Deelstaten van Duitsland
Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
De Deelstaten van Duitsland zijn zestien regionale staten (deelstaten) op het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland. In de Duitse Grondwet heten ze Länder (enkelvoud Land), voor de duidelijkheid worden ze meestal Bundesländer genoemd. De Duitse deelstaten hebben eigen grondwetten, parlementen en regeringen, en ze kunnen alleen via een plebisciet worden veranderd.
Inhoud |
[bewerken] Overzicht van de deelstaten
Het gehele grondgebied van Duitsland maakt deel uit van een van de deelstaten, er is geen stuk van Duitsland dat niet bij een deelstaat hoort. Met Bundesgebiet (federaal gebied) wordt dus geheel Duitsland aangeduid en niet een deelstaatloos gebied dat direct door de federale overheid wordt bestuurd (anders dan bijvoorbeeld de VS met hun United States territories zoals sommige eilanden). Berlijn, de Duitse hoofdstad, is gewoon een van de zestien deelstaten. Naast Berlijn zijn ook de steden Hamburg en Bremen deelstaten. Ze hebben dezelfde rechten en plichten als andere deelstaten.
De interne structuur van een deelstaat kan per deelstaat verschillend zijn, hoewel er veel overeenkomsten zijn. De grote deelstaten Baden-Württemberg, Beieren, Hessen, Noordrijn-Westfalen en Saksen zijn onderverdeeld in Regierungsbezirke. De administraties van deze Bezirke horen bij de deelstaatsregering. Onder het niveau van de Bezirke zijn dan de Landkreise en kreisfreie Städte, de gemeenten. Over de grenzen en rechten van de Bezirke en gemeenten beslist de deelstaat.
De meeste deelstaten noemen zich Land (bijvoorbeeld das Land Schleswig-Holstein), maar Beieren, Saksen en Thüringen gebruiken de term Freistaat, een ouder woord voor "republiek". Hamburg en Bremen noemen zich Hansestadt. De voorzitter van een deelstaatsregering heet Ministerpräsident, behalve in Berlijn (Regierender Bürgermeister), Hamburg ((Erster Bürgermeister) en Bremen (Präsident des Senats und Bürgermeister). Het parlement van een deelstaat heet Landtag, in Berlijn Abgeordnetenhaus, in Hamburg en Bremen Bürgerschaft.
| Wapen | Land | Deel van de Bonds- republiek sinds |
Minister- president |
Regerings- partijen |
Stemmen in de Bundesrat |
Oppervlakte (km²) |
Inwoners (miljoen) |
Inwoners per km² |
Hoofdstad |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Baden-Württemberg | 1952 | Günther Oettinger (CDU) | CDU/FDP | 6 | 35.752 | 10.739 | 300 | Stuttgart | |
| Beieren Bayern |
1949 | Horst Seehofer (CSU) | CSU/FDP | 6 | 70.552 | 12.488 | 177 | München | |
| Berlijn Berlin |
1990 | Klaus Wowereit (SPD) | SPD/Linke | 4 | 892 | 3.395 | 3.807 | – | |
| Brandenburg | 1990 | Matthias Platzeck (SPD) | SPD/CDU | 4 | 29.479 | 2.559 | 87 | Potsdam | |
| Bremen | 1949 | Jens Böhrnsen (SPD) | SPD/Bündnis 90/Die Grünen | 3 | 404 | 0.663 | 1.641 | – | |
| Hamburg | 1949 | Ole von Beust (CDU) | CDU/Bündnis 90-Die Grünen | 3 | 755 | 1.774 | 2.309 | – | |
| Hessen | 1949 | Roland Koch (CDU) | CDU | 5 | 21.115 | 6.075 | 289 | Wiesbaden | |
| Mecklenburg- Voor-Pommeren Mecklenburg- Vorpommern |
1990 | Erwin Sellering (SPD) | SPD/CDU | 3 | 23.180 | 1.707 | 74 | Schwerin | |
| Nedersaksen Niedersachsen |
1949 | Christian Wulff (CDU) | CDU/FDP | 6 | 47.624 | 7.997 | 168 | Hannover | |
| Noord-Rijnland- Westfalen Nordrhein- Westfalen |
1949 | Jürgen Rüttgers (CDU) | CDU/FDP | 6 | 34.085 | 18.029 | 530 | Düsseldorf | |
| Rijnland-Palts Rheinland-Pfalz |
1949 | Kurt Beck (SPD) | SPD | 4 | 19.853 | 4.053 | 204 | Mainz | |
| Saarland | 1957 | Peter Müller (CDU) | CDU | 3 | 2.569 | 1.050 | 409 | Saarbrücken | |
| Saksen Sachsen |
1990 | Stanislaw Tillich (CDU) | CDU/SPD | 4 | 18.416 | 4.250 | 232 | Dresden | |
| Saksen-Anhalt Sachsen-Anhalt |
1990 | Wolfgang Böhmer (CDU) | CDU/SPD | 4 | 20.446 | 2.470 | 121 | Magdeburg | |
| Sleeswijk-Holstein Schleswig-Holstein |
1949 | Peter Harry Carstensen (CDU) | CDU/SPD | 4 | 15.799 | 2.833 | 179 | Kiel | |
| Thüringen | 1990 | Dieter Althaus (CDU) | CDU | 4 | 16.172 | 2.335 | 144 | Erfurt |
[bewerken] Geschiedenis
[bewerken] Deelstaten vóór 1945
Al in het Heilige Roomse Rijk hadden de vorstendommen veel macht, terwijl de macht van de keizer uiteindelijk afhing van zijn macht als vorst. De keizerlijke titel was niet erfelijk, maar gedurende een lange periode tijd, tot aan het eind van het rijk in 1806, was de keizer bijna continue de erfgenaam van de Oostenrijkse dynastie Habsburg. Een andere belangrijke vorst was de koning van Pruisen.
In 1815 werd de Duitse Bond opgericht. De Duise bond verving het in 1806, door Napoleon, opgeheven Heilige Roomse Rijk. Deze statenbond was bedoeld om een revolutie in Duitsland te voorkomen en aanvallen van buiten af te weren. De eigenlijk macht lag nog steeds bij de vorsten; de keizer van Ooostenrijk was voorzitter van de bond. In 1867, na de Pruisisch-Oostenrijkse oorlog, stichtte Pruisen een Noord-Duitse Bond die in 1871 in het Duitse Keizerrijk opging. Oostenrijk werd uitgesloten van het keizerrijk, waarmee Pruisen, dat ruim tweederde van het overige Duitse grondgebied besloeg, de machtigste staat binnen het keizerrijk werd. De deelstaten, Staaten geheten, hadden via federale organen een beslissende invloed op de federale politiek. In de praktijk had echter bijna uitsluitend Pruisen iets te zeggen, de Pruisische koning was automatisch de Duitse keizer en benoemde de rijkskanselier.
Ook in de Weimarrepubliek (sinds 1919) bestonden er Länder die nu ook voor het eerst deze naam hadden. In de tijd van het nationaalsocialisme (1933-1945) bestonden de deelstaten nog wel maar ze werden onder rijkscommissarissen geplaatst en hadden verder geen betekenis. Naast de deelstaten kregen de Gaue van de nationaalsocialistische partij (vanaf 1939 ook officiele gebiedseenheden) meer en meer gewicht.
|
Heilige Roomse Rijk in de 13e eeuw |
Heilige Roomse Rijk in 1648 |
Heilige Roomse Rijk in 1789 |
Duitse Bond 1815-1866 |
|
Duitse Keizerrijk 1871-1918 |
Weimarrepubliek 1919-1933 |
NS-Rijk met gouwen |
[bewerken] Ontwikkeling in de Bondsrepubliek
De Duitse deelstaten zijn na de Tweede Wereldoorlog opgericht tijdens de geallieerde bezetting van Duitsland. De West-Duitse deelstaten vormen sinds 1949 samen de Bondsrepubliek. De deelstaten Baden, Württemberg-Baden en Württemberg-Hohenzollern werden in 1952 de deelstaat Baden-Württemberg. In 1957 kwam het Saarland bij de Bondsrepubliek.
De Oost-Duitse deelstaten bestonden tot 1952 toen deze deelstaten vervangen werden door Bezirke. In 1990 werden de Oost-Duitse deelstaten weer opgericht en maken sinds de Duitse hereniging ook deel uit van de Bondsrepubliek. In 1995 mislukte een plebisciet over een fusie van Brandenburg en Berlijn.
Berlijn had tijdens de deling van Duitsland een aparte status; het lag op het grondgebied van de Sovjetzone, maar moest volgens de afspraken door de vier geallieerden bestuurd. In feite werd Berlijn evenals Duitsland gedeeld. De drie Westerse sectoren vormden een politieke eenheid die officieel niet bij de Bondsrepubliek hoorde en toch vrijwillig alle West-Duitse wetten overnam. Oost-Berlijn werd, tegen de gealliieerde afspraak, bij de DDR gevoegd. In 1990 werd Berlijn herenigd en is sinds 1991 weer de Duitse hoofdstad, ook al duurde het tot 1999 en later dat de (meeste) federale organen in Berlijn zetelen.
Van tijd tot tijd verschijnen in de pers plannen over een herindeling, bijvoorbeeld een bijeenvoegen van de noord-westelijke deelstaten. Omdat normaliter de inwoners van kleine deelstaten hun zelfstandigheid kosteren (en dan in een plebisciet nee zeggen) zijn veranderingen zeer onwaarschijnlijk.
[bewerken] Positie in het politieke systeem
Vanwege hun rechten zijn de deelstaten echte partners en soms ook tegenstanders van het federaal niveau dat vaak als der Bund wordt aangeduid. Een minister-president kan alleen worden afgezet door het deelstaatparlement in kwestie, niet door de Bondsregering. Vaak vind een politicus het interessanter om minister-president te zijn dan bondsminister. Men heeft het ook over Landesfürsten. Wanneer een grote partij op zoek is naar een kanselierskandidaat voor de Bondsdagverkiezingen dan is het normaal eerst onder de ministerpresidenten van de partij te kijken. De bondskanseliers Kurt Georg Kiesinger, Willy Brandt, Helmut Kohl en Gerhard Schröder waren voormalige ministerpresidenten, zij het ook niet direct voordat ze bondskanselier werden. In de jaren 1961, 1965, 1976, 1980, 1987, 1990, 1994, 1998 en 2002 waren de kanselierskandidaten van de niet in de Bond regerende partijen ministerpresidenten.
Bekende en belangrijke minister-presidenten waren bijvoorbeeld Franz Josef Strauß van Beieren en Johannes Rau van Noordrijn-Westfalen. De langst zittende minister-president was Peter Altmeier die meer dan 21 jaar lang Rijnland-Palts regeerde. Bernhard Vogel was de enige die minister-president van twee deelstaten was, in 1976-1988 van Rijnland-Palts en in 1992-2003 van Thüringen (samen zelfs 23 jaar).
Via de Bondsraad zijn deelstaatregeringen automatisch betrokken bij de federale politiek. Voor een bondskanselier (federale regeringsleider) is het dus niet alleen belangrijk om een meerderheid in de Bondsdag te hebben maar ook in de Bondsraad, die over ruim zestig procent van de wetten mee beslist. Omdat de bondsraadstemmen door de deelstaatsregeringen worden uitgebracht kan een deelstaatsverkiezing vrij direct invloed op de federale politiek hebben. (De tijden van de deelstaatsverkiezingen zijn niet op elkaar afgestemd.)
De Grondwet bepaalt dat alle Duitsers in principe onder dezelfde omstandigheden moeten kunnen leven. Om de verschillen qua rijkdom niet te groot te laten worden is er een Länderfinanzausgleich: De rijke deelstaten moeten aan het eind van het jaar geld afstaan aan de armere. Verder betaalt de Bond aan armere deelstaten. In de rijkere deelstaten is veel kritiek op de Länderfinanzausgleich; er wordt gezegd dat vanwege de transferbetalingen de arme deelstaten geen motief hebben om spaarzamer te zijn.