Kolenmijn

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

Ga naar: navigatie, zoeken

In een kolenmijn wordt steenkool of bruinkool gewonnen. Steenkoolwinning kan zowel in dagbouw plaatsvinden - de steenkool wordt afgegraven nadat de bovenste deklagen eerst zijn verwijderd - of in een ondergrondse mijn (stollenbouw, schachtbouw, diepbouw) waarbij op grotere diepte, tegen hogere kosten en meer risico, steenkool wordt gedolven en - al dan niet via schachten - naar de oppervlakte wordt gebracht; bruinkool wordt meestal in dagbouw gewonnen. In het Nederlandse Zuid-Limburg en de nabijgelegen Kempens steenkoolbekken en rondom Luik werd mijnbouw via schacht-, diep- en dagbouw bedreven. In Brunssum, Kerkrade (wijk Eygelshoven en Haanrade) en nabij Geleen werden in het begin van de twintigste eeuw bruinkool in dagbouw ontgonnen.

Inhoud

[bewerken] Typen ondergrondse mijnen

  1. Stollenbouw - bij stollenbouw worden nagenoeg horizontale gangen in berg- of dalwanden gedreven, anders dan voor ventilatiedoeleinden wordt er geen gebruik gemaakt van schachten.
  2. Schachtbouw - bij schachtbouw worden er verticaal of diagonaal verlopende schachten tot in de bovenste ontginbare kolenlaag gedreven; die vervolgens gevorderd wordt; door deze vordering ontstaat er een gangenstelsel.
  3. Diepbouw - bij diepbouw worden er eveneens verticale schachten gedreven, deze worden echter door de verschillende boven elkaar liggende kolenlagen heen gedreven. In elke ontginbare kolenlaag wordt er een horizontaal gangenstelsel gedreven (galerijen en steengangen) met speciale vorderfronten (pijlers) van waaruit de kolen gewonnen worden.

Bij schacht- en stollenbouw (als ook bij dagbouw) kan volstaan worden met een kleinschalige technische infrastructuur, daar er niet ver onder het grondwaterniveau gegraven, of (in het geval van stollenbouw) het grondwater gemakkelijk afgevoerd kan worden; ook de toevoer van verse lucht is betrekkelijk eenvoudig te realiseren. Bij diepbouw worden grotere dieptes bereikt en moeten er krachtige pomp-, ventilatie- en hijsinstallaties voorhanden zijn. Deze installaties gebruiken zoveel energie dat er uit efficiëntieoverwegingen veelal gekozen wordt om de benodigde energie in huis uit eigen kolen op te wekken, wat in een nog complexer bovengronds bedrijf resulteert.

[bewerken] De indeling van een ondergrondse mijn

Een mijn bestaat uit 2 delen:

  1. het ondergronds bedrijf (het gangenstelsel voor het ondergrondse transport en de pijlers waar de kolen gewonnen worden);
  2. het bovengronds bedrijf (alles wat nodig is voor het functioneren van het ondergronds bedrijf en de afvoer van de gewonnen steenkool).

[bewerken] Steenkoolwinning in Nederland

De allereerste steenkoolwinning vond in de 12e eeuw plaats in het mijnveld van de Domaniale mijn te Kerkrade. Op 2 januari 1723 verkreeg de Abdij Rolduc bij octrooi het recht tot exploitatie van de mijntjes. Rond 1900 komt de kolenwinning in Zuid-Limburg tot bloei nadat onderzoek had uitgewezen dat er rond Eygelshoven, Heerlen en Geleen winbare kolenvoorraden aanwezig waren. Door de aanleg van nieuwe spoorverbindingen (spoorlijnen naar Aken en Stein) werd het vervoer van gewonnen kolen naar afzetgebieden eenvoudiger.

Zowel vanuit de regering werden mijnen aangelegd (de Staatsmijnen in Limburg) als door particuliere ondernemingen. Ook twee Belgische ondernemingen waren actief. Belangrijke personen in de pionierstijd waren o.a. Carl en Friedrich Honigmann (ON-mijnen), en Anton Wackers (Laura mijn) uit de regio Aken, en de Nederlanders Henry Sarolea (spoorwegbouwer lijn Herzogenrath - Sittard, ook bestuur ON-mijnen) en J.H. Wenckebach (pionier Staatsmijnen).

Uiteindelijk waren er de 4 Oranje-Nassau mijnen (ON I t/m IV), de 4 Staatsmijnen (Maurits, Emma, Hendrik en Wilhelmina), en 4 andere particuliere mijnen: Laura, Julia, Willem-Sophia, en de Domaniale mijn. Een vijfde Staatsmijn, de Beatrix, werd aangelegd in Herkenbosch, om het zogenaamde Vlodropperveld te ontginnen maar is nooit in bedrijf gekomen. Speciaal hiervoor zou station Herkenbosch uitgebreid worden. Dit station lag aan de zogenaamde IJzeren Rijn.

De Oranje-Nassau Mijnen waren uiteindelijk eigendom van een Frans bedrijf (de familie Honigmann verkocht in 1908 de aandelen aan de familie De Wendell). De Laura en Julia alsmede de Willem-Sophia waren eigendom van twee afzonderlijke Belgische bedrijven. De particulier gepachte Domaniale en de Staatsmijnen waren Nederlands bezit.

Door de gasvondst in Slochteren, en de steeds goedkoper wordende buitenlandse steenkool (en aardolie) werd de Limburgse steenkolenwinning onrendabel. De mijnsluiting begon met de historische toespraak van toenmalig minister van Economische zaken J.M. den Uyl in december 1965 in de stadsschouwburg van Heerlen. In de daaropvolgende negen jaren werden alle mijnen gesloten. De staatsmijn Maurits te Geleen ging als eerste dicht. De steenkolenwinning in Nederland is definitief gestaakt op 31 december 1974 met de sluiting van de mijn Oranje-Nassau I te Heerlen. Dit was ook de oudste grote ondergrondse mijn (geopend in 1899).

Behoudens twee mijnbouwmonumenten (het gebouw van de Nulland Schacht te Kerkrade, Domaniale Mijn), en de gebouwen van Schacht II van de ON-I mijn te Heerlen) zijn alle bovengrondse werken van de Nederlandse mijnen afgebroken. De mijnterreinen hebben na sanering van de grond allen een andere bestemming gekregen (industrieterrein, woonwijk, etc.). Ook de meeste mijnsteenbergen zijn uit het Limburgse landschap verdwenen.

[bewerken] Locaties

Bij de volgende plaatsen zijn kolenmijnen in bedrijf geweest:

  • Brunssum, Staatsmijn Hendrik (nu militair-terrein/hoofdkwartier voor de NAVO: RHQ AFNORTH).
  • Treebeek - gemeente Brunssum, Staatsmijn Emma. Op het mijnterrein is voor een klein deel woonbebouwing aangelegd, maar grotendeels is het industrie-terrein en park. Ter plaatse van schacht III staat nu een seniorencomplex. Een gevelsteen van een gebouw is nu een monument dat zich op het voorterrein van het complex bevindt, direct boven schacht II.
  • Geleen, Staatsmijn Maurits (nu het chemische complex van DSM).
  • Heerlen - Centrum, particuliere mijn Oranje-Nassau I. Het schachtgebouw met stalen schachtbok én het ophaalgebouw van schacht II zijn de slopershamer ontlopen. Thans is hierin het Nederlands Mijnmuseum gehuisvest. Op het terrein bevindt zich het hoofdkantoor van het CBS.
  • Heksenberg - gemeente Heerlen, particuliere mijn Oranje-Nassau IV. Op het terrein bevinden zich de installaties van SIGRANO NV (producent Kwartszand). De steenberg is bewaard gebleven.
  • Heerlerheide - gemeente Heerlen, particuliere mijn Oranje-Nassau III ; Het terrein is nu een woonwijk.
  • Schaesberg - gemeente Landgraaf, particuliere mijn Oranje-Nassau II; Het terrein is nu een woonwijk.
  • Kerkrade, particuliere Domaniale mijn (hiervan is 1 schachttoren, Schacht Nulland, bewaard gebleven). Het mijnterrein is nu een woonwijk.
  • Eygelshoven - gemeente Kerkrade, particuliere mijnen Laura en Julia; Op het terrein van de Laura staat nu een woonwijk. Het Julia-terrein is industrieterrein.
  • Bleijerheide - gemeente Kerkrade, particuliere mijn Neuprick. Sloot in 1904 definitief vanwege zeer grote wateroverlast. De concessie van de Domaniale mijn werd uiteindelijk uitgebreid met die van de kleine mijn Neuprick.
  • Spekholzerheide - gemeente Kerkrade, particuliere mijn Willem-Sophia; Op het terrein van de mijn zijn sportvelden aangelegd (o.a. voor de voetbalvereniging FC Kerkrade-West). Een ander deel is industrieterrein dat nog de naam Willem-Sophie draagt. De steenberg is (grotendeels) afgegraven.
  • Terwinselen - gemeente Kerkrade, Staatsmijn Wilhelmina (hiervan is de steenberg als (overdekte) skihelling bewaard gebleven).

[bewerken] Gegevens

Naam Locatie Concessie Aantal
schachten
Diepste
schacht
Primair
kooltype
Actief Totale
productie
Oranje-Nassau I Heerlen particulier 3 471 m magerkool 1899-1974 31.978.000 ton
Oranje-Nassau II Schaesberg particulier 2 477 m magerkool 1904-1971 34.064.000 ton
Oranje-Nassau III Heerlerheide particulier 1 (+1 ON-IV) 844 m magerkool 1917-1973 38.265.000 ton
Oranje-Nassau IV Heksenberg particulier 1 740 m magerkool 1925-1966 13.754.000 ton
Laura Eygelshoven particulier 2 748 m magerkool 1905-1968 31.885.000 ton
Julia Eygelshoven particulier 2 568 m magerkool 1926-1974 31.963.000 ton
Willem-Sophia Spekholzerheide particulier 5 651 m magerkool 1902-1970 22.678.000 ton
Domaniale Kerkrade gepacht van Staat 6 802 m magerkool 1815-1969 37.990.000 ton
Neuprick Bleijerheide particulier (Pannesheider Mijnvereniging) 1 235 m 1852-1904 0 ton
Wilhelmina Terwinselen Staat 2 823 m magerkool 1906-1969 59.235.000 ton
Emma Treebeek Staat 4 980 m vetkool 1911-1973 109.032.000 ton
Hendrik Rumpen Staat 4 1058 m vetkool 1915-1963 61.203.000 ton
Maurits Lutterade Staat 3 895 m vetkool 1926-1967 96.214.000 ton
Beatrix Herkenbosch Staat 2 700 m vetkool - 0 ton
Totaal 37 568.261.000 ton

[bewerken] Het Nederlands Mijnmuseum

Het Nederlands Mijnmuseum is een ontmoetingsplaats voor oud-mijnwerkers, familie, nabestaanden en enthousiastelingen in alles wat met mijnbouw te maken heeft.

In het museum is onder andere een gedeelte van de "Rein Bettink Collectie" te zien. Een uitgebreide collectie van onder andere: mijnlampen, afbouwhamers, stijlen, kappen en veel andere mijnspullen.

Het Nederlands Mijnmuseum is gehuisvest in het schachtgebouw van "schacht II" van de voormalige Oranje-Nassau mijn I te Heerlen. Een gebouw dat recentelijk is opgenomen in de UNESCO-top 100 monumenten. In het zogenaamde ophaalgebouw, een schacht van het Malakow-type, is de uit 1897 stammende originele ophaalmachine te bezichtigen, een schitterend stukje 19e eeuwse nostalgie.

[bewerken] Steenkolenmijn Valkenburg

In Valkenburg is in een oude mergelgroeve een kolenmijn nagebouwd met originele kolenafgraafmachines en materialen. Het hele jaar door worden daar rondleidingen gegeven door o.a. oud-mijnwerkers waarbij de diverse machines worden gedemonstreerd.

[bewerken] Steenkoolnijverheid in België

[bewerken] Waalse Steenkoolbekkens

In België waren er in de 20e eeuw steenkoolmijnen in Limburg en in de veel oudere Waalse Steenkolenbekkens rond Luik en in de Borinage (provincie Henegouwen).

De zware industrie in Wallonië, zoals de glas- maar in het bijzonder de staalnijverheid, steunde vooral op de Belgische steenkoolproductie. Vanaf de tweede helft van de 20e eeuw kwam de Waalse industrie in een zware overlevingskrisis. De concurrentie met goedkopere steenkool van overzee, de opkomst van aardolie en de bouw van moderne hoogovens bij zeehavens werden een ernstige bedreiging voor de welvaart van deze regio. De Waalse kolenmijnen sloten allemaal, de staalindustrie heeft heel wat sluitingen en herstructureringen achter de rug. Wallonië kampt sinds jaren met een aanhoudend hoge werkloosheid.

De eerste jaren na de Tweede Wereldoorlog was er een hoge vraag naar steenkool voor de wederopbouw. Er was een tekort aan mijnwerkers, die toen in heel naoorlogs Europa werden geworven. Na de mijnramp van Marcinelle in 1956, in de mijn Le Bois du Cazier, waarbij veel Italiaanse doden vielen, zegde Italië zijn overeenkomst met de Belgische regering op omdat de veiligheid in de Belgische mijnen ernstig te wensen overliet. Er werden vanaf toen geen Italianen meer geleverd in ruil voor Belgische steenkool. De Belgen gingen daarna ongeschoolde arbeidskrachten voor hun mijnen zoeken in andere landen rond de Middellandse Zee, zoals Spanje, Griekenland, Marokko en Turkije.

[bewerken] Kempens Steenkoolbekken

De geologische kennis van het Kempens steenkoolbekken dateert van omstreeks 1875. De eerste steenkool uit het Kempens steenkoolbekken in Limburg, werd in 1901 gedolven. Dit geschiedde te As. Het duurde lang voordat de mijnen commercieel konden worden uitgebaat. Er waren immers technische en politieke moeilijkheden te overwinnen. De technische moeilijkheden hielden verband met de watervoerende bovenlaag, waardoor een dure bevriezingstechniek moest worden aangewend voor de aanleg van de schachten. Deze methode verkeerde bovendien nog in een experimenteel stadium. Daarbij brak ook nog de Eerste Wereldoorlog uit.

Pas na de Eerste Wereldoorlog werden de mijnen in productie genomen (Winterslag uitgezonderd) en had als opvallend kenmerk dat er nooit steenkoolverwerkende activiteiten naast zijn ontwikkeld. Dat blijkt uniek te zijn in de Europese mijnnijverheid. De Limburgse kolenproductie was vooral nodig voor de Waalse staalindustrie. De verouderde Waalse mijnen waren namelijk over het hoogtepunt van hun productiecapaciteit heen. Bovendien bevatte de Limburgse ondergrond cokeskolen, waaraan op dat moment groeiende behoefte was.

Oorspronkelijk waren er 7 mijnen die in handen van privé-maatschappijen waren. Het waren de:

De jaartallen geven de periode aan wanneer de mijn op commerciële basis in productie was. De aanleg van de betreffende mijn begon doorgaans al decennia eerder, want de meeste mijnen werden reeds in 1907 gesticht behalve de mijn van Houthalen, die in 1923 werd opgericht. De eerste producerende mijn, Winterslag, kende de moeilijkheden met de watervoerende bovenlaag niet.

Vlak na de Tweede Wereldoorlog, op het hoogtepunt van de Wederopbouwperiode, werkten er 44.000 mensen in de mijnen, wat de maximale werkgelegenheid was. Er moesten tal van voorzieningen worden gebouwd om arbeidskrachten aan te trekken en te behouden. Reeds vanaf 1945 werden daarom Italiaanse gastarbeiders aangetrokken. Vanaf 1956, toen de mijnramp in Marcinelle plaatsvond, werden ook Spanjaarden en Grieken geworven, gevolgd vanaf 1960 door Turken en Marokkanen. Dit maakte dat de mijnstreek een sterk multicultureel karakter zou krijgen. De productie bereikte zijn hoogtepunt in de jaren '50 van de 20e eeuw. In 1958 brak echter de Internationale Kolencrisis uit en werden door de EGKS productiebeperkingen opgelegd. Enige verlichting bracht de Oliecrisis van 1974, maar de verliezen in de mijnbouwsector namen steeds onrustbarender vormen aan.

In Belgisch Limburg werd de eerste mijn gesloten in 1964. Het was de mijn van Houthalen, die fuseerde met die te Zolder. Twee jaar later werd ook de mijn van Zwartberg, waar toen 4000 mensen werkten, gesloten. De Belgische regering had deze sluiting aangekondigd samen met die van enkele Waalse mijnen. Ze had echter niet gerekend op het protest en de woede van de met naakte ontslagen bedreigde Limburgse mijnwerkers. Toen de eerste ontslagbrieven in de bus vielen kwamen de mijnwerkers in actie en werd de ondergrond van de mijn in Zwartberg bezet. De solidariteit van de Limburgse bevolking met de mijnwerkers van Zwartberg was erg groot. Een betoging van mijnwerkers vanuit Zwartberg naar de mijn van Waterschei om hun collega's daar om solidariteit te vragen liep uit op een bloedbad. De mobiele colonne van de rijkswacht reageerde erg overspannen toen de kop van de betoging bij de mijnpoort van Waterschei verscheen en schoot met scherp op de manifestanten. Er vielen 2 doden en verschillende zwaargewonden. De dagen daarna werd het leger ingezet om de erg gespannen sfeer de baas te kunnen.

Uiteindelijk werd er een dure eed gezworen in de Akkoorden van Zwartberg, die deze akelige periode moesten afsluiten: er zouden geen Limburgse mijnen meer sluiten als er niet eerst voor vervangende werkgelegenheid was gezorgd. Ondertussen werd voor de eigenaars van de Limburgse mijnen een voordelige uitstapmogelijkheid gecreëerd uit de verlieslatende mijn-activiteit: de kolenwinning van alle Limburgse mijnen werd geconcentreerd in de nieuwe N.V. Kempische Steenkoolmijnen, waarin de Belgische overheid steeds meer zou gaan participeren. De overheid zou zo garant staan voor het aanzuiveren van de verliezen van de kolenexploitatie met belastinggeld. Winstgevende nevenactiviteiten, zoals de verhuur van gebouwen en de eigendom van onroerende goederen, bleven in handen van de afzonderlijke mijneigenaren.

Toen de Belgische overheid in de jaren 80 van de vorige eeuw de subsidiekraan voor de 5 overgebleven Limburgse mijnen definitief wilde dichtdraaien, werkten er nog ruim 18.000 mijnwerkers, waaronder veel jongeren. Er werd een kolenmanager aangesteld, die met een aanzienlijke enveloppe de resterende mijnactiviteit zou gaan afbouwen en die tegelijk de streek nieuwe economische perspectieven moest weten te bieden. De mijnwerkers, die regelmatig acties en betogingen hielden tegen de plannen, werden op den duur verleid met hoge oprotpremies en erg gunstige pensioenregelingen. Mijnwerkers uit de oostelijk gelegen mijnen werden daarbij nog eens handig tegen hun westelijke collega's uitgespeeld en mede daardoor konden de mijnen in Belgisch Limburg toch vrij snel sluiten. De mijnen in Waterschei, Winterslag en Eisden waren in 1987 dicht en de westelijke mijnen in Beringen en Zolder volgden daarna. Er bleef daardoor nog heel wat geld in de enveloppe over, waarmee na heel wat politiek getouwtrek en diverse schandalen en schandaaltjes, toch enkele nieuwe projecten op de Limburgse rails konden worden gezet.

De laatste Belgische mijn, in het Limburgse Zolder, werd in 1992 gesloten.

Veel van de met de mijnen samenhangende gebouwen zijn gesloopt, maar er zijn, naast tal van steenbergen, nog twee mijncomplexen grotendeels behouden gebleven. Het betreft:

Veel van de mijnterreinen zijn omgevormd tot bedrijventerreinen. In Zwartberg werd zelfs een dierentuin ingericht, die echter later al weer gesloten werd. Ook in recreatieve en commerciële bestemmingen werd voorzien.

Voor de lijst van de steenbergen, zie het artikel: steenberg (mijn).

[bewerken] Externe links

 
Persoonlijke instellingen
Boek maken