Successie (ecologie)
|
Er wordt getwijfeld aan de juistheid van een of meer onderdelen van dit artikel.
Raadpleeg de bijbehorende overlegpagina voor meer informatie, en pas na controle desgewenst het artikel aan. Opgegeven reden: Gaat vooral om het stuk climax, en dan het voorbeeld. Menselijk handelen is heel wat anders dan successie. Bij sucessie verdwijnt de pioniersbiotoop niet maar komt deze tijdelijk niet voor. Deze komt wel weer voor in de climaxfase. Dit sjabloon is geplaatst op 27 april 2013. |
Van successie in de ecologische zin is sprake wanneer een levensgemeenschap dankzij natuurlijke processen wordt opgevolgd door een volgende. Er wordt onderscheid gemaakt tussen primaire en secundaire successie. Van primaire successie is sprake wanneer er nog geen bodem aanwezig is, bijvoorbeeld op een kale rotsondergrond of in open water. Bij secundaire successie is er al wel een bodem aanwezig, bijvoorbeeld na houtkap: de begroeiing is verdwenen, maar de bodem is er nog.
Inhoud |
Pioniersfase [bewerken]
Op een kaal oppervlak zullen zich na enige tijd organismen vestigen. De eerste organismen, de pioniersoorten, zijn specialisten in het innemen van zo'n gebied; ze hebben over het algemeen een korte levenscyclus en ze vermeerderen zich snel.
Voorbeelden [bewerken]
- Vegetaties van waterplanten in open water.
- Riet en zeeaster op droogvallend land.
- Helmgras in een zandverstuiving.
- Korstmos op steen, op boomschors of op verder kale bodem.
- Akkeronkruiden op pas geploegd land.
Opvolging [bewerken]
De functie van de pioniersplanten in de successie is dat zij de omstandigheden maken waardoor de volgende organismen hun niche kunnen innemen. Dit betekent voor planten dat de grond structuur krijgt en dat er lucht en leven in de bodem komt. Een eik en beuk groeien slecht op verse klei; pas na een aantal jaar begroeiing met riet, wilg en populier groeien ze goed.
Wanneer in een gebied geen beheersmaatregelen plaatsvinden, dan zal het pioniersbiotoop verdwijnen. Nieuwe soorten nemen hun plaats in en de stabiliteit van het milieu neemt daardoor toe. Er zijn steeds meer processen die elkaar beïnvloeden en reguleren.
Climax [bewerken]
Op een gegeven moment is een biotoop ontstaan waar geen nieuwe organismen bij komen. Er komen geen organismen bij, ofwel omdat ze uitgestorven zijn of omdat het niet mogelijk is om het nieuwe gebied te bereiken.
Ook wanneer organismen ontbreken die theoretisch in een milieu thuishoren, ontstaat een climaxsituatie. Door het ontbreken van de soorten, maar vooral door het openblijven van de niche, zal de stabiliteit van het milieu verminderd zijn.
Voorbeeld [bewerken]
Een goed voorbeeld van successie kan gevonden worden in de Oostvaardersplassen. Toen dit gebied ontstond, was er eerst riet en wilg. De ree, de haas, verschillende muizen, de fazant en de gans kwamen al snel naar het droogvallende land. Het rietland op de droge gronden begon te verruigen met onder andere veel vlier. Hierdoor verdween het milieu voor deze dieren. De konik, het Heckrund en het edelhert werden geïntroduceerd. Hierdoor verdween het riet en veel van het struweel. Er ontstaat een grasland met poelen. De verwachting is dat struiken met stekels en doorns als de meidoorn, de sleedoorn hun plek vinden, om uiteindelijk de weg voor bomen als de eik en de es te bereiden.
Die planten en dieren moeten dan wel in de buurt aanwezig zijn of ze moeten een weg kunnen vinden naar de nieuwe gebieden. Ecologische verbindingszones zijn hierin een uitstekend middel om de diversiteit op een natuurlijke wijze te stimuleren. Toch zullen er planten en dieren zijn die niet zelfstandig hun weg naar de Oostvaardersplassen kunnen vinden. Zeker wanneer de grootte van de Oostvaardersplassen het mogelijk maakt om een sterke levensvatbare populatie te herbergen kan de introductie weer leiden tot het verder verbreiden van een soort vanuit de Oostvaardersplassen.
Climax wil zeggen dat het eindstadium van ontwikkeling is gepasseerd. Een voedselweb is hierdoor erg ingewikkeld geworden. Loofbossen in Nederland zijn een voorbeeld van een climaxsysteem.
Climax in bossen [bewerken]
In bossen is er feitelijk geen sprake van een vaste climaxsituatie, successie vindt op verschillende plekken in het bos opnieuw plaats. Dit kan gebeuren als een deel bos verdwijnt, bijvoorbeeld door omvallen van bomen door ouderdom en ziektes. Op deze open plekken in het bos vindt successie weer op nieuw plaats. De opeenvolging vindt vaak plaats in voorspelbare fases. In een bos in een climax stadium zie je al deze fases terug.
Ontwikkelingsfase/jonge fase [bewerken]
In de open fase is door een ingrijpende gebeurtenis (storm, brand) veel of alle vegetatie verdwenen. Er valt nu veel licht op de bodem en bomen die in de buurt staan zullen zich natuurlijk verjongen. In deze fase die 5 tot 10 jaar duurt neemt het stamtal toe.
Dichte fase en stakenfase [bewerken]
In deze fase groeien de bomen en breiden ze hun kronen- en wortelstelsel uit. Als de kronen elkaar raken spreken we van de dichte fase, het licht wordt bijna volledig onderschept door bladeren. De bomen gaan concurreren om licht en voedingstoffen, dit doen ze door in de hoogte te groeien. Zo wordt de volgende fase bereikt. Het kronendak staat op staken, er valt weinig licht op de bodem. Sommige bomen groeien sneller dan andere, al snel overschaduwen een aantal snelle groeiers de rest van de verjonging. De bomen in de schaduw sterven door gebrek aan licht. In de stakenfase neemt het stamtal af.
Boomfase [bewerken]
Door het sterven van bomen komt er meer licht beschikbaar voor de dominante bomen. Bij deze bomen vindt dan meer diktegroei plaats en minder lengtegroei. Daarnaast valt er weer meer licht op de bodem. Dit veroorzaakt verhoogde mineralisatie en het geeft weer kansen voor kruiden en voor verjonging van bomen en struiken. Als er een nieuwe verstoring zich voordoet kunnen struiken en jonge bomen snel groeien en mogelijk een dominante positie innemen.
Aftakelingsfase/Verjongingsfase [bewerken]
Bomen beginnen in deze fase af te takelen. Door ouderdom schimmels of andere ziektes vallen de oude bomen om. dit type bos kenmerkt zich door de aanwezigheid van bomen uit alle leeftijdsklassen. Verstoringen vinden plaats op kleine schaal, successie kan op plaatsen van verstoring weer beginnen. Het bos verjongt zichzelf. De verjoningsfase kent een lage dynamiek. De biodiversiteit neemt toe in de verjoningsfase ten opzichte van de boomfase.