Ruimtelijke ordening

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Plankaart van het Algemeen Uitbreidingsplan, een stedenbouwkundig plan voor de uitbreiding van Amsterdam, dat in 1934 tot stand kwam, in 1935 aangenomen werd door de gemeenteraad en na de Tweede Wereldoorlog ten uitvoer is gebracht.

Ruimtelijke ordening is het proces waarbij met een groot aantal spelregels de ruimte planmatig wordt benut en ingericht. Daarbij wordt rekening gehouden met individuele en gemeenschappelijke belangen. Kortweg: het zo goed mogelijk aan elkaar aanpassen van samenleving en ruimte. De wetenschapsgebieden die hierbij een rol spelen zijn planologie, landschapsarchitectuur en stedenbouw. Maar ook zaken als milieu en economie spelen een grote rol in de ruimtelijke ordening.

Nederland[bewerken]

Voorgeschiedenis[bewerken]

In het begin van de 20e eeuw waren de stedebouwkundigen degenen die de stadsindeling bepaalden. In een democratischer wordende maatschappij werd meer inspraak door burgers, bedrijven en belangenorganisaties gewenst. Voor de Tweede Wereldoorlog is het begrip "ruimtelijke ordening" in Centraal-Europa ontstaan. De bedoeling was om naast de steden ook het buitengebied planmatiger te ordenen. Daartoe werden van gebieden specifieke eigenschappen bepaald en functies toegekend. Bij de functietoekenning kregen de verschillende overheden een belangrijke rol maar kregen ook burgers en belangengroepen inspraak. Een en ander is in Nederland vastgelegd in de "Wet Ruimtelijke Ordening 1962" en later de "Wet ruimtelijke ordening 2006".

Algemeen[bewerken]

In Nederland werden ruimtelijke plannen en ook de bestaande ruimtelijke situatie tot 1 juli 2008 vastgelegd in planologische kernbeslissingen (van de rijksoverheid), in streekplannen (van de provinciale overheden) en in bestemmingsplannen (van de gemeenten).

Daarnaast wordt het proces bepaald door wetgeving, voor Nederland: Wet ruimtelijke ordening.

De Wet ruimtelijke ordening (Wro, die per 1 juli 2008 de oude Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) heeft vervangen), geeft regels over de totstandkoming van ruimtelijke plannen, zoals in structuurvisies en bestemmingsplannen.

Er zijn echter ook andere planprocedures die voorschriften kennen voor de ruimtelijke inpassing van (bijvoorbeeld) wegen. Daarbij gaat het (voor wat betreft infrastructuur) om bijvoorbeeld de Planwet Verkeer en Vervoer en de Tracéwet.

In de ruimtelijke ordening zijn verschillende benaderingen te onderscheiden. Een veelgebruikte benadering is de lagenbenadering. In deze benadering wordt ruimte in drie lagen onderverdeeld: de occupatielaag, de netwerklaag en de ondergrond, met elk eigen eigenschappen en ontwikkelingssnelheden.

Digitaal

Ruimtelijke ordeningsplannen zijn van oudsher grote kaarten met bijbehorende 'boekjes' waar de toelichting en voorschriften in staan. De voorschriften (of regels onder de Wro) geven aan wat er wel en niet mag op een met een specifieke functie aangegeven locatie in de kaart. Vanaf 1 januari 2010 moeten alle officiële ruimtelijke plannen echter digitaal opgesteld worden en conform de wettelijke omschreven RO Standaarden. Tevens zijn de procedures van beschikbaarstelling, kenbaarheid en verbeelding van de plannen in digitale vorm wettelijk gestandaardiseerd. Hierdoor zijn alle nieuwe plannen (en oude WRO-plannen op basis van vrijwilligheid) zichtbaar op Ruimtelijkeplannen.nl, ook bekend als RO-Online.

België[bewerken]

Voorgeschiedenis[bewerken]

Van 1945 tot 1962 kende België geen ruimtelijke ordening. Vanaf 1945 kreeg België daardoor zijn huidige, verwarde aanblik. In deze periode kon men overal en op gelijk welke wijze bouwen. Voornamelijk het landschap van de noordelijke deelstaat Vlaanderen is doorspekt met alle soorten bebouwing, die zowel op het platteland als langs de steenwegen is terug te vinden. Nagenoeg elke Belgische gemeente kent lintbebouwing.

Eerste wetgeving[bewerken]

Geen enkel ander Westers land heeft dergelijke chaos in haar ruimtelijke ontwikkelingen. Het probleem was immers dat de "stedebouwkundige voorschriften" - zoals deze toen werden genoemd - bedacht werden achter Brusselse kantoortafels, terwijl de plaatselijke overheid ze moest uitvoeren. Dikwijls moest een plaatselijke mandataris zijn potentiële kiezer dan een bouwvergunning c.q. -weigering bezorgen.

De eerste Belgische wetgeving op de ruimtelijke ordening dateert van 29 maart 1962; dit is de "Wet op de Stedebouw". Deze regels werden niet (zo nauw) toegepast. Toen de eerste wetgeving eindelijk van kracht ging, was het kalf al verdronken.

De gewestplannen[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Gewestplan voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

In de loop van de jaren 1970 werd gestart met de opmaak van de eerste gewestplannen. Deze plannen werden gebiedsdekkend opgemaakt en legden de bestemmingen en daarmee ook de ontwikkelingsmogelijkheden juridisch vast. Meer nog dan de "Wet op de Stedebouw" van 1962, markeert deze periode de overgang naar een meer planmatige en geordende ruimtelijke ontwikkeling.

In de jaren zestig, zeventig en tachtig van de 20ste eeuw werd zowat de hele Belgische kust volgebouwd met appartementsblokken. De resterende open ruimte in Vlaanderen werd verder verkaveld. Vandaag de dag is er in Vlaanderen bijna geen open ruimte meer te vinden. Wallonië, dat toentertijd minder verkaveld werd, beschikt nog over ruime openbare ruimten.

Voor het hele Belgische grondgebied werden een gewestplannen opgemaakt en ingedeeld in bestemmingszones: woonzone, industriezone, woonuitbreidingsgebied, natuurgebied, landbouwgebied of een andere bestemming. Het was vooral de bedoeling van dan af de nog resterende schaarse "groene ruimte" te beschermen tegen bouwspeculanten. Die procedure nam verschillende jaren in beslag, omdat er uitgebreid hoorzittingen werden gehouden, beroepsprocedures en wijzigingsvoorstellen voorzien waren. De gemeentelijke overheid kreeg daarin een sleutelrol toebedeeld. De gewestplannen werden verder gedetailleerd in bijzondere plannen van aanleg (BPA) en/of algemene plannen van aanleg (APA). Vooral dat eerste instrument werd ruim toegepast.

Regionalisering[bewerken]

Sinds de staatshervorming van 8 augustus 1980 is ruimtelijke ordening een verantwoordelijkheid voor het gewest.

Met het decreet houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening van 18 mei 1999, dat tot stand kwam onder Vlaams Minister van Ruimtelijke Ordening Steve Stevaert, werd de regelgeving drastisch geherstructureerd. De toepassing van het structuurplanning stond hierin centraal.

Er werden nieuwe planningsinstrument geïntroduceerd: het ruimtelijk structuurplan of en ruimtelijke uitvoeringsplannen. Het Gewest, de provincies en de gemeenten kunnen structuurplannen en uitvoeringsplannen opmaken. De ruimtelijke uitvoeringsplannen moeten zich daarbij richten naar de beleidsopties uit de structuurplannen.

Gebruikelijke afkortingen met betrekking tot ruimtelijke ordening in België[bewerken]

In België staan in advertenties voor vastgoed afkortingen met betrekking tot de ruimtelijke ordening.

Vergunning

  • Vg : Vergunning uitgereikt
  • Gvg : Geen vergunning uitgereikt
  • Vgnb : Vergunning niet beschikbaar

Planologische bestemming

Dagvaarding

  • Dv : Dagvaarding uitgebracht
  • Gdv : Geen dagvaarding uitgebracht
  • Dnb : Dagvaarding niet beschikbaar

Voorkooprecht

  • Vkr : Voorkooprecht ruimtelijke ordening aanwezig
  • Gvkr : Geen voorkooprecht ruimtelijke ordening aanwezig
  • Vkrnb : Voorkooprecht niet beschikbaar

Verkavelingsvergunning

  • Vv : Verkavelingsvergunning
  • Gvv : Geen verkavelingsvergunning
  • Vvnb : Verkavelingsvergunning niet beschikbaar

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]