • De schimmel scheidt zuren uit, dat helpt bij het opnemen van mineralen voor de algen.
  • De schimmel ligt over de algen of blauwwieren heen en biedt daarom bescherming tegen intensief zonlicht. Het is een schaduw voor de algen.
  • Sommige schimmels zijn giftig en beschermen daarmee de algen of blauwwieren tegen vraat.

Vorm en structuur[bewerken]

Korstmossen zijn schimmels met een specifiek voedingsfysiologie: mutualistische symbiose. Meestal hebben de korstmossen een specifieke vorm, kleur en structuur, die niet direct overeenkomt met die van de vrijlevende bionten. In enkele gevallen bestaat het thallus uit klonten met algen, die doorgroeid zijn met schimmeldraden, of uit een mycelium, met verspreid ingebedde algen.

Een deel van de korstmossen bestaat uit schimmels die in symbiose leven met groenwieren, andere leven in symbiose met blauwwieren, die stikstof uit de lucht kunnen binden. In sommige gevallen worden cefalodia aangetroffen: beperkte plaatsen met blauwwieren in korstmossen met verder groenwieren.

Groeivormen[bewerken]

Voor korstmossen wordt een eigen indeling in groeivormen gebruikt:

  1. Korstvormig: thallus bestaat uit kleine areolen, die niet altijd even duidelijk aaneensluiten. Prothallus soms nog duidelijk, waarop areolen zitten (Haematomma sp.). Er zijn verschillende typen:
    • endolitisch: in steen groeiend (soorten van Verrucaria);
    • endophloeodisch: in hout groeiend;
    • placoied: langgerekte, smalle of schubvormig verbrede lobben op plaatsen van thallusareolen;
    • squamuleus: de randschubben niet meer vergroeid met substraat (veel soorten van Lecanora en Lecidea);
    • peltaat: in het midden aan de onderzijde bevestigd aan substraat (veel soorten van Lecanora);
    • pulvinaat: opgerichte lobben, niet alleen aan de rand (Toninia caeruleonigricans)
  2. Bladvormig: lobben hebben een duidelijk verschillende onder- en bovenzijde. De lobben liggen tenminste voor een deel vrij van het substraat en zijn er niet mee vergroeid. Er zijn twee hoofdtypen:
    • laciniaat: de kenmerkende korstmosvorm met grote vormenrijkdom (voorbeeld Xanthoria en Parmelia-soorten)
    • umbilicaat: schildvormig korstmossen met in het midden aan de onderzijde een aanhechting, waardoor aan de bovenzijde een 'navel' zichtbaar is (voorbeeld soorten van Umbilicaria)
  3. Struikvormig: het thallus van dit type korstmossen is bandvormig of cilindrisch, en is over het algemeen radiair gebouwd. Voorbeelden: Ramalina, Cladonia (bekertjes- en rendiermossen; hier spreekt men meestal van podetia), Evernia, Usnea (baardmos).
  4. Haarvormig: kleine, struikvormige korstmossen met een haardun thallus, waarbij de alg de groeivorm bepaalt (in tegenstelling tot de meeste ander korstmossen).
  5. Geleivormig: de symbiotische blauwwieren bepalen de geleiachtige consistentie en de kleur. Allerlei groeivormen komen weer voor bij de geleivormige korstmossen, maar deze zijn meestal klein.

Thallusbouw[bewerken]

Doorsnede van een heteromeer thallus:
a. bovencortex; b. algenlaag; c. merg; d. ondercortex; e. aanhangsels

Omdat bij korstmossen geen wortel, stengel en blad worden onderscheiden zoals bij de landplanten (Embryophyta), spreekt men hier van een "thallus". De bouw kan zeer eenvoudig zijn tot meer gecompliceerd.

Gelaagdheid[bewerken]

Op grond van de plaats van de algenlaag kunnen twee hoofdtypen worden onderscheiden:

  • bij het "homomere type" liggen de algen min of meer homogeen verspreid door het thallus;
  • bij het "heteromere type" liggen de algen in een of twee duidelijk onderscheidbare lagen, die bestaan uit een weefsel van hyfen met algen. Er is dan ook een merglaag of medulla te onderscheiden, die bestaat uit een weefsel van hyfen zonder algen. Naar buiten toe worden algenlaag en merglaag begrensd door een schorslaag (cortex). Vaak ligt de schors alleen aan de bovenzijde, maar sommige soorten hebben aan de onderzijde ook een schors.

Aanhangsels[bewerken]

Er kunnen vele typen aanhangsel van het oppervlak worden aangetroffen:

  • haren: vertakte of onvertakte schorscellen, waardoor het korstmos een viltig uiterlijk kan krijgen.
  • rhizoidharen: haren aan de onderzijde, waarmee het thallus aan het substraat is bevestigd.
  • tomentum: dichte viltachtige laag van haren, die niet dienen voor de bevestiging aan het substraat.
  • wratten: zeer kleine korrels, die een soort berijping vormen op het oppervlak.
  • aders en ribbels
  • rhizinen: bundels van hyfen aan de onderkant van het thallus
  • ciliën: rhizinen die aan de rand van het thallus ontspringen

Daarnaast kunnen er nog organen voor vegetatieve vermeerdering worden aangetroffen:

  • isidiën zijn uitgroeisels van het thallus met algen, die door afbreken dienen voor de vegetatieve voortplanting. Isidiën zijn van schors voorzien. Er worden verschillende type onderscheiden:
    1. kogelvormige isidiën,
    2. staafvormige isidiën,
    3. schubvormige isidiën,
    4. vertakt koraalvormige isidiën.
  • soralen zijn organen waar de schors afwezig is en sorediën worden uitgestoten. Sorediën bestaan uit hyfenweefsel met algen. Er worden verschillende vormen van soralen onderscheiden, zoals:
    1. vleksoralen,
    2. spleetsoralen,
    3. lipsoralen,
    4. manchetsoralen.

Naamgeving[bewerken]

Korstmossen krijgen een botanische naam volgens de ICN op grond van de schimmelcomponent (mycobiont). De naam van een korstmos verwijst dus naar de schimmel. Niet alle korstmossen zijn direct aan elkaar verwant: de term "korstmos" kunnen we alleen gebruiken om de levenswijze (ecologie) van de schimmel aan te duiden. De meeste korstmossen rekenen we tot de ascomyceten, maar er zijn ook enkele echte paddenstoelen die met algen samenleven.

Hoewel de Nederlandse naam korstmos verwijst naar de korstvormige groeiwijze, hebben veel andere korstmossen een bladvormige of struikvormige groeiwijze. In 1948 is er een poging ondernomen de naam mors ingang te doen vinden, om aan te geven ze niets met mossen te maken hebben.[2] Vaak wordt ook gesproken van lichenen.

Leefwijze[bewerken]

Veel korstmossen groeien zeer traag (soms niet meer dan 0,1 mm per jaar), en groeien daarom vooral daar waar ze niet door zaadplanten kunnen worden verdrongen. Men vindt ze bijvoorbeeld vaak op kaal gesteente zoals grafstenen, dakpannen en muren, waar ze in tegenstelling tot echte planten op kunnen leven, en soms zelfs in door kunnen dringen. Ze kunnen toe met weinig voedingsstoffen, en halen die vaak uit de regen en het stof in de lucht. Ook kunnen ze in geval van uitdroging lange tijd, vaak jarenlang, in een rustfase blijven, en na toevoeging van water weer "tot leven" komen. Daarom vormen ze een belangrijke component van het leven in de poolgebieden en het hooggebergte, waar water grote delen van de tijd alleen in bevroren (en dus onbruikbare) toestand voorkomt. Een voorbeeld is het rendiermos dat een groot deel van het jaar het enige voedsel van de rendieren in Lapland vormt. Ook zijn korstmossen een van de weinige "organismen" die een verblijf van twee weken in het vacuüm en de extreem sterke UV-straling van het heelal kunnen doorstaan.

Over de voortplanting van korstmossen is weinig bekend. Veel korstmossen hebben vooral een aseksuele wijze van verspreiding door sorediën (poeder), isidiën (staafvormige uitgroeisels) of grotere fragmenten, waarbij de schimmel en de alg samenblijven. Geslachtelijke voortplanting vindt waarschijnlijk plaats door sporen, die over grote afstanden door de lucht verspreid kunnen worden, en dan een nieuwe korstmos vormen als op de landingsplaats een geschikte alg wordt gevonden.

Milieu[bewerken]

Korstmossen zijn gevoelig voor luchtverontreiniging. Sommige soorten verdwijnen in gebieden waar de concentratie zwaveldioxide (SO2) hoog is. De aan- of afwezigheid van korstmossen wordt daarom wel gebruikt als een indicator voor luchtverontreiniging. In gebieden waar veel ammoniak in de lucht zit (uit de landbouw) verdwijnen sommige korstmossoorten. Andere soorten groeien echter beter met ammoniak, zoals Groot dooiermos (Xanthoria parietina). Baardmossen en struikvormige korstmossen zijn het gevoeligst voor luchtverontreiniging, korstvormige korstmossen minder. De laatste jaren zijn de korstmossen in Nederland en België zich weer aan het herstellen, doordat de SO2-uitstoot is verminderd sinds er minder kolen worden gebruikt in elektriciteitscentrales en voor verwarming van woningen. Door regulering in de landbouw wordt daar ook minder ammoniak uitgestoten.

Rode Lijst[bewerken]

Op de Nederlandse Rode Lijst Korstmossen zijn 323 soorten vermeld, ingedeeld in acht categorieën van verdwenen tot gevoelig.

Lichenometrie[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Lichenometrie voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De regelmatige, trage groeisnelheid van korstmossen wordt gebruikt in de geologie en archeologie als dateringsmethode: de lichenometrie. Aan de hand van de oppervlakte van het korstmos, kan men nagaan hoe lang het gesteente aan atmosferische omstandigheden is blootgesteld, om zo de ouderdom van het desbetreffende gesteente te bepalen.

Zie ook[bewerken]

Literatuur[bewerken]

  • André Aptroot en Kok van Herk (2004) Veldgids korstmossen, uitgave KNNV, Zeist, 421 pagina's, ISBN 90 5011 175 0, Veldgids met kleurenfoto's en beschrijvingen van bijna alle Nederlandse soorten.
  • Dr. W. Kruyt (1986) Korstmossen, Thieme-Zutphen, Zutphen, 64 pagina's, ISBN 90 03 90052 3, Korstmossen: wonderlijke vertegenwoordigers van het plantenrijk.

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Bryologische en Lichenologische Werkgroep: Korstmossen
  2. door Besemer en van der Wijk in Flora en Fauna
Plantkunde en deelgebieden
Bijzondere plantkunde: Algologie · Bryologie · Fycologie · Lichenologie · Mycologie · Pteridologie
Paleobotanie: Archeobotanie · Dendrochronologie · Fossiele planten · Gyttja · Palynologie · Pollenzone · Varens · Veen
Plantenanatomie & Plantenmorfologie: Beschrijvende plantkunde · Apoplast · Blad · Bladgroenkorrel · Bladstand · Bloeiwijze · Bloem · Bloemkroon · Boomkruin · Celwand · Chloroplast · Collenchym · Cortex · Cuticula · Eicel · Epidermis · Felleem · Fellogeen · Felloderm · Fenologie · Floëem · Fytografie · Gameet · Gametofyt · Groeivorm · Haar · Houtvat · Huidmondje · Hypodermis · Intercellulair · Intercellulaire ruimte · Kelk · Kroonblad · Kurk · Kurkcambium · Kurkschors · Levensduur · Levensvorm · Merg · Meristeem · Middenlamel · Palissadeparenchym · Parenchym · Periderm · Plantaardige cel · Plastide · Schors · Sklereïde · Sklerenchym · Spermatozoïde · Sponsparenchym · Sporofyt · Stam · Steencel · Stengel · Stippel · Symplast · Tak · Thallus · Topmeristeem · Trachee · Tracheïde · Tylose · Vaatbundel · Vacuole · Vrucht · Wortel · Xyleem · Zaad · Zaadcel · Zeefvat · Zygote
Plantenfysiologie: Ademhaling · Bladzuigkracht · Evapotranspiratie · Fotoperiodiciteit · Fotosynthese · Fytochemie · Plantenfysiologie · Plantenhormoon · Rubisco · Transpiratie · Turgordruk · Winterhard
Plantengeografie: Adventief · Areaal · Beschermingsstatus · Bioom · Endemisme · Exoot · Flora · Floradistrict · Floristiek · Invasieve soort · Status · Stinsenplant · Uitsterven · Verspreidingsgebied
Floradistricten: District IJsselmeerpolders (Y) · Drents district (Dr) · Duindistricten (Du) · Estuariën district (E) · Fluviatiel district (F) · Gelders district (G) · Hafdistricten (H) · Kempens district (K) · Laagveendistrict (L) · Maritiem district (M) · Noordelijk kleidistrict (N) · Pleistocene districten (P) · Renodunaal district (R) · Subcentroop district (S) · Urbaan district (Ur) · Vlaams district (V) · Waddendistrict (W) · Zuid-Limburgs district (Z)
Plantensystematiek: APG II-systeem · APG III-systeem · Algen · Botanische naam · Botanische nomenclatuur · Cladistiek · Cormophyta · Cryptogamen · Classificatie · Embryophyta · Endosymbiontentheorie · Endosymbiose · Evolutie · Fanerogamen · Fylogenie · Generatiewisseling · Groenwieren · Hauwmossen · Korstmossen · Kranswieren · Landplanten · Levenscyclus · Levermossen · Mossen · Roodalgen · Taxonomie · Type · Varens · Zaadplanten · Zeewier
Vegetatiekunde & Plantenoecologie: Abundantie · Associatie · Bedekking · Biodiversiteit · Biotoop · Boomlaag · Bos · Braun-Blanquet (methode) · Broekbos · Climaxvegetatie · Clusteranalyse · Concurrentie · Constante soort · Differentiërende soort · Ecologische groep · Ellenberggetal · Gradiënt · Grasland · Heide · Kensoort · Kruidlaag · Kwelder · Minimumareaal · Moeras · Moslaag · Ordinatie · Pioniersoort · Plantengemeenschap · Potentieel natuurlijke vegetatie · Presentie · Regenwoud · Relevé · Ruigte · Savanne · Schor · Steppe · Struiklaag · Struweel · Successie · Syntaxon · Syntaxonomie · Tansley (methode) · Toendra · Tropisch regenwoud · Trouw · Veen · Vegetatie · Vegetatieopname · Vegetatiestructuur · Vegetatietype · Vergrassing · Verlanding