Ruhrgebied

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Ruhrgebied
Ruhrgebiet
Streek in Duitsland Vlag van Duitsland
Locatie in Duitsland
Situering
Deelstaat Noordrijn-Westfalen
Algemeen
Oppervlakte 4435 km²
Inwoners (2008) 4.953.345
Overig
Website http://www.rvr-online.de/
Foto's
Ruhr area-administration.png
Portaal  Portaalicoon   Duitsland
Stadhuis van Essen (1979). Essen wordt de hoofdstad van het Ruhrgebied genoemd.
Shopping mall CentrO in Oberhausen, ook bekend bij Nederlandse toeristen
Villa Hügel, het domiciel van de familie Krupp, nu te bezichtigen in het heuvelige zuiden van Essen
Xanten met het Archeologisch Park Xanten ligt ook in het Ruhrgebied, in het district Wezel
Voormalige Zeche Zollern in Dortmund
Bergschäden: scheuren in een huis in Gladbeck, veroorzaakt door in elkaar zakkende mijngangen
Ruhr-Universität Bochum van 1965, de eerste universiteit in de regio

Het Ruhrgebied (Duits: Ruhrgebiet) is een sterk geïndustrialiseerde regio in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen met ongeveer 5,3 miljoen inwoners, verdeeld over 11 grote steden en 42 kleinere gemeenschappen. De belangrijkste plaatsen zijn: Duisburg, Essen, Bochum en Dortmund; veel van de steden zijn aan elkaar gegroeid. Het gebied wordt grofweg omsloten door de Rijn in het westen, de Ruhr in het zuiden en de Lippe in het noorden. In het oosten heeft het geen natuurlijke grens.

Naam[bewerken]

Het gebied is vernoemd naar de Ruhr, die bij Duisburg de Rijn instroomt. Deze rivier stroomt ten oosten van de Rijn. De Ruhr heeft niets te maken met de Belgisch-Duits-Nederlandse rivier Roer (Duits: Rur), die zijn naam aan Roermond heeft gegeven. Hoewel de naam anders doet vermoeden is het gebied geen geografische of bestuurlijke eenheid.

Administratieve indeling[bewerken]

Het Ruhrgebied lag voor de helft in de Pruisische provincie Rijnland en voor de helft in de Pruisische provincie Westfalen. Essen ligt nog in het Rijnland, de buurstad Bochum in Westfalen.

Ook na de oprichting van Noordrijn-Westfalen in 1946 bleef het gebied administratief verdeeld. Het grootste deel van het westen hoort tot de Regierungsbezirk Düsseldorf en daarmee tot het Landschaftsverband Rheinland. Het noorden behoort tot de Regierungsbezirk Münster, het zuidoosten tot de Regierungsbezirk Arnsberg, die beiden tot het Landschaftsverband Westfalen horen. De Noordrijn-Westfaalse regering onder Jürgen Rüttgers (2005-2010) had plannen om het Ruhrgebied één Regierungsbezirk te maken, naast een Regierungsbezirk Rijnland en één voor Westfalen (drie in totaal, in plaats van de huidige vijf).[bron?]

Er bestaat een Regionalverband Ruhr als samenwerkingsverband van de gemeenten in het gebied. De RVR werkt mee bij de plannen voor ruimtelijke ordening en heeft vooral de marketing van het Ruhrgebied in zijn takenpakket. Deel van de RVR maken uit:

Geschiedenis[bewerken]

Industriële ontwikkeling[bewerken]

Het Ruhrgebied als industriële zone dateert uit het midden van de 19e eeuw. Daarvoor was het een gewone plattelandsregio met de daarbij horende kenmerken. Sinds de Middeleeuwen werd er steenkool gedolven.

De ontwikkeling van de stoommachine maakte het mogelijk om op grootschalige wijze de aanwezige steenkool te delven. Gecombineerd met ijzererts uit de nabije regio, maakte dit het Ruhrgebied aantrekkelijk voor de vestiging van staalindustrie. Naast de Rijn als oudste transportroute maakte ook de opening van de spoorlijn Parijs - Berlijn in 1853 het mogelijk om de vervaardigde goederen snel en goedkoop te vervoeren naar de afnemers. De zich uitbreidende mijnen en staalindustrie trokken tal van andere industrietakken aan die de eindproducten verder verwerkten zoals chemische bedrijven, machinefabrieken en ook de eerste autofabrieken. Bekend zijn de staal- en machine fabrieken van Alfred Krupp die zich naast vervaardiging van stalen spoorwegmaterialen zoals rails en locomotieven ook specialiseerde in zware wapens als kanonnen en andere artillerie. Ook tal van logistieke bedrijven vestigden zich hier om de producten verder te distribueren.

De groei in werkgelegenheid zorgde ook voor een groei in bevolking. Het aantal bewoners van de regio nam toe van 400.000 in 1850 tot 3,8 miljoen in 1925.[1]

Eerste en Tweede wereldoorlog[bewerken]

In 1923 werd het gebied door Franse en Belgische troepen bezet om de betaling van herstelbetalingen af te dwingen, die Duitsland op grond van de Vrede van Versailles opgelegd had gekregen. Daarop volgden massale stakingen. In 1924 vertrokken de troepen weer.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog was het gebied, naast Silezië, het hart van de Duitse industriële oorlogsproductie en het werd daarom zeer vaak gebombardeerd. In april 1945 werd het Ruhrgebied door Amerikaanse en Britse troepen omsingeld en na hevige strijd ingenomen. De industrie lag volkomen in puin.

Kolen- en staalcrisis[bewerken]

Na de Tweede Wereldoorlog werd het Ruhrgebied snel weer opgebouwd. In 1956, het hoogtepunt van de mijnbouw, werkten er bijna 500.000 mensen in de mijnindustrie. Ten tijde van het Wirtschaftswunder werden de zware industrieën opnieuw opgebouwd en werd er hypermodern geproduceerd. Ook kwamen er andere industrietakken bij zoals machinebouw en elektronica.

In 1957-1958 werd het Ruhrgebied geraakt door de eerste kolencrisis. De eigenaars van de mijnen hadden de prijzen duidelijk verhoogd nadat de prijscontrole (uit de tijd ná de oorlog) was weggevallen. In reactie daarop maakte de bondsregering de import van Amerikaanse kolen en ook van aardolie goedkoper, bang voor een tekort aan energie. De vraag naar Ruhrkolen daalde. Er werden 35 mijnen gesloten, wat het verlies van de banen van 53.000 mijnwerkers inhield.[2]

Na de kolencrisis volgde in 1974 de staalcrisis. Door de daling van de wereldwijde vraag naar staal, als gevolg van de oliecrisis, daalde de staalproductie met een derde. Het verlies aan banen in de kolen- en staalindustrie kon slechts ten dele worden opgevangen door een groei van banen in de dienstensector. In de jaren tachtig bedroeg de werkloosheid ongeveer 15% van de beroepsbevolking. Heden ten dage is dat 12%, ruim 2% hoger dan het gemiddelde in NRW. Met ingang van 1997 zijn Duitse energieconcerns niet meer verplicht om de kolen uit het Ruhrgebied af te nemen, waardoor er nog meer banen in de mijnbouw verloren zijn gegaan.

Ruimtelijke structurering[bewerken]

Van regionale ruimtelijke ontwikkeling was zeker in het begin van de industrialisering geen sprake. Hierdoor was er een wildgroei van wegen en kanalen, industrie- en woongebieden. Daar waar de mijnen werden gesticht kwamen ook de arbeiders te wonen, dicht bij het werk. Ruimtelijke ordening was een taak van de gemeenten.

In 1920 werd het Siedlungsverband Rurhkohlenbezirk (SVR) gesticht, dat zich bezig ging houden met regionale planning. Het Siedlungsverband ontwikkelde een regioplan voor de toename van de levenskwaliteit. Dit doel moest bereikt worden door meer groen te creëren en voor ontspanning te zorgen. Wegens de opkomst van het Nationaalsocialisme kwam het niet tot uitvoering. Desondanks is dit plan tot op heden de basis voor veel plannen op het gebied van ruimtelijke ordening in het Ruhrgebied.

Na de Tweede Wereldoorlog ging het SVR verder. In 1966 werd het eerste gebiedsontwikkelingsplan gepresenteerd. In 1979 ging het SVR op in het Kommunalverband Ruhrgebiet. Dit orgaan had echter geen verantwoordelijkheden meer op planningsgebied. Pas in 2004, met de omvorming van KVR tot Regionalverband Ruhr, kwam er weer een regionaal orgaan dat zich bezig ging houden met masterplannen voor het gebied. Tot die tijd lag de verantwoordelijkheid bij de individuele gemeenten.

Problemen[bewerken]

Teruglopende werkgelegenheid in de zware industrie stelde de regio voor een aantal moeilijk oplosbare problemen. Dit zijn: verouderde industriegebieden, overschot aan industriegebied, milieuvervuiling, woon- en werkfuncties door elkaar heen en cultuurhistorische panden.

Overschot aan industrieel gebied[bewerken]

In de Ruhrregio ligt ongeveer 3000 ha industrieterrein braak [1]. Dit komt overeen met de oppervlakte van het eiland Vlieland. Het grote aantal braakliggende terreinen en de oppervlakte, gecombineerd met de ballast uit het verleden, zorgen voor een enorme opgave. Doordat de daling in de primaire sector van structurele aard is en de dienstensector met minder ruimte toekan, betekent dit dat er een overschot is aan bedrijventerreinen.

Milieuvervuiling[bewerken]

De belangrijkste vormen van milieuvervuiling in het Ruhrgebied zijn een veranderde bodemgesteldheid, bodemverontreiniging, luchtvervuiling en afvalwater. 150 jaar van industrialisering heeft grote invloed gehad op het Ruhrgebied. Op sommige plaatsen is de bodemgesteldheid door kolengruis of restproducten uit de staalindustrie dusdanig gewijzigd, dat er geen sprake meer is van een natuurlijke bodem. Er wordt dan ook gesproken over een “industriebodem” of een “technische bodem". Deze bodem kan niet, of slechts tegen zeer hoge kosten, teruggebracht worden in zijn oorspronkelijke staat. Geaccepteerd moet worden dat de bodem zo blijft en op deze manier een nieuwe bestemming moet krijgen.

Naast de gewijzigde bodemgesteldheid, is ook de bodemverontreiniging (Duits: Altlast) een groot probleem. Naargelang de voormalige activiteit kan de bodem verontreinigd zijn met zware metalen, organische en chemische stoffen, meststoffen of pesticiden. De kosten voor bodemsanering komen vaak voor rekening van de overheid omdat oude eigenaars niet meer te traceren zijn.

Het tweede grote milieuprobleem is luchtvervuiling. Terwijl vroeger de luchtvervuiling voornamelijk veroorzaakt werd door de zware industrie, heeft het Ruhrgebied nu vooral te maken met vervuiling door (vracht)verkeer. Er lopen drie grote snelwegen van oost naar west, langs en door grote woonkernen.

Het derde grote milieuprobleem is afvalwater van industrie en bevolking. Afvalwater uit mijnen, staalfabrieken en woongebieden liep ongezuiverd de rivieren in. Door bodemdaling, veroorzaakt door mijnbouw, waterden rivieren niet meer af in de Rijn. Rivieren werden omgelegd, oorspronkelijke beddingen vervangen door betonnen constructies en pijpleidingen. Met de komst van rioolzuiveringsinstallaties en het verdwijnen van de zware industrie is een deel van het probleem inmiddels verholpen. Inmiddels wordt er gewerkt aan het terugbrengen van de natuur van de rivier.

Woon- en werkfunctie door elkaar heen[bewerken]

Doordat er in de beginjaren geen sprake is geweest van een goede ruimtelijke ordening is er geen goede scheiding tussen de woon- en werkfuncties. De kwaliteit van de leefruimte was laag en er is een gebrek aan groen en recreatiegebieden. Daarnaast is de kwaliteit van de bebouwing laag. Door de toegenomen mobiliteit trokken mensen weg uit de steden en vestigden zich in de randzone. Hierdoor nam de druk op de groene randzone toe, terwijl de binnensteden te kampen kregen met verloedering en neergang.

Cultuurhistorie[bewerken]

Door het stilleggen van mijnen en staalbedrijven zijn er grote stukken land in onbruik geraakt. Deze terreinen zijn door planten- en diersoorten langzamerhand weer in bezit genomen. De voormalige industriecomplexen zijn vaak van grote cultuurhistorische waarde. Omdat niet alle vrijgekomen terreinen nodig zijn voor nieuwe ontwikkeling, is ervoor gekozen om sommige terreinen over te laten aan de natuur, als een modern equivalent van het “Engelse landschapspark”.

Doordat hun oude functie kwam te vervallen en ze vaak geen nieuwe functie kregen, stonden vele complexen op de nominatie om gesloopt te worden. Om dit te voorkomen hebben sommige van deze complexen het predicaat industrieel erfgoed gekregen. Als opstallen van cultuurhistorische waarde zijn, wordt er gezocht naar alternatieve bestemming, hetzij als museum hetzij als amusementspark. De bekendste voorbeelden zijn de voormalige mijn Zeche Zollverein te Essen (100 ha) en Landschaftspark Duisburg-Nord.

Trivia[bewerken]

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]

Voetnoten[bewerken]

  1. a b Ehses, B. (2005). Das Ruhrgebiet, Zahlen - Daten - Fakten.
  2. Kurth, D., Scheuvens, R., & Zlonicky, P. (Eds.). (1999). Laboratorium Emscher Park. Dortmund.

Beluister

(info)