Oostfront (Tweede Wereldoorlog)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Oostfront
Onderdeel van Tweede Wereldoorlog
EasternFrontWWIIcolage.png
Datum 22 juni 1941 - 9 mei 1945
Locatie Sovjet-Unie en Oost-Europa
Resultaat Overwinning voor de Sovjet-Unie
Strijdende partijen
Vlag van Duitsland Duitse Rijk
Vlag van Italië 1861-1946 Italië (tot 1943)
Vlag van Roemenië Koninkrijk Roemenië (tot 1944)
Vlag van Bulgarije Koninkrijk Bulgarije (tot 1944)
Vlag van Finland Republiek Finland (tot 1944)
Flag of Hungary (1920–1946).svg Hongarije
Flag of First Slovak Republic 1939-1945.svg Eerste Slowaakse Republiek
Vlag van Sovjet-Unie Sovjet-Unie
Vlag van Roemenië Roemenië (gedwongen na 1944)
Vlag van Bulgarije Volksrepubliek Bulgarije (gedwongen na 1944)
Vlag van Polen Volksrepubliek Polen
Commandanten
Vlag van Duitsland Adolf Hitler
Vlag van Duitsland Fedor von Bock
Vlag van Duitsland Ernst Busch
Vlag van Duitsland Heinz Guderian
Vlag van Duitsland Ewald von Kleist
Vlag van Duitsland Günther von Kluge
Vlag van Duitsland Georg von Küchler
Vlag van Duitsland Wilhelm Ritter von Leeb
Vlag van Duitsland Wilhelm List
Vlag van Duitsland Erich von Manstein
Vlag van Duitsland Walter Model
Vlag van Duitsland Friedrich Paulus
Vlag van Duitsland Gerd von Rundstedt
Vlag van Duitsland Ferdinand Schörner
Vlag van Duitsland Erhard Raus
Italië:
Vlag van Italië Giovanni Messe
Vlag van Italië Italo Garibaldi
Vlag van Italië Vincenzo LaCorte di Leuca I
Roemenië:
Vlag van Roemenië Petre Dumitrescu
Vlag van Roemenië Constantin Constantinescu
Finland:
Vlag van Finland Karl Lennart Oesch
Hongarije:
Flag of Hungary (1920–1946).svg Gusztáv Jány
Flag of Hungary (1920–1946).svg Ferenc Szombathelyi
Vlag van Sovjet-Unie Jozef Stalin
Vlag van Sovjet-Unie Aleksej Antonov
Vlag van Sovjet-Unie Azi Aslanov
Vlag van Sovjet-Unie Ivan Konev
Vlag van Sovjet-Unie Rodion Malinovski
Vlag van Sovjet-Unie Ivan Bagramjan
Vlag van Sovjet-Unie Kirill Meretskov
Vlag van Sovjet-Unie Ivan Petrov
Vlag van Sovjet-Unie Aleksandr Rodimtsev
Vlag van Sovjet-Unie Konstantin Rokossovski
Vlag van Sovjet-Unie Pavel Rotmistrov
Vlag van Sovjet-Unie Semjon Timosjenko
Vlag van Sovjet-Unie Fjodor Tolboechin
Vlag van Sovjet-Unie Aleksandr Vasilevski
Vlag van Sovjet-Unie Nikolaj Vatoetin
Vlag van Sovjet-Unie Kliment Vorosjilov
Vlag van Sovjet-Unie Andrej Jeremenko
Vlag van Sovjet-Unie Matvej Zacharov
Vlag van Sovjet-Unie Georgi Zjoekov
Oostfront (Tweede Wereldoorlog)

Polen · Balkan · Barbarossa · Minsk· Smolensk (1) · Charkov (1) · Finland · Leningrad · Moskou · Rzjev · Charkov (2) · Stalingrad · Charkov (3) · Koersk · Bagration · Warschau · Laplandoorlog · Wisła-Oderoffensief · Oost-Pruisenoffensief · Neder-Silezische offensief · Operatie Sonnenwende · Berlijn · Praag

Het oostfront was tijdens de Tweede Wereldoorlog de naam voor het toneel van oorlogshandelingen in Centraal- en Oost-Europa, vanaf 22 juni 1941 tot 9 mei 1945. Het oostfront is berucht vanwege de vele levens die het geëist heeft en de onmenselijke manier van oorlog voeren. Gebeurtenissen die zich aan het oostfront afspeelden waren onder andere Operatie Barbarossa en de Vervolgoorlog. Het wordt beschouwd als het beslissende strijdtoneel van de gehele Tweede Wereldoorlog.

Voorgeschiedenis[bewerken]

Op 23 augustus 1939 sloten nazi-Duitsland en de Sovjet-Unie het Molotov-Ribbentroppact, een niet-aanvalsverdrag. In de geheime protocollen van het verdrag werd Oost-Europa in een Duitse en een Sovjet invloedssfeer verdeeld. Dit verdrag gaf Hitler de vrije hand om anderhalve week later, op 1 september 1939, Polen binnen te vallen. De Sovjet-Unie viel op 17 september het oosten van Polen binnen. De Duitse Wehrmacht en het Rode Leger trokken op tot de Curzon-linie, de demarcatielijn die in het Molotov-Ribbentroppact was overeengekomen. Hitler had gehoopt dat de Entente (het bondgenootschap tussen Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk) na de val van Polen snel vrede zou sluiten. Toen dat niet gebeurde, stelde het niet-aanvalsverdrag Duitsland in staat zijn pijlen te richten op een aanvalsoorlog in het westen, de Slag om Frankrijk tegen Nederland, België, Luxemburg en Frankrijk; de Sovjet-Unie op zijn beurt voerde oorlog met Finland en bezette Estland, Letland en Litouwen in juni 1940.

De betrekkingen tussen beide landen werden echter steeds meer gespannen, mede doordat Hitler de Balkan voor Stalin afsloot door Hongarije, Roemenië en Bulgarije toe te laten treden tot de asmogendheden. Nadat met de nederlaag en bezetting van Frankrijk in juni 1940 de Entente was weggevallen (de Britten hadden in de Slag om Engeland een Duitse invasie voorkomen en weigerden nog steeds vrede te sluiten) waren Duitsland en de Sovjet-Unie natuurlijke rivalen geworden in de strijd om de hegemonie in Europa. Al in de zomer van 1940 besloot Hitler de Sovjet-Unie te veroveren, ondanks het feit dat de Wehrmacht zijn legeropbouw nog lang niet had voltooid en de Duitse wapenindustrie een grote achterstand had op die van de Sovjet-Unie. Hij meende dat de (tot zijn eigen verrassing) in mei 1940 zeer succesvol gebleken tactiek van de Blitzkrieg een overwinning in het Oosten garandeerde. Met een campagne in het Oosten hoopte hij niet alleen een gevaarlijke concurrent uit de weg te ruimen maar ook de Britten tot een vergelijk te dwingen en een welhaast onuitputtelijke bron van olie, grondstoffen, graan en arbeidskracht te verwerven, waardoor zijn rijk geostrategisch onkwetsbaar zou worden. Duitslands agressieve plannen leidden al snel tot diplomatieke spanningen, onder een volgehouden façade van vriendschap.

Molotov, de Sovjet-minister van Buitenlandse Zaken, wilde weten waarom Duitsland zo'n interesse had in Turkije en de Balkan. Von Ribbentrop, de Duitse minister van buitenlandse zaken, was bezorgd om de Duitse politiek en uitte zijn bezwaren tegen Hitler; niemand had ooit zo'n toon aan durven slaan tegen de Führer. Met uitzondering van Heinz Guderian ondersteunden de meeste Duitse generaals echter Hitler in zijn optimistische inschatting van de Duitse mogelijkheden. De slechte prestaties van het Rode Leger tijdens de Winteroorlog tegen Finland in 1939-1940 sterkten Hitler in zijn optimisme.

De Duitse legeropbouw in Polen kon niet geheim blijven en al in de herfst van 1940 begon men zich in de Sovjet-Unie af te vragen hoe een adequaat antwoord gevonden zou kunnen worden op de Duitse dreiging. Aan de ene kant kon men haast niet geloven dat Hitler het zou wagen aan te vallen, zo groot was de kwantitatieve voorsprong van het Rode Leger in getrainde mankracht, artillerie en tanks. Aan de andere kant kampte men met een oud minderwaardigheidscomplex ten opzichte van de zo bewonderde Duitse militaire professionaliteit. De snelle val van Frankrijk baarde grote zorgen en men zag terecht het potentieel van de daar getoonde nieuwe tactieken als diepere oorzaak van Hitlers zelfvertrouwen. De Sovjet-Unie had dat soort tactieken zelf al rond 1936 als doctrine gehad maar was daar later vanaf gestapt.

Na verhitte discussies bereikte men in december 1940 een nieuwe consensus en werd als partijlijn op straffe des doods dwingend opgelegd de Duitse methode van de Blitzkrieg te gaan navolgen in plaats van het alternatief: de verdediging in de diepte. Men bouwde aldus direct aan de westgrens een grote strijdmacht op die in een mobiele oorlogvoering de Duitse aanval moest opvangen — of misschien zelfs voorkomen als men zou besluiten tot een preventieve aanval. Of Stalin tot dat laatste ooit het bevel heeft gegeven blijft zeer omstreden en de waarheid hierover kan niet worden aangetoond totdat de nu nog geheime archieven worden ontsloten. De meeste historici gaan er tegenwoordig vanuit dat Stalin dat bevel steeds uitstelde in de hoop dat Hitler uiteindelijk toch van het offensief zou afzien. Op 22 juni 1941 was het hoe dan ook te laat.

1941: Operatie Barbarossa[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Operatie Barbarossa voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Duitse opmars 1941-1942
Operatie Barbarossa: de Duitse opmars in 1941 met in rood grote omsingelde Sovjetlegergroepen

Nadat, als gevolg van Operatie Marita, in het voorjaar van 1941 Joegoslavië en Griekenland waren bezet en opgedeeld onder de asmogendheden, richtte de gehele oorlogsmachine van de As zich op de Sovjet-Unie. Meer dan drie miljoen Duitse manschappen, ingedeeld in 150 divisies met in totaal 3300 tanks en 2700 vliegtuigen, wierpen zich in de strijd. De Duitse legers waren verdeeld over drie legergroepen: Nord, Mitte en Süd. Die moesten het opnemen tegen de 2,8 miljoen Sovjetsoldaten van de grenslegers, ondersteund door 15.000 tanks en 8.000 vliegtuigen.

De strijd aan het oostfront begon toen Adolf Hitler op 22 juni 1941 het niet-aanvalsverdrag met Stalin schond en de Sovjet-Unie binnenviel, samen met de Finse, Roemeense, Hongaarse en Slowaakse legers. Dit offensief had als codenaam "Operatie Barbarossa". Het doel van de Duitsers was om vóór de inval van de modderperiode, midden oktober, alle gebieden ten westen van de Wolga te bezetten. Operatie Barbarossa was in de eerste weken een groot succes voor de Duitsers. De beslissing van de Sovjetlegertop om de nieuwe Duitse tactieken te gaan imiteren bleek een rampzalige vergissing. Tijdens de Grote Zuivering in de jaren ervoor was een belangrijk deel van het officierenkorps uitgemoord; de leiderschapskwaliteiten waren hierdoor gedaald en men had verleerd zelf het initiatief te nemen, terwijl juist een snelle flexibele bevelvoering tegen de Duitsers een absolute noodzaak was. Het Rode Leger bleek niet in staat met succes een moderne bewegingsoorlog te voeren. De pantserreserves van de Sovjet-Unie werden uiteengeslagen, haar infanterielegers omsingeld en vernietigd. Binnen een maand hadden de Duitsers de Baltische Staten bezet en waren opgerukt tot de lijn Smolensk - Kiev.

Het hele Duitse offensief was gebaseerd op de vooronderstelling dat de opmars hierna alleen maar sneller zou verlopen doordat de vijandelijke weerstand ineen zou storten. Zoals Hitler het zelf uitdrukte: "We hoeven alleen maar de deur in te trappen en heel het verrotte bouwwerk stort in elkaar". Nu bleek dat dit een veel te optimistische inschatting was geweest. De Sovjetgrenslegers vormden maar de helft van de primaire mobilisatiecapaciteit. Eind juli formeerden zich weer enorme sovjetlegers: aan het noorden bij de rivier de Loega; in het midden bij Smolensk en het in het zuiden bij Kiev. Dit enkele feit betekende al dat de hele Duitse campagne in wezen mislukt was, want om deze nieuwe legers te verslaan moest eerst herbevoorraad worden en dat schopte het tijdschema van de opmars in de war. Het was onmogelijk geworden de Sovjet-Unie in 1941 een beslissende nederlaag toe te brengen.

Dat betekende dat voor Duitsland zelfs de totale nederlaag dreigde als men er niet in zou slagen genoegen te nemen met de al veroverde 'Lebensraum' en vrede te sluiten. Men verkeerde echter in zo'n overwinningsroes dat een objectieve inschatting van de situatie onmogelijk bleek.

Hitler wees een vredesaanbod van Stalin van de hand en besloot tot het uiterste te gaan om zo veel mogelijk doelwitten te bezetten, iets waarin hij door de Duitse generale staf ondersteund werd. Met de laatste voorraden versloeg Heeresgruppe Mitte na hevige tegenaanvallen rond de stad Smolensk een gedeelte van de nieuwe legers. Daarna werd de maand augustus grotendeels besteed aan het aanvullen van voorraden, een proces dat ten zeerste werd bemoeilijkt door de afwijkende spoorwijdte van het Sovjetspoornet en de door Stalin bevolen tactiek van de verschroeide aarde, waarbij alles wat de vijand van nut kon zijn, moest worden meegenomen of vernietigd. Het lukte een groot deel van de machines van de vitale wapenindustrie uit Leningrad en Charkov te evacueren naar nieuwe industriegebieden ten oosten van de Oeral.

Door de logistieke problemen was het voor de Duitsers onmogelijk geworden om opnieuw over het gehele front in het offensief te gaan: juni 1941 was de laatste keer dat dit Duitsland in de oorlog zou gelukken. De aanval viel uiteen in deeloperaties. Tegen de verwachting in lukte het Heeresgruppe Nord om op eigen kracht de vijandelijke stellingen in de Loegamoerassen te doorbreken. Op 8 september 1941 begonnen de Duitsers het beleg van Leningrad, het hedendaagse Sint-Petersburg. Na veel verhitte discussies werd besloten Heeresgruppe Mitte en Süd te laten samenwerken om de grote concentratie van Sovjettroepen bij Kiev te omsingelen. Eind september maakte Duitsland hiermee ruim een half miljoen krijgsgevangenen. Daarna werd begin oktober Operatie Typhoon begonnen, de aanval op Moskou. Opnieuw werden honderdduizenden soldaten van het Rode Leger gevangengenomen, doordat men zich nog te lineair verdedigde in plaats van in de diepte. Voor een Duitse eindoverwinning was het nu echter te laat: het zomerseizoen was voorbij. Midden oktober daalden de temperaturen. De onverharde wegen van Rusland veranderen door de herfstregens in onbegaanbare modderbanen.

Vrijwel onmiddellijk liep de opmars vast door gebrek aan bevoorrading. Eind november werd de conditie van het wegennet weer wat beter door de eerste vorst. De generaals te velde wilden nu zo sterk mogelijke verdedigingsposities innemen en zo veel mogelijk de voorraden brandstof en munitie op peil brengen. Het opperbevel besloot echter tot een allerlaatste krachtsinspanning om althans Moskou te veroveren om zo het vijandelijke spoornet te ontregelen.

Het Sovjettegenoffensief in de winter van 1942

Begin december was men, vrijwel uitgeput, tot op enkele kilometers van Moskou geraakt. Hier begon echter de serieuze tegenstand. Zoals Napoleon voor hem, kreeg Hitler te maken met de veerkracht, de vaderlandsliefde van de Russen en de terreur van Stalin jegens de eigen bevolking die de Russen tot het uiterste dreef. Bovendien kreeg Hitler te maken met een onverwachte vijand: de Russische winter, die dat jaar ongemeen streng was. Hij had verwacht dat de Sovjet-Unie zou capituleren voordat de winter aanbrak. Door de slechte algemene bevoorradingssituatie hadden alleen de hoognodige goederen naar het front vervoerd kunnen worden. Winterkleding viel hier niet onder en was bovendien alleen geproduceerd voor het beperkte aantal bezettingsdivisies die men na 1941 dacht nodig te hebben. De soldaten konden enkel door plundering aan extra kledingstukken komen. Er was een zeer groot aantal bevriezingsslachtoffers; ook viel veel materieel uit omdat ook smeerolie bevroor.

De Russen lanceerden op 5 december een offensief met twee verse Siberische legers ten noorden en zuiden van Moskou en dreven Heeresgruppe Mitte op sommige punten meer dan honderd kilometer terug. Slechts met uiterste inspanning wisten de Duitsers de opmars van het Rode Leger in te dammen. In het noorden vonden de Russen genoeg kracht om enkele aanvallen uit te voeren waarbij de strategisch belangrijke stad Tachalin heroverd werd, zodat over het bevroren Ladogameer veel proviand vervoerd kon worden naar het belegerde Leningrad. In het zuiden werd de stad Rostov, de poort naar de olievelden van de Kaukasus, na hevige gevechten door de Wehrmacht opgegeven. Belangrijker dan het verloren terrein was het feit dat de mankracht van het Duitse leger voor het eerst in de oorlog flink werd aangetast. De frontsterkte viel terug van 3,2 naar 2,4 miljoen man. De hele winter door waren er gevechten zodat herstel moeilijk was. De opleidings- en productiecapaciteit was ook niet ingericht op het volhouden van een langdurig conflict en tot overmaat van ramp verklaarde Hitler in december de Verenigde Staten van Amerika de oorlog.

Behalve direct aan het front ontplooiden de Duitsers ook daarachter activiteiten. De oorspronkelijke opzet was gericht geweest op economische onderwerping, met als gevolg een uithongeren van de stedelijke bevolking doordat het voedselsurplus naar Duitsland gevoerd zou worden — het informele Hungerplan — en het onmiddellijk uitroeien van alle ongewenste elementen zoals Joden en communisten. Hiervoor werden onder andere SS-Einsatzgruppen ingezet maar ook vaak normale Wehrmachteenheden. Aan de Jodenvervolging nam de plaatselijke bevolking vaak met groot enthousiasme deel. Dat enthousiasme was er onder de Baltische volkeren en de Oekraïners ook voor de inval als geheel: men was blij van Stalin verlost te zijn en verwelkomde de Duitsers aanvankelijk als bevrijders. Hitler verbood echter hierop in te gaan; de Slaven werden immers allen beschouwd als 'Untermenschen'. Weldra bekoelden de verhoudingen tussen de Duitsers en de bevolking in de bezette gebieden; na 1941 was er een sterk toenemende activiteit van partizanen, vooral in de bossen van Wit-Rusland; hele gewesten waren daar in feite niet onder Duitse controle: de "partizanenrepublieken".

De Duitsers hadden simpelweg niet de mankracht om de uitgestrekte gebieden te zuiveren. Het veroverde gebied leverde nauwelijks genoeg voedselsurplus op om het Duitse leger te voeden en ook in andere opzichten kostte het meer dan het opbracht. Met grote investeringen lukte het om de essentiële nikkelmijnen aan de gang te houden. Het aantal slachtoffers aan Sovjetzijde was meteen heel groot; niet alleen door de oorlogshandelingen en de wreedheden tegen de burgerbevolking maar vooral doordat men niet in staat bleek de vele krijgsgevangenen te voeden, waardoor honderdduizenden van hen verhongerden. De drie miljoen krijgsgevangen Sovjetsoldaten die zo binnen acht maanden (1941-1942) in het bezette gebied werden uitgeroeid, zouden echter nog in aantal worden overtroffen door de burgerslachtoffers die uiteindelijk in het bezette gebied door de oorlogsdruk, de holocaust, deportatie, tewerkstelling, ziekte en hongersnood zouden omkomen: zeker meer dan veertien miljoen.

1942[bewerken]

Fall Blau[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Fall Blau voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
De Duitse opmars in de zomer van 1942 naar de Don
De Duitse opmars naar de Kaukasus

Na de winter van 1942 verkeerde het Duitse leger in een zeer slechte toestand. De munitievoorraden waren laag en de meeste divisies zwaar onder sterkte. Van een hervatting van het offensief over de volle breedte van het front kon geen sprake zijn. De veldtocht tegen de Sovjet-Unie zou alsnog tot een goed einde gebracht kunnen worden door een offensief direct in de richting van Moskou om zo het Russische "hartland" te bezetten. Het Sovjetopperbevel, het Stavka, dacht dat de Duitsers — waarvan men de sterkte flink overschatte — dat ook van plan waren en concentreerde daar de meeste troepen. Hierdoor werd het erg twijfelachtig of zo'n offensief zou gelukken. Er was echter ook een alternatief dat veel minder risico's leek op te leveren. Ten noorden van de Kaukasus liggen uitgestrekte landbouwgebieden en de streek was zelf de belangrijkste bron van aardolie.

Omdat de zuidelijke sector van het front slecht door het Rode Leger bezet was kon een geconcentreerd offensief, aangeduid met de codenaam Fall Blau en uit te voeren door het zestigtal divisies dat men wel op sterkte kon brengen, daar eenvoudig doorbreken waarna deze gebieden door een snelle opmars door pantsertroepen konden worden bezet. Een nadeel was dat daardoor de frontlijn enorm zou worden verlengd. Om dit te ondervangen dwongen de Duitsers Roemenië, Hongarije en Italië om hele legers in te zetten teneinde de flanken van de Duitse opmars te dekken. Door het verlies van olie en graan zou de Sovjet-Unie misschien indirect op de knieën gedwongen worden — en in ieder geval waren het zaken die Duitsland zelf erg hard nodig had om een grote oorlogseconomie op te bouwen zodat het een wereldmacht kon worden die het defensief tegen de Sovjets en Amerika zou kunnen bolwerken.

In mei speelden de Sovjets de Duitsers in de kaart door hun pantserreserves in het zuiden in te zetten bij een groot offensief om Charkov te heroveren. Na een aanvankelijke doorbraak mislukte dat en de Duitsers konden in juli eenvoudig de tegenaanval inzetten. Ze rukten die maand op naar de Don. Opnieuw leek een periode aangebroken van moeiteloze overwinningen net als in de vorige zomer. Men had nu echter een derde minder tanks dan het voorafgaande jaar. Al snel stond men voor de lastige keuze waar de weinige pantserdivisies moesten worden ingezet. Hitler, die na het debacle van 1941 de operationele leiding helemaal had overgenomen, kon de verleiding van de olie niet weerstaan en stuurde de hoofdmacht naar het zuiden, in de richting van de olievelden van Majkop. Door de verre opmars raakten de voorraden echter weer uitgeput. Daarbij konden de tanks toen ze Europa's hoogste gebergte bereikt hadden niet verder. Hun aanwezigheid daar was nutteloos en ze konden in zo'n afgelegen positie hun rol als pantserreserve niet meer uitoefenen. De grote terreinwinst betekende dus meteen een aanzienlijke verslechtering van de strategische situatie.

Slag om Stalingrad[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Slag om Stalingrad voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Hitler beval daarnaast, in plaats van de Don zo veel mogelijk te versterken, een nevenaanval naar Stalingrad, (het huidige Wolgograd). Die stad aan de westoever van de Wolga had een duidelijke symbolische waarde maar was ook een zeer belangrijk centrum van de oorlogsindustrie, dat bijvoorbeeld meer tanks produceerde dan alle asmogendheden bij elkaar. Verovering van deze stad zou het grondgebied van de Sovjet-Unie ten westen van de Wolga praktisch in tweeën snijden. De Duitsers waren echter niet sterk genoeg om de Wolga over te steken en zo de stad te omsingelen; men probeerde haar in te nemen door een frontale aanval, hoewel Stalingrad van over de Wolga kon worden bevoorraad. Stalin beval nu de stad tegen elke prijs te behouden en zo werd de Slag om Stalingrad een zeer bloedige uitputtingsslag die steeds meer Duitse mankracht en materieel naar zich toetrok en bond. Dat was dwaas in operationeel opzicht: men verkwistte gevechtskracht aan een prestigekwestie. Bovendien betekende het dat Heeresgruppe B, die de flank van Heeresgruppe A in de Kaukasus moest dekken, kwetsbaar werd voor een tegenaanval, omdat de flanken van de Duitse troepen in Stalingrad slechts werden gedekt door twee zwakke Roemeense legers.

Dat de hoofdmacht van het Sovjetleger rond Moskou met rust werd gelaten, betekende tevens dat een groot deel van het Sovjetmaterieel in het zuiden kon worden ingezet. De grootte van die wapenmacht begon gedurende dat jaar voor de Duitsers letterlijk onvoorstelbare vormen aan te nemen. Ze beseften niet dat, terwijl de Duitse oorlogsindustrie in 1942 met slechts 40% groeide, de Sovjetoorlogsproductie vervijfvoudigde. De primitievere Sovjetmaatschappij was het gewend om het zonder consumptiegoederen te stellen en zo kon vrijwel alle industriële productie — die als geheel niet groter was dan de Duitse — geconcentreerd worden in de zware industrie. De nieuwe productiecentra in de Oeral brachten aldus een overmacht aan tanks en artillerie voort die al even groot was als bij het begin van Operatie Barbarossa — maar nu van een veel hogere kwaliteit, zoals werd belichaamd in de T-34-tank, die beter was dan de standaard Duitse modellen.

Deze welhaast onuitputtelijke materieelreserve compenseerde de tactische en operationele zwakten die de Sovjetcommandovoering tot het einde van de oorlog zouden blijven kenmerken. Dat hun tactieken simplistisch waren maakte het echter weer mogelijk om per maand honderdduizenden rekruten zonder veel training in de strijd te werpen; hier zocht men het veeleer in de kwantiteit dan de kwaliteit. In de zomer van 1942 vond er een constante opbouw van het Rode Leger plaats rond Moskou, terwijl daar vele lokale aanvallen werden ondernomen. Doordat Hitler de totale sterkte van het Sovjetleger onderschatte, nam hij aan dat Stalingrad dus met rust zou worden gelaten en er hoogstens een secundaire aanval over de Don richting de Zee van Azov zou worden ondernomen.

Operatie Uranus
De opmars van het Rode Leger in de winter van 1943

Op 19 november sloeg de val echter dicht. In het zuiden ging Operatie Uranus van start en de Roemeense flanklegers werden door een concentrische aanval verpletterd. Het Duitse 6e Leger in de stad zelf had te weinig brandstof om aan de dreigende omsingeling te ontsnappen; een poging daartoe werd door Hitler trouwens ook uitdrukkelijk verboden. Hij was bang dat, als men zou beginnen terug te trekken, alle terreinwinst van 1942 weer verloren zou gaan en dat Duitsland nooit meer in staat zou zijn dit weer goed te maken. Men liet dus toe dat het 6e Leger in de stad werd omsloten. Pantserdivisies van Heeresgruppe A werden uit de Kaukasus teruggetrokken om de omsingeling te doorbreken. Dit mislukte echter in december, opnieuw door gebrek aan brandstof, maar ook door de weigering van Hitler om duidelijke besluiten te nemen. Nu hadden de Duitsers in het zuiden geen bruikbare mobiele reserve meer over. Door een aantal opeenvolgende aanvallen werd het Asfront steeds verder gedestabiliseerd.

Een aanval eind december richting Rostov, waarbij Roemeense troepen en het Italiaanse leger eenvoudig opzij geschoven werden, dwong tot een totale Duitse evacuatie uit de Kaukasus die op het nippertje kon worden uitgevoerd. Met moeite kon door de Wehrmacht in de Koeban een bruggenhoofd tegenover de Krim worden behouden; echter hun troepen in Stalingrad konden nu niet meer afdoende door de lucht worden bevoorraad. Op 2 februari 1943 gaven de 90.000 overlevende Duitsers zich over, ondervoed en uitgeput. Ze hadden, inclusief de verliezen van de zomercampagne, in totaal zo'n 300.000 man verloren aan doden, gewonden en vermisten; de Sovjets waarschijnlijk minstens het dubbele. Van de krijgsgevangenen van Stalingrad zouden slechts enkele duizenden ooit hun land terugzien, sommigen pas tien jaar na de oorlog.

De Slag om Stalingrad wordt vaak zowel gezien als de bloedigste slag van de Tweede Wereldoorlog als het keerpunt van de strijd aan het oostfront. Beide kwalificaties zijn uiterst problematisch. Het hangt van de afgrenzing in ruimte en tijd af welke deelcampagne men als "het bloedigst" moet omschrijven. De slagen van 1944 vergden op dezelfde schaal bekeken in ieder geval veel meer slachtoffers. In zekere zin was de campagne van Stalingrad het "springtij van de Duitse opmars". Verder zou men niet meer komen. In operationeel opzicht kan de slag echter niet als het beslissende keerpunt worden beschouwd; dat miskent het fundamentele belang van de mislukking van de aanval op Moskou, waarna een Duitse eindoverwinning vrijwel uitgesloten was en de zwaarte van de gebeurtenissen in de zomer van 1943, die het onmogelijk zouden maken dat Duitsland althans een effectieve verdediging kon voeren. Het psychologische en propagandistische effect van de slag was echter aan beide zijden enorm. Nog nooit eerder was een compleet Duits leger verloren gegaan. Duitslands bondgenoten begonnen in het geheim toenadering tot de geallieerden te zoeken. Pas nu drong in Duitsland in brede lagen van de bevolking het besef door dat men de oorlog wel eens kon gaan verliezen.

Tot dan toe had het regime steeds voorrang gegeven aan de productie van consumptiegoederen om de bevolking tevreden te houden, nu moest het een 'totale oorlog' worden, volgens Goebbels' beruchte Sportpalast-rede van 18 februari 1943. De omzetting naar een echte oorlogseconomie zou echter moeizaam verlopen. Leger en industrie vochten om de schaarse mankracht; door de massale inzet van dwangarbeid, te verrichten door arbeiders uit de bezette gebieden (de Arbeitseinsatz), hoopte men de tekorten te verzachten.

Door de val van Stalingrad kwamen vele Sovjetlegers vrij voor andere taken. Noordelijker aan de Don werden de zwakke Italiaanse en Hongaarse legers verpletterd. De hele zuidelijke helft van het front begon nu uiteen te vallen en de pantserspitsen van het Rode Leger spoedden zich onstuitbaar naar het westen richting Dnjepr. In het noorden forceerden de Sovjets in januari een nauwe bevoorradingsroute naar Leningrad. In deze stad waren toen in totaal 300.000 militairen gesneuveld en duizenden burgers door Duitse bombardementen omgekomen. Het grote en langdurige voedseltekort eiste echter een nog veel hogere tol: één miljoen burgers waren door uithongering gestorven. Tegelijkertijd met Operatie Uranus voerden de Sovjets vanaf 25 november een nog veel groter offensief uit: Operatie Mars, gericht tegen Heeresgruppe Mitte. Men had de ambitie zo in één winter het Duitse leger te vernietigen. Deze aanval mislukte echter, maar Heeresgruppe Mitte had toch niet meer de kracht om ook nog de zuidelijke dreiging te pareren. De mankracht en het aantal tanks waren weer teruggevallen naar het lage niveau van de lente van 1942.

1943[bewerken]

Von Mansteins Rokade[bewerken]

Von Mansteins tegenaanval in oranje; de pijlen geven slechts een zeer versimpeld beeld van de ingewikkelde manoeuvres

Tijdens de crisis rond Stalingrad begon Hitler te twijfelen of het wel zo'n goed idee was geweest om als amateur zelf het operationeel bevel over het oostfront, als Oberbefehlshaber Ost, en zelfs direct over Heeresgruppe A over te nemen. Hij gaf het commando over de nieuwe Heeresgruppe Don in handen van de briljante strateeg veldmaarschalk Erich von Manstein, in de hoop dat de pure genialiteit van de man voldoende zou zijn om het tij te keren. Von Manstein maakte echter al snel duidelijk dat hij daarvoor dan wel de nodige vrijheid van handelen moest krijgen: iets waar Hitler, beducht voor de dominante persoonlijkheid van de hautaine Pruis, voor terugschrok; hij vreesde dat Von Manstein hem op den duur als oorlogsleider zou verdringen.

In februari was er echter geen ontkomen meer aan; als er niet heel snel ingegrepen werd, dreigde een catastrofale ineenstorting van het gehele oostfront. Toen Charkow viel, gaf Hitler Von Manstein een carte blanche. Die nam daarop alle beschikbare pantserreserves, waaronder een nieuw SS-pantserkorps dat door Hitler foutief ter verdediging van Charkow ingezet was, en zigzagde ermee over het strijdtoneel. Al schuivende — hij maakte zelf de vergelijking met de rokade uit het schaakspel — sneed hij vanaf 19 februari binnen vier weken met een aantal snelle flankaanvallen de pantserspitsen van het Rode Leger af, vernietigde deze en dreef de resten terug over de Donets, aldus de integriteit van het front herstellend en Charkow heroverend. Alleen iets noordelijker, bij Koersk, verhinderde het invallen van de dooi een soortgelijke geplande aanval, zodat daar een saillant van het Rode Leger ontstond. De Rokade van Von Manstein zou de laatste grote Duitse overwinning uit de oorlog zijn.

Koersk[bewerken]

Slag om Koersk
Nuvola single chevron right.svg Zie Slag om Koersk voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De Duitse generale staf had het plan om als de grond weer was opgedroogd, door de uitvoering van Operation Zitadelle de saillant van Koersk alsnog te "reduceren", zodat het front daar kon worden ingekort. Een frontverkorting werd ook toegestaan aan Heeresgruppe Mitte, die zich uit zijn grote saillant voor Moskou mocht terugtrekken. Dit soort defensieve maatregelen om mankracht vrij te maken vond Hitler echter onvoldoende. Hij besefte wel dat Duitsland voorlopig in wezen een verdedigende strategie moest voeren om tijd te winnen voor de industriële opbouw, maar dat wilde hij zo agressief mogelijk doen, om de hoop op een eindoverwinning levend te houden. Anders zouden de eigen bevolking en de bondgenoten de indruk krijgen dat alle inspanningen slechts een uitstel waren van de onvermijdelijke nederlaag. Ondertussen was het Sovjetfront weer flink versterkt en de commandanten te velde meenden dus een krachtige strijdmacht nodig te hebben, zelfs voor maar een lokaal offensief. Tegelijkertijd begonnen de eerste resultaten van de industriële opbouw zichtbaar te worden in een stijgend aantal wapens, terwijl tevens een nieuwe generatie tanks op het punt stond geïntroduceerd te worden. Dit verleidde Hitler ertoe de operatie steeds langer uit te stellen.

Door het uitstel verbeterde de toestand van het Duitse leger aanzienlijk. De mankracht aan het oostfront steeg weer tot boven de drie miljoen en er werd weer een redelijke pantsermacht opgebouwd van boven de 2000 tanks. Maar ook het Rode Leger kon zich nu herstellen. Omdat een aanval op Koersk nogal voor de hand lag, werd de saillant enorm versterkt. Een offensief had eigenlijk geen kans van slagen meer en de inspecteur-generaal van de pantsertroepen Heinz Guderian drong er bij Hitler op aan de aanval af te gelasten en geen reserves te verspillen die essentieel waren voor zowel een succesvolle verdediging in het oosten als in het zuiden tegen een geallieerde aanval op Italië. Hoewel geplaagd door grote persoonlijke twijfel zette Hitler het offensief toch door.

De op 5 juli in gang gezette Slag om Koersk eindigde in een catastrofe. Ondanks de meest geconcentreerde inzet van Duitse pantsertroepen van de hele oorlog lukte het niet om door de diepe verdedigingszone te breken. De materieeluitval liep hoog op en na een week gebruikte Hitler de Landing op Sicilië als voorwendsel om de hele operatie af te blazen, zodat er geen voordeel tegenover die verliezen stond. Dit offensief is wel omschreven als de "Dodenrit van het Duitse tankwapen"; in feite vielen de absolute verliezen echter nog mee, het meest schadelijk was dat door slijtage het aantal operationele tanks met de helft verminderd was. Hierdoor was er geen pantserreserve meer beschikbaar om een Sovjetoffensief af te slaan en Stalin maakte daar onmiddellijk gebruik van. Duitsland zou nooit meer tot een groot offensief in het oosten in staat zijn; het had het strategisch initiatief voorgoed verloren – maar ook de oorlog want zelfs een afdoende verdediging bleek niet meer mogelijk.

Vlucht naar de Dnjepr[bewerken]

Eind juli 1943 was het Duitse leger helemaal fout gepositioneerd om een zomeroffensief van het Rode Leger op te vangen. De grootste krachtenconcentratie bevond zich, lamgeslagen door de mislukking van het eigen offensief, rondom de saillant rond Koersk. Al snel werd die gebonden en teruggedreven door felle flankaanvallen die de Duitsers uit de "schouders" van de saillant bij Orel en Charkow terugdreven. De zuidelijker posities aan de Donets en Mioes sloegen met moeite nog een eerste offensief af maar toen een tweede poging tot een doorbraak leidde, was er geen reserve meer over om het front te stabiliseren. Over de gehele breedte van de Oekraïne begon het Duitse leger nu terug te vallen, wat in september al snel ontaardde in een wanordelijke vlucht richting de Dnjepr, waar de vermoeide troepen bescherming hoopten te vinden achter een stroom van een mijl breed. Die hoop zou niet uitkomen. Hitler had weliswaar op 12 augustus bevolen een ondoordringbare Ostwall (de Wotan-lijn) te vormen langs de rivier maar daarvoor geen krachten willen vrijmaken, uit angst dat zijn troepen het gebied ten oosten ervan dan zonder veel strijd zouden opgeven. Ook ging hij niet in op een suggestie van Von Manstein en Günther von Kluge het opperbevel over de hele oorlog over te dragen aan een enkele chef generale staf. De Duitsers probeerden de industrie en landbouw van de Donetsbekken zo veel mogelijk te vernietigen, maar daarvoor ontbrak hun eenvoudig de tijd.

Opmars naar de Dnjepr

Doordat de rivierstelling niet tevoren versterkt was, mislukte de verdediging ervan volkomen, mede doordat de gebruikelijke herfstregens lang uitbleven. Heeresgruppe Süd was daarnaast ernstig onder sterkte, haar 37 divisies hadden gemiddeld nog maar duizend man infanterie over; de totale Duitse legersterkte aan het oostfront was weer onder de 2,5 miljoen gevallen. Daarbij beval Hitler het 1e Pantserleger het Zaporizja-bruggenhoofd te behouden, op de punt van de grote rivierboog waar de stroom scherp naar het westen draait. De belangrijkste pantserreserve in die sector werd zo in een kwetsbare positie vastgepend. Ten noorden daarvan stak de Sovjetinfanterie, vaak met de meest primitieve middelen, over een breed front van 250 kilometer massaal de rivier over, langzaam naar het zuidwesten opdringend. Ten zuiden probeerde het 6e Leger een korte lijn recht naar Melitopol aan de Zee van Azov te houden maar werd eind oktober uiteengeslagen en de westelijke onderloop van de rivier overgedreven; het Rode Leger rukte zo 200 kilometer op naar de Zwarte Zee en sneed het 17e Leger op de Krim af; Hitler had een tijdige aftocht verboden. Noordelijker trok het 5e Gardetankleger bij Krementsjoeg over de rivier en ook aan beide zijden van Kiev werden bruggenhoofden gevestigd.

Opnieuw werd Von Manstein erbij geroepen om de crisis te bedwingen. Door toestemming te krijgen om enkele pantserdivisies uit Frankrijk vrij te maken, kon hij weer een tegenaanval opzetten. Die had echter veel minder resultaat dan de vorige. Hij wist weliswaar eerst te verhinderen dat het hele front ten zuiden van Kiev gespleten werd, zodat de toestand zich wat stabiliseerde, maar kon daarna niet voorkomen dat de stad zelf verloren ging; alleen drong hij westelijker bij Zjytomyr tot in december de vijand lokaal wat terug. Deze tegenaanvallen kostten echter weer veel tanks; van nu af aan zou de tanksterkte aan het oostfront niet meer dan een duizendtal bedragen, terwijl het Rode Leger 6.000 tot 12.000 tanks kon inzetten, al naargelang de intensiteit van de gevechten. Dat kwam niet doordat de Duitse tankproductie steeds verder achterliep, integendeel: die groeide flink, terwijl de Sovjetproductie afvlakte. De reden lag in het besluit van Hitler om al het extra geproduceerde materieel te gebruiken voor de opbouw van een pantserreserve in Frankrijk om de verwachte invasie daar af te slaan.

Tot die tijd moest het oostfront zo veel mogelijk terrein behouden door met de infanterie tot de laatste man stand te houden. Voor een hechte verdediging ontbrak echter de mankracht. Al in 1942 waren de infanteriedivisies tot twee regimenten teruggebracht, meestal ook nog onder sterkte, die elk gemiddeld vijftien kilometer front te houden hadden. Doorbraken konden daardoor in de regel niet voorkomen worden, waarna men maar weer naar het westen terugviel op de volgende te zwakke stelling.

Voor dit probleem was een fundamentele oplossing: het naziregime, inclusief de incompetent gebleken Hitler, opofferen aan een vrede met de westelijke geallieerden zodat alle krachten op de oostelijke hoofdvijand gericht konden worden die, nadat een laatste vredesaanbod van Stalin in mei was afgewezen, niet meer tot een vergelijk bereid was. Dit gegeven leidde tot enorme spanningen binnen het Duitse opperbevel doordat Hitler juist Von Manstein zag als de natuurlijke leider van zo'n staatsgreep door de generaals, waarvan een aantal inderdaad al jaren lang tegen hem samenzwoer. Hitler was daarom bang om Von Manstein te veel macht te geven en wilde al helemaal niet ingaan op diens eis de reserve uit Frankrijk volledig in te zetten want dat paste alleen bij een strategie die uitging van een aparte vrede met het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten. Om zijn positie tegenover het reguliere leger te versterken, liet Hitler de politiek betrouwbaardere Waffen-SS tot een concurrerend leger uitgroeien. Het oprichten van deze nieuwe divisies was echter bijzonder inefficiënt; die mankracht kon beter gebruikt worden om bestaande divisies weer op sterkte te brengen door hun professionele kern met infanterie aan te vullen.

1944[bewerken]

Leningrad ontzet[bewerken]

Heeresgruppe Nord had al lange tijd onvoldoende versterkingen gehad. Om divisies vrij te maken had men een terugvalpositie voorbereid, de Pantherlinie, die haar front met de helft kon verkorten door gebruik te maken van het langgerekte Peipusmeer en verder sterker was doordat ze gedekt werd door de Narva. Voorspelbaar genoeg aarzelde Hitler met het geven van zijn toestemming voor de terugtocht. Op 14 januari 1944 werd de legergroep overvallen door een zwaar Sovjetoffensief om Leningrad te ontzetten. Na enkele dagen weerstand te hebben geboden werd men teruggedrongen en het Rode Leger maakte vanuit Leningrad weer aansluiting met het bruggenhoofd van Oranienbaum dat 28 maanden alleen over de Finse Golf bevoorraad had kunnen worden. Daarna viel op 20 januari zuidelijker Novgorod.

Verdere aanvallen dwongen de Duitsers weg van de stad; de belegering van Leningrad was eindelijk gebroken. Er vielen gaten die de legergroep niet meer met reserves kon dichten en de hele frontlinie begon uiteen te vallen. Veldmaarschalk Georg von Küchler, commandant van het 18e leger, drong er nu bij Hitler op aan onmiddellijk op de Pantherlinie terug te vallen. Die liet hem daarop vervangen door Walter Model. Het lukte deze het front weer te stabiliseren, maar een enthousiast plan om met een tegenoffensief weer naar de Loega op te rukken leek zelfs Hitler te hoog gegrepen. Alsnog kwam men tot de conclusie naar de Pantherlinie terug te moeten trekken, die men in maart met moeite tegen verdere aanvallen wist te houden.

Westelijke Oekraïne[bewerken]

De opmars in de Westelijke Oekraïne van eind december 1943 tot mei 1944

Tegen eind december 1943 had Von Manstein nog de hoop gehad de Dnjeprpositie te herstellen en de Krim te ontzetten, aannemend dat het Rode Leger daarvoor voldoende verzwakt was. Op 24 december bleek hoe onjuist hij de situatie had ingeschat toen het Eerste Gardeleger vanuit Kiev opnieuw een groot offensief opende in zuidwestelijke richting. De Duitsers hadden geen reserves meer om deze aanval op te vangen en Von Manstein drong er bij Hitler op aan de benedenloop van de Dnjepr helemaal op te geven en de vrijgekomen eenheden over te brengen naar zijn linkerzijde om van daaruit met een flankaanval het Sovjetoffensief tot staan te brengen. Een woedende Hitler weigerde echter hierin toe te stemmen.

Het uitstel van drastische tegenmaatregelen leidde tot een aantal ernstige Duitse nederlagen. In het midden werd men over een breed front teruggedrongen en het lukte slechts het front stabiel te houden door het Eerste Pantserleger uit de Dnjeprbocht naar het westen te verschuiven. De terugtocht opende een gat op de uiterste linkerflank, ten zuiden van de Pripjatmoerassen, waardoor steeds meer Sovjeteenheden naar het westen infiltreerden. Meer naar het oosten dreigden de laatste Duitse posities aan de Dnjepr afgesneden te raken. Hitler stond geen evacuatie toe waardoor op 28 januari twee Duitse korpsen bij Korsoen-Sjevtsjenkivsky omsloten raakten; een ontzettingspoging door het Eerste Pantserleger kostte vele tanks en redde slechts een klein aantal manschappen. Eind januari begon op de rechterflank ook een groot offensief tegen de Duitse troepen in de Dnjeprbocht. Na zware gevechten gaf men het bruggenhoofd over de Dnjepr op en moest ook Nikopol worden opgegeven waardoor de belangrijkste bron van nikkelerts verloren ging, een ramp voor de Duitse oorlogsindustrie die nikkelstaal nodig had voor de fabricage van vele essentiële onderdelen — dit was ook de reden geweest dat Hitler deze positie per se wilde behouden. Deze overwinningen van het Rode Leger waren echter niet goedkoop.

De Duitse troepen verweerden zich op bekwame wijze, daarbij geholpen door het feit dat de nieuwe Panthertanks een steeds groter deel van hun pantsermacht vormden, terwijl de nieuwe Sovjettank, de T-34-85, nog maar net begon in te stromen. De slagen in de Westelijke Oekraïne behoorden dan ook tot de zwaarste van de oorlog. Het Stavka was echter bereid om ruim een half miljoen man en 2000 tanks per maand op te offeren om de verovering te forceren van wat het als de sleutelpositie voor de eindoverwinning zag en besloot over te gaan tot een nog veel grotere krachtsinspanning.

Lenteoffensief[bewerken]

Het Lenteoffensief

De Duitsers verwachtten dat het Rode Leger zich tot na de dooiperiode kalm zou houden; Von Manstein wilde die rustperiode gebruiken om de dreiging op zijn linkerflank te pareren. Als de vijand daar nog wat verder naar het westen opdrong, zou hij de aanvoerlijn vanuit Polen voor Heeresgruppe Süd afsnijden. Von Manstein dirigeerde dus het Eerste Pantserleger meer naar het westen om het het Vierde Pantserleger mogelijk te maken ook op te schuiven teneinde een mogelijke aanval richting Lvov te blokkeren. Op zich was deze maatregel dringend noodzakelijk, maar de manoeuvre kon alleen veilig worden uitgevoerd in combinatie met een gehele terugtocht naar het westen, iets wat Hitler nog steeds niet toestond. De lijn in de Dnjeprbocht werd nu ontbloot van pantsereenheden wat al snel zou leiden tot een catastrofe.

Op 4 maart openden het Eerste en Tweede Oekraïense Front onverwachts een geweldige aanval, een reusachtige tangbeweging met inzet van vijf hele pantserlegers. De eerste legergroep rukte vanuit Rovno naar het zuiden op, terwijl de tweede vierhonderd kilometer oostelijker bij Oeman naar het zuidwesten begon te bewegen. De Duitse Eerste en Vierde Pantserlegers lukte het om op de linkerflank in felle afweerslagen met een zeker succes het vertragend gevecht te voeren terwijl men op Tarnopol terugviel, maar het Achtste Leger op de rechterflank werd door drie pantserlegers uiteengeslagen. Vrijwel ongehinderd rukte het Tweede Oekraïense front op, eerst over de Zuidelijke Boeg, daarna over de Dnjestr, totdat het begin april na ruim driehonderd kilometer bij de Karpaten contact kon maken met het Eerste Oekraïense Front dat na hevige gevechten voorbij Tarnopol tweehonderd kilometer naar het zuiden was opgedrongen. Die laatste opmars had het Duitse Eerste Pantserleger afgesneden. Hitler zag zich nu gedwongen om de nieuwe 9e en 10e SS Pantserdivisies, die eigenlijk voor Frankrijk bedoeld waren, uit de strategische OKW-reserves vrij te geven teneinde het pantserleger een uitbraak naar het westen mogelijk te maken die met veel moeite op 6 april gelukte. De crisis was aanleiding voor Hitler om von Manstein op 30 maart als bevelhebber van het zuidelijke Oostfront door Model te laten vervangen.

Meer naar het oosten zag het Duitse Zesde Leger, om te voorkomen dat het omsingeld zou raken, zich genoodzaakt zich vechtend van de Dnjeprbocht via de Boeg op de benedenloop van de Dnjestr terug te trekken. Odessa werd daarbij opgegeven, wat de geregelde aanvoer over zee naar de omsingelde troepen op de Krim afsneed. Het schiereiland werd tussen 8 april en 13 mei door het Rode Leger heroverd, waarbij echter een gedeelte van het Duitse Zeventiende Leger geëvacueerd kon worden. Het Lenteoffensief had de Duitse troepen zo uiteengedreven dat tussen het Eerste Pantserleger en de resten van het Achtste Leger een gat van driehonderd kilometer gevallen was dat ten dele gevuld werd met zwakke Roemeense troepen. Op 19 maart had Duitsland Hongarije bezet maar men moest afzien van het plan het Hongaarse leger te interneren omdat de eenheden daarvan hard nodig waren om de Karpatenpassen te bewaken.

Operatie Bagration[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Operatie Bagration voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
De opmars van het Rode Leger vanaf 22 juni tot midden augustus 1944

Het verlies van vrijwel de gehele westelijke Oekraïne bracht het Duitse leger in een bijzonder gevaarlijke strategische positie. Door vanhier uit in noordwestelijke richting op te rukken naar de Oostzee kon het Rode Leger in één klap het hele Oostfront oprollen. De situatie werd voor de Duitsers verergerd door grote tekorten aan mankracht. Tijdens de aanhoudende strijd was de sterkte van het Duitse leger steeds verder gedaald terwijl de frontlijnen door het terugwijken van de rechterflank alsmaar langer werden: men moest nu met twee miljoen man een front van vierduizend kilometer houden tegen een drievoudige overmacht. De enige reële optie, het front met de helft in te korten door de Baltische Staten en Wit-Rusland op te geven, durfde men wegens Hitlers radicale afwijzing van iedere terugtocht niet eens in overweging te nemen. In plaats daarvan nam Model gemakshalve eerst maar aan dat een opmars naar de Oostzee te hoge eisen aan de operationele capaciteiten van de vijand zou stellen en dat die zich dus voorlopig wel zou beperken tot een aanval op de Balkan. Toen gedurende mei de enorme opbouw van de Sovjettroepen ten oosten van Lvov bewees dat er wel degelijk een doorbraakpoging richting Polen zou plaatsvinden, kwam Model met een dramatisch antwoord op die dreiging: hij stelde Operation Schild und Schwert voor, een plan om de Sovjetaanval flexibel op te vangen, de pantserspitsen van de vijand af te snijden en te vernietigen en hem uiteindelijk in de Oekraïne terug te werpen. Deze agressieve strategie vond bij Hitler een gewillig oor, maar zij had geen relatie meer met de werkelijkheid. De Duitse tankproductie bleef tot in de zomer van 1944 snel stijgen maar de prioriteit die aan Frankrijk gegeven werd, verhinderde een groei van de pantsermacht aan het Oostfront. Zelfs toen Model pantserdivisies aan andere legergroepen onttrok ten bate van Legergroep Noordelijke Oekraïne, de nieuwe naam voor Legergroep Zuid, kon hij er nauwelijks een duizendtal operationele tanks concentreren. Op 6 juni 1944 vond Operatie Overlord plaats, de landing in Normandië, en Hitler beval de elitedivisies van de SS naar het Westelijk front over te brengen, zodat het aantal pantserdivisies in het oosten een dieptepunt bereikte. Veel hoop op een overwinning had Model nu niet meer: de mokerslag die hij vreesde was echter nog maar een bindingsaanval die de aandacht moest afleiden van het echte hoofdoffensief.

In april 1944 had het Stavka besloten die zomer iedere Duitse dreiging richting Moskou weg te nemen door Wit-Rusland te heroveren. In het diepste geheim werden de troepen in het centrum van het front versterkt waarbij vooral klemtoon lag op de tankeenheden. Omdat de Duitse Legergroep Centrum nog maar één enkele pantserdivisie bezat, met slechts een zeventigtal gevechtsklare tanks, kon het Rode Leger hieraan een zestigvoudige overmacht opbouwen. De eerste fase van de strijd had de vorm van een enkelvoudige tangaanval met als einddoel Minsk. De noordelijke as daarvan stond onder leiding van Zjoekov die op 22 juni het Zesde Gardeleger ten westen van Witebsk liet oprukken. Het Duitse Derde Pantserleger — dat al lang geen enkele tank meer bezat — werd hierdoor volkomen verrast. De meeste troepen vluchten naar de "vesting" Witebsk. Toen ze begrepen dat er vandaar uit geen uitbraakpoging zou zijn maar dat ze geacht werden tot de laatste man stand te houden om de vijandelijk opmars te vertragen, brak er een totale paniek uit die leidde tot een snelle overgave van de stad. Ook voor de zuidelijke aanval, door het Eerste Wit-Russische Front, zou dra de weg naar Minsk openliggen. Het Duitse Negende Leger zette de enige pantserreserve van Legergroep Centrum, de 22e Pantserdivisie, foutief ten oosten van de Berezina in, terwijl de vijandelijke hoofdas ten westen van die rivier lag. Het leger raakte bij Babroejsk omsingeld en werd vernietigd. Het Duitse Vierde Leger, dat tegen de eerste frontale aanvallen stand had gehouden, dreigde nu door beide assen omvat te worden. Het onttrok zich, al terugvallend, bij Mogiljow ternauwernood aan een omsingeling en vluchtte vandaar naar de enige nog beschikbare brug over de Berezina. Bij de restanten van de drie Duitse legers stortte het moreel volledig ineen, in een mate die men tot dan toe alleen van Duitslands vijanden kende. Hele regimenten vielen uit elkaar, terwijl hun officieren massaal zelfmoord pleegden om niet krijgsgevangen te raken. Sommige troepen bereikten Minsk maar op 3 juli sloot de tang zich en werd de stad genomen. Legergroep Centrum had vijfentwintig divisies verloren.

Het ineenstorten van het Duitse front en het nu bijna volledig ontbreken van grote pantsereenheden aan vijandelijke zijde stelden het Rode Leger tot een operationele elegantie in staat die het nooit eerder in de oorlog getoond had. De eerste tang werd nu onmiddellijk gevolgd door een tweede, veel grotere, tangbeweging waarvan de noordelijk as, het Derde Wit-Russische Front, richting Vilnius oprukte, de zuidelijke as, het Eerste Wit-Russische Front, richting Bialystok. De opmars dwong het Duits Tweede Leger, het meest zuidelijke van Legergroep Centrum, tweehonderd kilometer terug te trekken naar Brest. De zuidflank van Legergroep Noord dreigde omtrokken te raken en het Zestiende Leger daarvan trok zich terug van Polotsk naar Dvinsk. Op 8 juli werd Vilnius bereikt en stootte men verder door richting Kaunas. Halverwege die stad en Dvinsk viel een gat van zestig kilometer tussen Legergroep Centrum en Legergroep Noord. Op 18 juli begon het Eerste Baltische Front daar gebruik van te maken door naar de Golf van Riga op te rukken die op 31 juli bereikt werd zodat Legergroep Noord afgesneden werd en met de ondergang bedreigd werd.

Het gebied van de Slowaakse Nationale Opstand

Ondertussen had maarschalk Ivan Konev op 13 juli zijn Eerste Oekraïense Front de Duitse Legergroep Noordelijke Oekraïne laten aanvallen. Ofschoon het Vierde en Eerste Pantserleger de sterkste Duitse pantsermacht aan het Oostfront vertegenwoordigden, werden ze in hevige tankslagen teruggedrongen. Ondanks zware verliezen veroverden de Sovjettanks Lviv en rukten ze tweehonderd kilometer in westelijke richting op tot voorbij Lublin.

Tussen 22 juni en begin augustus had het Duitse leger in het oosten catastrofale verliezen geleden. Vrijwel heel Legergroep Midden was verloren gegaan en Legergroep Noord was in een positie gedrongen waar geen effectieve bijdrage aan de strijd meer geleverd kon worden. Het equivalent van zo'n veertig divisies was vernietigd. In augustus zou zich ook aan het Westfront een vergelijkbare vermindering van de sterkte voordoen. De gaten aan de fronten konden slechts gedicht worden door vrijwel ongetrainde rekruten in te zetten wat leidde tot een ernstige vermindering van de gevechtscapaciteit van de Duitse eenheden. Ondanks deze kritieke toestand stortte de Duitse verdediging niet onmiddellijk ineen: de oorlog zou nog negen maanden duren. De oorzaak hiervan was een logistieke overbelasting van de Geallieerden. Juist door de grote terreinwinst waren hun fronttroepen door hun brandstof heen. Hun opmars viel stil en de fronten stabiliseerden zich, waarbij de Duitse consolidatie sterk geholpen werd door de energieke inzet van een na het Complot van 20 juli 1944 nieuw benoemde chef generale staf, Heinz Guderian waarmee Hitler een ruzie uit 1941 had bijgelegd. Hoewel op 17 augustus de eerste Sovjettroepen de grens van Oost-Pruisen bereikten, werd op 20 augustus het contact met Legergroep Noord net ten westen van Riga hersteld. Velen hadden echter ingeschat dat de Duitse ineenstorting al een feit was. Dat leidde tot de Opstand van Warschau op 1 augustus en de Slowaakse Nationale Opstand van 29 augustus. Beide opstanden werden na maandenlange strijd door de Duitsers neergeslagen, waarbij Stalin, die geen behoefte had aan een bevrijding op eigen kracht van de Polen of de Slowaken, slechts minimale hulp bood.

Finland verlaat de oorlog[bewerken]

De operaties in Finland en de terugtocht van het Duitse leger

Tijdens de Conferentie van Teheran hadden het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten van Amerika aangegeven dat het hun voorkeur had dat Finland nog voor de landing in Normandië de oorlog zou opgeven, bij voorkeur via een vredesregeling die de Finse onafhankelijkheid intact liet. In februari 1944 begon een dubbel proces van intimidatie en toenadering, waarbij de Sovjet-Unie Finse steden bombardeerde en de VS, die niet met Finland in oorlog waren, aangaven te willen bemiddelen bij onderhandelingen, die op 12 februari in Stockholm van start gingen. In reactie hierop beval Hitler Operation Tanne voor te bereiden, de bezetting van eilanden voor het zuiden van Finland met als als doel een uitbraak van de Oostzeevloot van de Sovjet-Unie te voorkomen, en Operation Birke, een bezetting van een deel van Noord-Finland door het Duitse Twintigste Bergleger, dat al bijna drie jaar een stelling bij Moermansk hield en zijn zuidflank ondertussen achthonderd kilometer had uitgebreid, tot aan Oechta. Midden april hadden de besprekingen een punt bereikt waarin de Sovjet-Unie een terugkeer naar de grenzen van 1940 en het opgeven van Petsjenga eiste plus zeshonderd miljoen dollar als herstelbetalingen. Duitsland zette Finland onder druk door op 13 april alle graanleveranties te beëindigen en op 18 april de wapenleveranties. Dezelfde dag verwierp Finland de voorwaarden van de Sovjet-Unie.

Op 10 juni viel het Leningradfront de Mannerheimlinie aan, op de landtong tussen de Finse Golf en het Ladogameer, en het Karelische Front de Finse posities in Oost-Karelië. Net als tijdens de Winteroorlog van 1939 had het Rode Leger een grote overmacht in manschappen en materieel maar anders dan vijf jaar eerder waren die troepen nu goed getraind, terwijl de Finnen hun leger nauwelijks hadden kunnen moderniseren. De Mannerheimlinie werd al na enige dagen gebroken en het lukte de Finnen ternauwernood hun hoofdmacht op de lijn Vyborg-Vuoksi aan de noordzijde van de istmus terug te trekken. Op 18 juni vroeg de Finse regering om de onderhandelingen weer op te starten. Tegelijkertijd echter verzocht men om Duitse hulp. De Duitsers zonden antitankwapens, de 122e Infanteriedivisie, de 303e Sturmgeschützbrigade en luchtmachteenheden; de laatste werden meteen overgevlogen. Op 23 juni eiste de Sovjet-Unie Finlands overgave. Op 26 juni verklaarde de Finse president Risto Heikki Ryti niet eenzijdig vrede te zullen sluiten. Op 21 juni viel Vyborg maar een verdere opmars werd begin juli gestopt door de 122e Infanteriedivisie. Die maand werd Oost-Karelië door de Finnen ontruimd en de fronten consolideerden zich daarna. Eind juli trokken de Duitsers de 122e Infanteriedivisie weer terug wegens de benarde situatie van Legergroep Noord. Deze omstandigheid overtuigde de Finnen ervan dat geen serieuze Duitse hulp meer te verwachten viel. Op 4 augustus werd Carl Gustaf Mannerheim president.

Op 9 augustus vernietigden de Finnen twee Sovjetdivisies ten oosten van Ilomantsi. Mannerheim besloot van dit succes gebruik te maken voor een nieuwe toenadering, voordat Finland helemaal geïsoleerd zou zijn geraakt. Op 25 augustus verzocht men in Stockholm een delegatie naar Moskou te mogen sturen om een wapenstilstand te sluiten. Dat werd toegestaan op voorwaarde dat men openlijk met Duitsland zou breken en de Duitse troepen voor 15 september het land hadden verlaten. Nog voor de delegatie arriveerde, kwam op 4/5 september een staakt-het-vuren tot stand. Op 19 september werd officieel een wapenstilstand gesloten.

De insluiting van Legergroep Noord

In het begin probeerde Duitsland een gedeeltelijke bezetting van Finland door te voeren. Een aanval op het eiland Suursaari voor de zuidkust werd echter door de Finnen op 15 september afgeslagen met hulp van Sovjetvliegtuigen. Tot verbazing van de Duitsers respecteerde het Rode Leger de Finse neutraliteit en het Twintigste Bergleger kon zijn rechterflank door Noord-Finland terugtrekken naar Noorwegen. Eerst volgden de Finse troepen de Duitse slechts op een afstand. Op 1 oktober echter begonnen grote Finse landingen in Tornio, aan het noordelijke uiteinde van de Botnische Golf. De strategische bruggen daar werden door de Finnen bezet en de Duitsers vielen aan om ze heroveren. De Duitse troepen werden omsingeld en wisten slechts met moeite naar het noorden uit te breken. De gevechten duurden tot 8 oktober en werden door de Finnen als bewijs gebruikt dat de breuk met Duitsland definitief was. Verdere vijandigheden zouden uitblijven.

Hitler besloot om ondanks de nikkelmijnen Petsjenga op te geven en het Duitse front terug te trekken op Lynge in Noorwegen, waar slechts een smalle doorgang is tussen de kust en Zweden. Het Rode Leger had echter een grote aanval voorbereid en poogde de terugtrekkende Duitse troepen van 7 oktober af alsnog onder de voet te lopen of via kustlandingen af te snijden. Ondanks zware gevechten lukte het de Duitsers echter Operation Nordlicht begin januari 1945 tot een goed einde te brengen, voornamelijk doordat het weer uitzonderlijk mild was. De Sovjettroepen volgden niet verder dan de fjord van Tana zodat er in de Finnmark een niemandsland ontstond van driehonderd kilometer diep. Om te voorkomen dat de Noorse regering er haar gezag kon vestigen werd het gebied door de Duitsers volledig geëvacueerd en verwoest.

Legergroep Noord raakt ingesloten[bewerken]

Terwijl het centrum van het Oostfront voor ruim vier maanden relatief rustig bleef, deden er zich grote ontwikkelingen voor aan de flanken. Tegen het midden van september was het front van Legergroep Noord extreem uitgerekt geraakt. Het Zestiende en Achttiende Leger van de legergroep en het Derde Pantserleger daar ten zuiden van, hielden nog steeds vrijwel de volledige Oostzeekust over een lengte van ruim zeshonderd kilometer in een vrij smalle strook die ten westen van Riga maar veertig kilometer breed was. Op 14 september poogde het Eerste Baltische Front hier opnieuw doorheen te breken. Dat mislukte echter door een flankaanval van het Derde Pantserleger. De hierdoor gewonnen tijd werd door de Duitsers gebruikt om haastig Estland te ontruimen en zich op de "Segewoldstelling" ten oosten van Riga terug te trekken. Dit verbeterde de situatie van Legergroep Noord aanzienlijk maar dat bracht Hitler ertoe een verdere terugtocht te verbieden.

Op 5 oktober viel het Eerste Baltische Front in westelijke richting aan, doorbrak de stellingen van het Derde Pantserleger op 7 oktober en omvatte Memel aan de Oostzeekust op 9 oktober, Legergroep Noord opnieuw en nu definitief afsnijdend. Riga werd op 11 oktober opgegeven. Van een Duits plan om het contact opnieuw te herstellen door gelijktijdig van Koerland en Oost-Pruisen uit aan te vallen, moest worden afgezien toen dat laatste gebied aan de oostkant werd aangevallen. Hierdoor raakten vierendertig divisies in Koerland ingesloten wat de Duitse operationele flexibiliteit ernstig verminderde. Slechts één keer, in januari 1945, stond Hitler toe een groter aantal van zeven divisies over zee te evacueren. Hitlers argument hiervoor, dat aanzienlijke Sovjetkrachten aldus gebonden werden, had overigens een zekere geldigheid: er zouden tot tachtig Sovjetdivisies tegen het schiereiland geconcentreerd worden. De Duitse strijdmacht daar, op 25 januari hernoemd tot Legergroep Koerland, toonde zich gedurende zeven maanden ook zeer vasthoudend. Vijf grote offensieven van het Rode Leger werden met zware verliezen afgeslagen. Pas op 10 mei 1945 gaven de overblijvende tweehonderdduizend man zich over, twee dagen na de algehele Duitse capitulatie.

Oorlog op te veel fronten[bewerken]

Oorlogsverloop 1943-1945

In de eerste helft van 1943 was het tij van de oorlog op alle andere fronten ook gekeerd: Rommel en de Italianen waren verdreven uit Noord-Afrika, de geallieerden landden op Sicilië, hetgeen leidde tot de val van de toch al nooit nuttige bondgenoot Mussolini. In september koos het nieuwe Italiaanse regime voor de geallieerden. Zo mogelijk nog belangrijker was dat de bestrijding van Duitse onderzeeboten vanaf mei 1943 veel effectiever werd, waardoor konvooien uit Amerika en Canada nu op grotere schaal de Britse en de Russische bondgenoten konden bevoorraden. Duitslands eigen grondgebied kreeg nu steeds zwaarder te lijden onder bombardementen van de westelijke geallieerden, die betrekkelijk weinig militaire schade aanrichtten, maar wel honderdduizenden burgers het leven kostten en hele steden verwoestten. Er moest dus ook veel geïnvesteerd worden in de luchtverdediging. De Duitsers kregen dus steeds meer moeite hun krachten te verdelen, terwijl de Russische, Arabische en Roemeense olievelden verder uit het gezichtsveld raakten, dan wel verloren gingen.

Toen op 6 juni 1944 (D-day) het reeds lang beloofde tweede front werd geopend in het westen, werd het voor de Russen wat gemakkelijker, hoewel zij vrijwel tot het einde toe altijd veel zwaardere verliezen leden dan de Duitsers. Nazi-Duitsland moest bovendien nog strijden tegen Joegoslavische, Griekse en Italiaanse partizanen, plus geallieerde troepen in Italië en Zuid-Frankrijk.

Laatste fase[bewerken]

De Duitsers, die ondanks de steeds kleinere kans op de overwinning toch door moesten vechten, verwoestten op hun terugtocht uit Rusland zo veel mogelijk wat anders terug in de handen van de Sovjets zou vallen. Deze tactiek van de verschroeide aarde had de Sovjet-Unie in het begin van de oorlog zelf ook al toegepast op hun industrie. Het Rode Leger echter, dat uit enkele miljoenen soldaten bestond, bleef onstuitbaar oprukken. Uiteindelijk bereikte het Sovjet-leger, na Rusland en grote delen van Oost-Europa bevrijd te hebben, Berlijn. Duitsland raakte door zijn reserves heen en zette steeds meer mensen in: buiten de Wehrmacht en de SS richtte men ook volksmilities op zoals verschillende burgerwachten, en de Volkssturm. Ook de politie, vrouwen die eigenlijk als verpleegster dienst deden, en de leden van de Hitlerjugend vochten wanhopig om de Sovjets tegen te houden. De Slag om Berlijn werd begin mei beslist. Op 30 april pleegde Hitler zelfmoord en op 2 mei hees sergeant Meliton Kantaria van het Rode Leger de Sovjetvlag op het dak van de Duitse Rijksdag.

Wat begon als een onderneming voor 'Lebensraum' en veiligheid voor het Duitse volk eindigde uiteindelijk in een totale vernietiging van grote delen van Oost-Europa.

De prijs voor de Sovjet-Unie was extreem hoog: zij verloren in de Tweede Wereldoorlog 21 tot 26,5 miljoen mensen, waaronder 12 tot 15 miljoen burgers (alleen in het belegerde St. Petersburg/Leningrad meer dan 900.000 gedode burgers). De opmars van het Rode Leger ging gepaard met het opzettelijk deporteren en ombrengen van meer dan een miljoen Duitse burgers en de duizenden Polen, Oekraïners, Esten, Letten en eigen Russische burgers die aan de verkeerde kant van het front hadden gevochten of hadden gecollaboreerd. Daarnaast vonden ook massale verkrachtingen van vrouwen plaats (in Berlijn alleen al naar schatting 300.000).

Het is later gebleken dat meer dan 80% van alle Duitse verliezen in de Tweede Wereldoorlog geleden zijn aan het oostfront. Aan het oostfront bevond zich grofweg 75% van het Duitse leger en het is ook in Rusland dat zij de oorlog verloren. Toen in 1944 de geallieerden in Frankrijk landden, was de strijd al voor een groot deel gestreden. Het oostfront bleek het beslissende strijdtoneel van de gehele oorlog, met consequenties die tot op de dag van vandaag voortduren.

Zie ook[bewerken]