Elzas-Lotharingen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Reichsland Elsass-Lothringen
Onderdeel van het Duitse Keizerrijk
 Derde Franse Republiek 1871–1918 Derde Franse Republiek 
Dienstflagge Elsaß-Lothringen Kaiserreich.svg Wappen Deutsches Reich - Elsass-Lothringen.svg
Kaart
ELDistricten.png
Algemene gegevens
Hoofdstad Straatsburg
Oppervlakte 14.522 km²
Bevolking 1.549.738 (1871)
1.815.000 (1905)
Talen Duits, Frans
Religie(s) Katholiek: 1.235.606; protestants: 270.251; overige christenen: 2132; joden: 40.918; overig: 731 (1871
Regering
Regeringsvorm Deel van het Duitse Keizerrijk
Staatshoofd Keizer (vertegenwoordigd door rijksstadhouder)
De Frans-Duitse grens bij Foussemagne nabij Belfort 1871-1918

Elzas-Lotharingen (Frans: Alsace-Lorraine, Duits: Elsaß-Lothringen) is een gebied in het oosten van Frankrijk dat van 1871 tot 1918 tot het Duitse Keizerrijk behoorde. Van 1940 tot 1945 was het door nazi-Duitsland bezet. Het bestond uit de Elzas en het noorden van Lotharingen, dat zijn de huidige departementen Moselle, Bas-Rhin en Haut-Rhin.

De benaming Elzas-Lotharingen is wat verwarrend, omdat het grootste deel van Lotharingen, de huidige departementen Meurthe-et-Moselle, Meuse en Vosges, er niet toe behoorde. Daarom duidt de Franse overheid de drie departementen, die nog altijd een bijzonder statuut hebben, soms aan als Alsace-Moselle.

Taal en godsdienst[bewerken]

De volkstelling van 1910 telde de volgende groepen[1]:

Moedertaal[bewerken]

  • Duits: 1.492.347 (86,8 %) (in de Elzas 94,6%, in Lotharingen 73,5%)
  • Andere taal: 219.638 (12,8 %), waarvan:
  • Frans: 198.318 (11,5 %, met name in Metz en in het aansluitende zuidwestelijke deel van Lotharingen)
  • Italiaans: 18.750 (1,1 %) met name in het Lotharingse mijngebied
  • Pools: 1.410 (0,1 %) met name in het Lotharingse mijngebied

Duits en tevens een andere taal: 7.485 (0,4 %)

In 1936 sprak nog een grote meerderheid van bijna 70% Duits(e dialecten), maar kende ook al ca. 65% Frans. In 1960 waren deze percentages, na de radicale verfransing, ca. 50% en bijna 85%. Sindsdien is de Duits-dialecttaligheid onder de helft gezakt.

Godsdienst in de Elzas in 1910[bewerken]

Kerkelijke confessie:

  • rooms-katholiek: 1.310.450 (76,21 %)
  • protestants: 372.078 21,64 %, vooral luthers, daarnaast calvinistisch en doopsgezind (mennonitisch)
  • andere christenen: 4.416 (0,26 %)
  • jodendom: 32.264 (1,88 %)
  • geen opgave: 262 (0,02 %)

Geschiedenis[bewerken]

Voorgeschiedenis[bewerken]

Het gebied van het latere Elzas-Lotharingen werd bij de opdeling van het rijk van Karel de Grote (Verdrag van Verdun, 843) als deel van het Middenrijk toegewezen aan Lotharius I. Na diens dood werd het opnieuw onder zijn zoons verdeeld, waarbij Lotharius II het naar hem vernoemde Koninkrijk Lotharingen ontving, dat ongeveer de Nederlanden, de Elzas en het huidige Lotharingen besloeg. Zie verder de geschiedenis van de twee afzonderlijke gebieden. De Elzas en Lotharingen waren tot in de 18de eeuw onderdeel van het, overigens zeer pluriforme, Duitse Rijk, voluit: het Heilige Roomse Rijk van de Duitse Natie. Cultureel waren deze gebieden geheel geïntegreerd in het Duitse Rijngebied. Franse invloed was er marginaal en de Vogezen vormden een grote taal- en cultuurbarrière met het westen. Kerkelijk vielen de gebieden onder de aartsbisdommen Trier en Mainz. Straatsburg was een van de voornaamste culturele centra van het Duitse Rijk: universiteitsstad en centrum van kerkelijke Hervorming en van Duitstalige en Latijnse boekdrukkunst. Het wereldlijk bestuur was uiterst verbrokkeld over een tiental autonome Duitse rijkssteden, Duits-koninklijke domeinen, bisschops- en kloosterdomeinen, en veel kleine graafschappen en ridderlijke heerlijkheden. In de zuidelijke Elzas ontstond in het graafschap Sundgau de eerste aanzet tot het rijk van de Habsburgers, die in de 16de eeuw het Duitse keizerschap zouden erven. De lutherse hervorming schoot wortel in het noorden van de Elzas. In Straatsburg en Mühlhausen-Mulhouse trad een groot deel van de burgerij toe tot het calvinisme en het daaraan verwante Zwitserse zwinglianisme. In zijn expansiestreven naar de Rijn slaagde de Franse koning er in om steeds meer graafschappen en heerlijkheden onder zijn gezag te brengen. Nadat Straatsburg in 1648 Frans was geworden en de status van Duitse rijksstad verloor, vielen in het verloop van de volgende eeuw ook de meeste overige heerlijkheden en steden aan Frankrijk toe. Sindsdien oriënteerden de Elzas, en vooral de stedelijke burgerijen, zich steeds meer op Parijs en de Franse cultuur. Lotharingen volgde in de geschiedenis een eigen weg. In 1644 werd het grotendeels veroverd en bezet door Frankrijk, dat overigens al vanaf 1552 aanspraken op het gebied had doen gelden en deze met tijdelijke militaire bezettingen kracht bijzette. De halve eeuw na 1644 bracht verwoesting en ontvolking. Tot 1713 bestreden de Franse koning en de de Lotharingse hertog (Duitse Rijksvorst) elkaar, totdat de Franse koning Lodewijk XV zijn aanspraken op de troon van Polen, die hem betwist werden door de Duitse keizer Karel VI, terugtrok. Maar dat onder voorwaarde dat zijn Poolse schoonvader de hertog van het (Duitse) hertogdom Lotharingen zou worden. Vervolgens trok Frankrijk steeds meer zeggenschap aan zich en kon het in 1766 het hertogdom Lotharingen annexeren. Na de Franse Revolutie werd de centralisatie van de Franse republiek ook in Elzas-Lotharingen verder doorgevoerd, hoewel Napoleon dat verzachtte in een concordaat met Rome, hetwelk autonome rechten waarborgde, met name die van de Kerk en in het onderwijs. In 1853 was het zover dat het Duits, c.q. het dialect, werd afgeschaft in het lager onderwijs, bijna een eeuw overigens, nadat dit al in de hogere onderwijsvormen was gebeurd.

Onder het nieuwe Duitse Keizerrijk[bewerken]

Vrienschapsmedaille voor de door de Duitsers in Elzas-Lotharingen vervolgde burgers 1921

Frankrijk moest na de Frans-Duitse Oorlog, bij de Vrede van Frankfurt (mei 1871), de Elzas (de departementen Bas-Rhin en Haut-Rhin, behalve Belfort, plus een aangrenzend stukje van het departement Vosges), en niet geheel, maar alleen het noordelijke deel van Lotharingen (de toenmalige departementen Moselle en Meurthe), aan het nieuwe Duitse Keizerrijk afstaan. Dit zogenaamde "Reichsland Elsass-Lothringen" werd geen Duitse bondsstaat met een eigen constitutie, maar stond onder direct gezag van het Rijk en werd als bezet gebied bestuurd. In Frankrijk bestond zeer veel weerzin tegen de annexatie, die voeding gaf aan decennialange revanchegedachten. Dit Revanchisme zou op zijn beurt weer bijdragen aan het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog.

De bevolking protesteerde tegen deze gang van zaken bij zowel de Franse als de Duitse regering. 40.000 inwoners van het geannexeerde gebied waren over de nieuwe grenzen naar Frankrijk gevlucht, en 12,5% van de inwoners - ruim 130.000 - weigerde het Duitse staatsburgerschap te aanvaarden. Daarvan vertrokken er vóór 1872 alsnog 50.000 naar Frankrijk, voornamelijk Franstaligen en Parijsgezinden, die de verplichtingen van een Duits rijksburgerschap niet op zich wilden nemen. Franse ambtenaren konden in dienst van het nieuwe Duitse keizerrijk treden, als zij hun loyaliteit uitspraken, maar vele weigerden dit en emigreerden. Nog vele jaren zou de emigratiestroom aanhouden, vooral van jongelieden die op deze wijze de dienstplicht in het Duitse leger wilden ontgaan.

De constitutie van het Duitse Rijk werd in 1874 ook in Elzas-Lotharingen ingevoerd. In 1877 kreeg het gebied enige wetgevende bevoegdheid en werd er een Landesausschuss (gewestelijk raadgevend orgaan) ingesteld. Het werd sinds 1879 als Reichsland door een stadhouder als vertegenwoordiger van de rijkskanselier bestuurd. Het schriftelijke verkeer met de ambtelijke instanties en in het onderwijs werd verplicht in vrijwel uitsluitend de Duitse taal gevoerd.

Het verzet tegen de Duitse overheersing bleef, maar zwakte af toen Elzas-Lotharingen ten volle ging profiteren van de economische opbloei van Duitsland. Hoewel vooral de lagere sociale strata in de bevolking zich al vroeg hadden neergelegd bij de nieuwe politieke situatie - en met name delen van de arbeidersklasse participeerden in de Duitse sociaal-democratische beweging - bleven grote delen van de burgerij de Duitsers als vreemde bezetters ("Pruisen") beschouwen, zoals bijvoorbeeld nog in de beruchte en in de publiciteit sterk uitgespeelde Zabern-affaire (1913) tot uiting kwam. De politieke Fransgezindheid bleef zijn uitdrukking in de Elzas-Lotharinger 'Protestpartij' vinden die tot 1890 nog een aanhang bij de helft van de bevolking had, maar al in de jaren 80 uiteenviel. Toen begon, onder veel voorbehoud en opportunisme, de integratie in het politieke leven van het Duitse Rijk, die bestuurlijk bekroond werd door de gelijkstelling, in 1911, met de andere Duitse staten, in een eigen, vrij gekozen, regionaal parlement, een eigen vlag en drie vertegenwoordigers in de Bondsraad. Bij de laatste rijksdagverkiezingen van 1912 ging ruim de helft van de stemmen naar katholieke kandidaten die als 'autonomisten' met succes de 'protestler' naar de achtergrond hadden gedrongen en in de eerste plaats conservatief waren, vaak antisemitisch en antiprotestants, en die zich daarbij in hun aanvankelijke Franse oriëntatie steeds minder profileerden. De beëindiging van de'Kulturkampf tegen de Roomskatholieke kerk droeg daartoe bij. Zij verbonden zich in de Rijksdag in Berlijn met de Duitse katholieke "Zentrumspartei". De protestants-lutherse minderheid stelde zich nog het meest Duitsgeoriënteerd op. Bijna een derde - meer dan de helft in de steden - van de kiezers stemde op de Duitse sociaal-democratische SPD, die zich niet met een nationaal standpunt wilde verbinden, maar die in de Rijksdag wèl met de Duitse partijgenoten in de SPD verenigd was. Eén vijfde stemde liberaal, vooral in Straatsburg en in de lutherse plattelandsgebieden. De politieke situatie bleef overigens onrustig door stemmingmakerij, waarin van tijd tot tijd met nauwelijks verholen instemming gewezen werd op geheime voorbereidingen in Frankrijk tot een nieuwe oorlog. Toen deze dan eindelijk uitbrak in 1914, hield de publieke opinie zich afwezig.

Net als de Luxemburgers waren veel Duits-, dat wil zeggen dialecttalige Lotharingers en Elzassers, reeds enkele eeuwen gewend het Frans als superieure cultuurtaal te beschouwen en zo mogelijk te gebruiken. Het Hoogduits was na 1870 de taal van een bezettende staatsmacht. De lagere volksklassen die voornamelijk hun regionale (Duitse) dialecten spraken en voor 1870 het Frans niet meer dan marginaal op school hadden geleerd, vervreemdden van die taal door het nu ingevoerde Duitstalige onderwijs en bestuur. Maar dat betekende niet dat zij het Hoogduits van harte aanvaardden. De Duitse invloed werd pas gaandeweg versterkt, door immigratie van Duitsers die in de bestuurscentra en garnizoensplaatsen in ambtelijke functies macht uitoefenden, maar vooral door de komst van arbeiders uit Baden en de Palts, die zich in de industriegebieden vestigden. Met name de snelle ontwikkeling van de kolen- en staalindustrie bracht zowel Duitse als Italiaanse arbeiders in groten getale naar noordwestelijk Lotharingen. Aan het einde van de Duitse periode woonden 400.000 "Duitsers" in Elzas-Lotharingen, de hier geboren nakomelingen inbegrepen, waar zij een vijfde van de bevolking uitmaakten, met aanzienlijke plaatselijke verschillen. Ruim een derde van de bevolking van Straatsburg en even meer dan de helft van de bevolking van Metz, Thionville (Diedenhofen) en Forbach behoorde na verloop van tijd tot deze nieuwe bevolkingslaag. Deze "Duitsers" waren grotendeels sociaaldemocraten, en alleen de ambtelijke bovenlaag onder hen was in nationaal opzicht Duits. Op toenemende integratie duidt dat de helft van de huwelijken waarbij een "Duitser" was betrokken, werd gesloten met een inheemse partner.

Voor Frankrijk was het een nationale prioriteit dat Elzas-Lotharingen op termijn weer Frans zou worden, en alleen een oorlog kon deze correctie op de geschiedenis bewerkstelligen. Dit revanchisme leidde ertoe dat Frankrijk bereid was het Duitse keizerrijk te provoceren en het risico van een oorlog welbewust aanvaardde. Rusland subsidieerde in het geheim Franse journalisten, om over het onrecht dat Frankrijk was aangedaan te blijven schrijven[2]. Van Franse zijde werd de Eerste Wereldoorlog in 1914 mede om deze reden onmiddellijk aangegrepen. Voor de republiek was de teruggave van het gebied vanaf het begin der bezetting een oorlogsdoel, dat werd gesteund door de Entente (de bondgenoten van Frankrijk), die erkende dat de annexatie door Duitsland een "onrechtvaardigheid" was geweest.

Frankrijk stelde in 1921 een medaille in voor de door de Duitsers vervolgde Fransen in Elzas-Lotharingen. Deze Vriendschapsmedaille werd 1.397 maal uitgereikt. De martelaren voor de Franse natie konden een gesp met het woord "fidélité" op het lint dragen. Voor ieder jaar verbanning of gevangenisstraf kwam daar een zilverkleurige ster bij. Op de voorzijde van de medaille zijn de Elzas en Lotharingen symbolisch weergegeven door twee vrouwen die uitkijken over een vlakte waarboven het woord FIDÉLITÉ in zonnestralen verschijnt. De afbeelding moest "hun verlangen naar de Franse beschaving" op symbolische wijze weergeven.

Het Interbellum - opnieuw Frans gebied[bewerken]

Bij de wapenstilstand van 11 november 1918 moesten de Duitse troepen Elzas-Lotharingen verlaten. De dag daarop probeerden afgevaardigden van de Elzas onder Eugen/Eugène Ricklin een autonoom statuut van Frankrijk af te dwingen - de enige en zeer korte periode in de geschiedenis dat de bewoners van deze regio over hun eigen lot leken te kunnen beschikken. Maar nadat de Franse troepen door een deel van de bevolking enthousiast in de tweetalige stad Metz en (althans volgens Franse bronnen ook) in de Duitstalige stad Straatsburg waren onthaald, kwam daarvan niets terecht. Autonomie was strijdig met het hoogste principe van de centralistische Franse staat. Nadat door het Verdrag van Versailles Elzas-Lotharingen in 1919 opnieuw Frans was geworden, begon de Franse overheid vrijwel meteen met de verfransing van de regio. Voor zover niet gevlucht, werd het Duitse deel van de bevolking uitgewezen: 200.000 Duitsers die zich sinds 1871 in deze gebieden hadden gevestigd en hun nakomelingen. Het ging voornamelijk om ambtenaren, tezamen met Duitsgezinde Elzassers en Lotharingers. Duitsers die met inheemsen waren getrouwd, en hun nakomelingen, mochten voorlopig blijven.

De oude departementen Haut-Rhin, Bas-Rhin en Moselle werden opnieuw ingesteld, zij het dat deze niet identiek waren aan de departementen van voor 1871. Aanvankelijk werden ze nog vanuit Straatsburg bestuurd, maar sinds 1925 - wegens het regionale autonomiestreven - direct vanuit Parijs. De drie departementen kregen wel een apart statuut. Een aantal wetten uit de Duitse periode, zoals de toen zeer vooruitstrevende sociale zekerheidswetgeving van rijkskanselier Otto von Bismarck, bleef van kracht. Ook het concordaat van 1801, dat in Frankrijk zelf intussen was afgeschaft door de invoering van de scheiding van kerk en staat, bleef in het vroegere Elzas-Lotharingen gehandhaafd. Daarom worden ook vandaag nog de katholieke, lutherse, calvinistische en joodse geestelijken in deze streek door de Franse staat betaald, in tegenstelling tot in de rest van Frankrijk. Ook wordt er godsdienstles op de openbare scholen gegeven en heeft de universiteit van Straatsburg een theologische faculteit. Parijs heeft steeds wel gepoogd deze aparte regelingen af te schaffen, maar dat is nooit volledig gelukt.

Onvrede over deze centralisatie, de aantasting van de positie van de geestelijkheid en het sterke assimileringsbeleid deden de roep om autonomie echter weer toenemen. De radicale verfransing van het openbare leven en het onderwijs leverde problemen op die vanuit Parijs niet pragmatisch opgelost maar principieel afgewezen werden, wat veel irritatie opriep, mede omdat het aantal Franskundigen pas langzaam vooruitging en de communicatie met de strikt Franstalige overheid stroef verliep. Ook de stagnatie van de economische groei in de jaren twintig en dertig droeg tot teleurstelling over de hereniging met Frankrijk bij. De uitgesproken autonomisten, die overigens geen terugkeer naar Duitsland, maar wel uitdrukkelijk een territoriale autonomie binnen Frankrijk propageerden, behaalden bij de verkiezingen een tiende van de stemmen, terwijl dat percentage in de (lutherse) noordelijke kiesdistricten van de Elzas zelfs opliep tot de helft. Hun bedreiging was groter dan hun aantal, want samen met de stemmen op de gematigder autonomiegezinde UPR, die voornamelijk uit de katholiek-conservatieven van voor 1918 was samengesteld, vormden zij wel de meerderheid van de kiezers. Als harde kern werden echter juist zíj in de jaren 1926-'28 als staatsgevaarlijk verboden. Een aantal van hun afgevaardigden en politici werden als landverraders tot gevangenisstraffen veroordeeld. De meest uitgesproken autonomist, Charles Roos, die aansluiting had gezocht bij het nationaalsocialisme, werd op 7 februari 1940 te Nancy wegens vermeende spionage geëxecuteerd.

Tweede Wereldoorlog - Duitse bezetting[bewerken]

Hoewel Adolf Hitler officieel van zijn aanspraken op Elzas-Lotharingen had afgezien, stelde hij na de Franse capitulatie in 1940 meteen een burgerlijk bestuur in, afgescheiden van de rest van de Duitse bezettingszone in Frankrijk die onder militair bestuur stond, en liet hij de bewoners in augustus 1942 tot Duitse staatsburgers verklaren. Verzet hiertegen, en tegen de opgelegde dienstplicht in de Wehrmacht, werd gewelddadig onderdrukt. 140.000 Elzassers en Lotharingen moesten in de Wehrmacht dienen. Na de instorting van het Duitse leger werden de overlevenden als landverraders door de nieuwe Franse autoriteiten ontvangen en 45.000 van hun geïnterneerd. Bijna één op de drie was gesneuveld en voor hun mochten geen publieke monumenten opgericht worden.

De regio werd in 1944 deels en tijdelijk en in maart 1945 definitief bevrijd.

Naoorlogse periode[bewerken]

In de naoorlogse periode trachtte de Franse regering wederom een sterke verfransing te bewerkstelligen, met campagneleuzen als "c'est chic de parler français" (het is chic om Frans te spreken) en "parlez français, soyez propre" (houd je fatsoen, spreek Frans). De Duitse taal in het openbaar werd ontmoedigd en in het onderwijs verboden. Dit stuitte wederom op verzet, maar de naoorlogse ouders kozen er toch voor om hun kinderen in taal te laten verfransen. Na een eeuw nationale strijd ontstond nu de eerste generatie van eentalig Franse Elzassers en Lotharingers. Het verlies van de regionale taal werd daarbij op de koop toe genomen. In de jaren vijftig waren de oplagen van de regionale kranten nog in meerderheid Duitstalig en luisterden en keken meer Elzassers en Lotharingers naar Duitse radio- en tv-stations dan naar Franse, maar met het gaandeweg uitsterven van de oudere generaties is de verfransing nu zo goed als compleet geworden. Opvallend is dat het Duits na 1945 alleen als hulptaal en dan in de dialectvorm, op de lagere scholen werd toegestaan zolang er nog leerlingen waren die zich beter in die taal uitdrukten, sinds kort weer, maar alleen in de hogere klassen, facultatief gedoceerd mag worden, maar dan wel als de vreemde taal van een buurland. Het is niet de bedoeling dat de leerlingen in de lagere klassen een andere taal dan de Franse als hun eerste en eigen taal leren gebruiken. De rechtspraak dient in het Frans te geschieden hoewel tolken aangevraagd mogen worden voor degenen die niet Franskundig genoeg zijn. Het succes van de verfransingspolitiek mag blijken uit vele onderzoeken naar taalkennis en taalgebruik. In de jaren zeventig van de vorige eeuw spraken in de jongste generaties nog rond 70% het Elzassisch als eerste taal, maar die proportie was volgens een van de onderzoeken sociaal gedifferentieerd van 97% van de kinderen met landbouwers, 82% met arbeiders, 64% met bureau-aangestelden als vader. Het gebruik van het Elzasser dialect beperkte zich steeds meer tot het (eigen) dorp, de vriendenkring, de familie, het gezin. Bij bezoek aan officiële instanties en aan de steden werd overwegend Frans gesproken. Waar dan nog wel Elzasser dialect werd gesproken, verschoof het taalgebruik naar tweetaligheid en bij de jongste kinderen in toenemende mate naar alleen het Frans. Onderling dialectsprekende ouders die met hun kinderen Frans spraken, gingen de toon aangeven. De oorspronkelijke volkstalen die behoren tot de overigens sterk van elkaar afwijkende Allemannische en Rijnfrankische en Moezelfrankische dialectgroepen, worden nog maar in afnemende mate op het platteland en door de oudere generatie gesproken. Deze ontwikkeling vond zijn weerslag in het gebruik van geschreven Duits. In 1965 was nog twee derde deel van de oplaag van de Elzasser kranten (gedeeltelijk, d.w.z. met uitzondering van de op de jeugd en op sport gerichte rubrieken) Duitstalig, in 1980 was dat gezakt tot 30%. Inmiddels worden geen Duitstalige oplagen meer gedrukt. De in de jaren vijftig nog sterke afstemming op Duitse radio en tv-zenders behoort met het verdwijnen van de oudere primair Duits- of dialecttalige generatie inmiddels eveneens tot het verleden. Enig tegenwicht tot de volledige verfransing biedt de grensoverschrijdende arbeid waarin enkele tienduizenden Elzassers en Lotharingers werk vinden in de Duitse industrie. Deze omstandigheid doet een deel van de jonge Elzassers op school kiezen voor het Duits als vreemde taal boven het Engels. Economisch bracht de naoorlogse periode voorspoed, echter tot ca. 1970. Daarna zakte de explosief gegroeide Lotharingse kolen- en staalindustrie gaandeweg in en groeide vooral de werkloosheid, die velen ertoe bracht het gebied te verlaten.

Sinds 1972 zijn er in de Elzas en Lotharingen weer regionale parlementen ingesteld. Naar autonomie strevende partijen zoals de Union du Peuple Alsacien spelen echter nauwelijks een rol.

Bronnen[bewerken]

  • H. Hiery, Reichstagswahlen im Reichsland 1971-1918, Düsseldorf 1987
  • F.G. Dreyfuss, La vie politique en Alsace 1919-1936, Paris 1969
  • W. Ladin, Der Elsässische Dialekt - Museumsreif?, Strasbourg 1981
  • P. Maugué, Le particularisme alsacienne 1918-1967, Paris 1970

Territorium[bewerken]

Elzas-Lotharingen was onderverdeeld in drie districten (Bezirke) die zelf weer in bestuursdistricten (Land- en Stadtkreise) waren verdeeld:

Bevolkingsontwikkeling[bewerken]

Jaar Bevolking Reden van verandering
1866 1.596.000 -
1875 1.531.804 Na de annexatie door Duitsland vond emigratie naar Frankrijk en Algerije plaats, toenemend tot in totaal 170.000 personen
1910 1.874.014 1875-1910: bevolkingsgroei van 0,58% per jaar
1921 1.709.749 Dood van jonge mannen aan het Duitse oorlogsfront (1914-1918) en uitwijzing van Duitsers na 1918
1936 1.915.627 1921-1936: bevolkingsgroei van 0,76% per jaar
1946 1.767.131 Dood van jonge mannen in zowel het Franse als het Duitse leger, dood van burgers en verblijf van vluchtelingen elders
1999 2.757.592 1946-1999: bevolkingsgroei van 0,84% per jaar

Bestuurders[bewerken]

Eerste president[bewerken]

Rijksstadhouders[bewerken]

Secretarissen-generaal van het Ministerie voor Elzas-Lotharingen[bewerken]

Literatuur[bewerken]

  • (en) Edmond Taylor, THE FALL OF THE DYNASTIES - THE COLLAPSE OF THE OLD ORDER 1905- 1922 Garden City, New York, 1963
Bronnen, noten en/of referenties