Complot van 20 juli 1944

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Complot van 20 juli 1944
De Wolfsschanze na de explosie.
De Wolfsschanze na de explosie.
Datum 20 juli 1944 (aanslag); 1944-1945 (executies en arrestaties van samenzweerders)
Locatie Rastenburg, Nazi-Duitsland
Resultaat De militaire staatsgreep tegen het naziregime mislukt. Het naziregime overwint.
Strijdende partijen
German Resistance Flag Proposal 1944.svg Duits verzet onder leiding van het leger Vlag van Duitsland Naziregime
Commandanten
German Resistance Flag Proposal 1944.svg Ludwig Beck
German Resistance Flag Proposal 1944.svg Henning von Tresckow
German Resistance Flag Proposal 1944.svg Eduard Wagner
German Resistance Flag Proposal 1944.svg Eugen Bolz
German Resistance Flag Proposal 1944.svg Graaf Albrecht von Bernstorff
German Resistance Flag Proposal 1944.svg Claus Schenk von Stauffenberg
German Resistance Flag Proposal 1944.svg Karl-Heinrich von Stülpnagel
Vlag van Duitsland Adolf Hitler
Vlag van Duitsland Wilhelm Keitel
Vlag van Duitsland Alfred Jodl
Vlag van Duitsland Walter Warlimont
Verliezen
5.000 geëxecuteerd
7.000 gearresteerd
3 officieren gedood
1 assistent gedood

Het complot van 20 juli 1944 was een poging om een staatsgreep te plegen en Adolf Hitler te vermoorden. Het plan werd in werking gesteld op 20 juli 1944 door officieren van de Wehrmacht en andere organisaties. De eigenlijke leider van het complot was Henning von Tresckow, maar deze kon niet actief deelnemen aan de opstand. De leiding werd vanaf dat moment door kolonel Graaf Claus von Stauffenberg gevoerd. De coupplegers gaven de aanslag de codenaam 'Operatie Walküre'.

Von Stauffenberg zou zelf de aanslag op Hitler uitvoeren tijdens een militaire stafbespreking in het hoofdkwartier de Wolfsschanze bij Rastenburg in Oost-Pruisen, een enorm groot en goed beveiligd bunkercomplex. De aanslag mislukte voornamelijk doordat een Duits officier de bom verplaatste nadat Von Stauffenberg deze had achtergelaten. Was Hitler gedood en de daaropvolgende staatsgreep gelukt, dan zou de oorlog wellicht een jaar eerder zijn geëindigd en waren veel mensenlevens gespaard gebleven.

Aanleiding[bewerken]

In eerste instantie waren de samenzweerders het grotendeels met de ideeën van Adolf Hitler eens geweest.[bron?] Toen hij in 1933 aan de macht kwam juichten ze hem toe. Het volk was tevreden met de aanstelling van Hitler als leider van het land.
Aanvankelijk leek de machtsovername door Hitler voor de Duitsers een droom die uitkwam. Na het Verdrag van Versailles was Duitsland zowel politiek gezien als economisch gezien tot niets in staat.[bron?] Daarbovenop kwam de beurskrach van 1929 en werd het op economisch vlak alleen maar erger. Door de economische crisis heerste er in Duitsland een grote werkloosheid. Vóórdat Hitler aan de macht was, lag het aantal werklozen van de beroepsbevolking ruim boven de zes miljoen.

Door de enorme werkloosheid verloor het volk het vertrouwen in de zittende regering. Zo ook de latere samenzweerders. Hitler zag zijn kans schoon en greep deze met beide handen aan. In de eerste plaats wist hij de werkloosheid terug te dringen, wat tot een gedeeltelijk economisch herstel van Duitsland leidde. Bovendien genoot hij het vertrouwen van het volk. Zo liet hij onder andere de infrastructuur verbeteren en vergrootte, hoewel dat volgens Verdrag van Versailles niet mocht, het leger stevig in omvang en verbeterde de kwaliteit van de defensie. In de periode dat Hitler aan de macht was, werd het aantal werklozen uiteindelijk teruggedrongen tot een kleine twee miljoen mensen.

Bij een klein deel van de bevolking was echter in 1938 al een ommekeer te merken. Deze Duitsers wilden van Hitler af. Ze waren het niet eens met zijn radicale ideeën (onder andere anti-Joodse campagnes). Ook Von Stauffenberg zag rond 1938 in dat de radicale ideeën van Hitler misdadig waren.[bron?] Hij bleef echter wel trouw aan het leger en dit bleef hij tot op de dag van zijn dood. Naast Von Stauffenberg waren er nog enkele andere officieren uit het leger die de ideeën van Hitler té radicaal vonden. Zij waren echter nog geen fervent tegenstander van de Führer van Duitsland.

Hitler was intussen een oorlog begonnen die voorspoedig verliep. Von Stauffenberg was een groot tegenstander van deze oorlog en dacht dat die Duitsland te gronde zou richten.

Toen de SS moordpartijen op Oekraïense Joden had gepleegd, en Von Stauffenberg dit te weten kwam, besloot hij zich fervent tegen Hitler te keren. Hij deed dit echter zonder dat het opviel. Zo bleef hij zich gewoon inspannen voor het leger en werkte hij zich in het leger op naar een steeds hogere rang. Uiteindelijk maakte hij deel uit van een groep vertrouwelingen en kon hij, samen met andere officieren, een aanslag en staatsgreep gaan voorbereiden. Voor de samenzweerders waren de voornaamste redenen om zich tegen Hitler te keren:

  • Hitlers ideeën waren té radicaal
  • de oorlog zou Duitsland te gronde richten
  • de SS, de fervente aanhangers van Hitler, haalde gruwelijke dingen uit, zoals massamoorden op Joden

De voorbereiding[bewerken]

Buste van de man achter de aanslag, Claus von Stauffenberg.

De leden van de Kreisauer Kreis hadden juridische opleidingen gevolgd en zetten grote vraagtekens bij een eventuele politieke moord op Adolf Hitler en zijn naasten. Ze twijfelden over het feit of deze wel rechtsgeldig was. Als tegenstanders van moord en terreur hadden ze natuurlijk grote moeite om zelf geweld toe te passen. Maar wat was een goed alternatief, als een gewelddadige aanslag uitgesloten was? Enkele verzetsleden dachten aan de mogelijkheid om Hitler te arresteren en te berechten, maar dit was gezien de omstandigheden niet realiseerbaar. Tevens beschikte Hitler over een trouwe achterban, zodat een arrestatie tot grote opstand in het land zou leiden.

Als men voor geweld koos, zou het niet gemakkelijk zijn om Hitler én de gehele top van de NSDAP te vermoorden. Daarnaast zouden de SS en andere staatsorganisaties ook in stand blijven en veel Duitse soldaten waren geheel beïnvloed door het nationaalsocialisme. Een staatsgreep bracht dus het risico van een mogelijke burgeroorlog met zich mee. Dit kon een conflict tussen de SS en de Wehrmacht of een tweestrijd binnen de Wehrmacht zijn. Een geslaagde staatsgreep zou dus op de een of andere manier de SS moeten neutraliseren.
Een alternatief was dat de verzetsgroepen contact zochten met de geallieerden en dan gingen onderhandelen over een mogelijke oplossing. In het verleden waren enkele pogingen al op niets uitgelopen. Daarbij kwam dat Duitsland aan het front steeds verder werd teruggedrongen en de geallieerden alleen met een capitulatie van Duitsland genoegen zouden nemen. Daarnaast hadden ze in 1943 een overeenkomst met Stalin gesloten, waarop ze niet zomaar konden terugkomen.

Geplaagd door deze vragen voelden de samenzweerders zich verlamd. Ze praatten, discussieerden, maakten ruzie, werkten elkaar tegen, deden onderzoek, klaagden, hoopten en baden, maar deden niets.

In de zomer van 1943 sloot Von Stauffenberg zich actief bij het verzet aan. Hij was net uit het ziekenhuis ontslagen, waar hij was genezen van ernstige oorlogsverwondingen die hij aan het front in Noord-Afrika had opgelopen. Al sinds 1941 was hij bevriend met von Tresckow, en tijdens Fall Weiss en operatie Barbarossa was hij zelf getuige geweest van de massamoord op Polen, joden, Russen en andere ‘minderwaardige’ bevolkingsgroepen. Hij vond dat de massamoorden en zinloze opoffering van soldatenlevens aan het oostfront afgelopen moesten zijn.

Met de komst van graaf von Stauffenberg kregen de samenzweerders weer een stimulans en inspiratie. Het verzet werd weer een actieve en dynamische organisatie. De oorspronkelijke onderlinge meningsverschillen waren plotseling verdwenen. Er werd een gezamenlijke koers uitgezet en deze werd dan ook gevolgd. Zo werden er concrete plannen gemaakt om de macht in Duitsland over te nemen. Er werd een tijdelijke regering samengesteld. Deze zou er als volgt uitzien: Ludwig Beck werd het nieuwe staatshoofd, Carl Friedrich Goerdeler kreeg de baan als Rijkskanselier en Julius Leber werd vicekanselier. Wilhelm Leuschner zou Rijkspresident worden, en graaf Ulrich Wilhelm Schwerin von Schwanenfeld de staatssecretaris. De posten van Minister van Buitenlandse Zaken, Justitie, Financiën en Oorlog zouden respectievelijk voor Ulrich von Hassell, Josef Wirmer, Johannes Popitz en Friedrich Olbricht zijn. Erwin von Witzleben zou de nieuwe opperbevelhebber van de Wehrmacht worden, Henning von Tresckow zou hoofd van de politie worden, en graaf von Stauffenberg nam genoegen met de functie van staatssecretaris van Oorlog.

Von Stauffenberg zag geen heil in juridische of geweldloze methodes om Adolf Hitler uit te schakelen. Er was maar één oplossing, hoewel dit tegen zijn militaire eed inging, en dat was Hitler vermoorden door middel van een aanslag. Er was echter een ander probleem. Hitler bewoog natuurlijk ook in de ruimte waar hij zich bevond. Het was eenvoudig te zeggen waar hij stond aan het begin van de vergadering/toespraak. Men kon echter nooit weten, of hij plotseling aan de andere kant van de ruimte terecht kwam, om de een of andere reden. Hitler hield zich nooit aan vaste schema's, droeg beschermende kleding en liet zich altijd vergezellen door enkele gewapende lijfwachten. Tevens had Hitler zijn auto en privé-vliegtuig extra laten bepantseren. Daarnaast verscheen Hitler nog maar amper in het openbaar, kwam nog maar weinig in Berlijn en in zijn woning in Berchtesgaden.

Het was dus een lastige zaak voor de samenzweerders om een goede plek met het juiste tijdstip te vinden. Toen alle mogelijkheden op een rij waren gezet, kwamen ze tot de conclusie dat de aanslag in het hoofdkwartier van Hitler moest plaatsvinden. Dit was gevestigd in het zomerhuis van de dictator te Berchtesgaden, het Berghof en vanaf 14 juli 1944 in de Wolfsschanze, tussen de bossen nabij de stad Rastenburg in Oost-Pruisen. Dit hoofdkwartier was omringd door allerlei moerassen en meren. Het zou dus al een hele klus zijn om daar te komen, laat staan om het hoofdkwartier binnen te komen. Er moest dus iemand gevonden worden die de mogelijkheid had om dicht bij Hitler in de buurt te komen.

Von Stauffenberg verklaarde zich bereid de aanslag op zich te nemen, alhoewel hij als Oberstleutnant en zijn baan als chef-staf van het 'Allgemeine Heeresamt' niet in een gunstiger positie verkeerde dan de meeste andere officieren. Zijn mede-samenzweerders protesteerden, omdat Von Stauffenberg ernstig verminkt was door het missen van een oog, een hand en twee vingers van de andere hand. Bovendien was hij één van de grote leiders van de samenzwering. Daarbij kwam ook nog dat hij de leiding zou hebben over de staatsgreep, omdat de eigenlijke leider von Tresckow niet weg kon van het oostfront. Op 1 april in 1944 werd Von Stauffenberg bevorderd tot kolonel, en op 20 juni in datzelfde jaar kreeg hij de functie van chef van de generale staf van het Ersatzheer. Doordat Von Stauffenberg was bevorderd tot deze hoge functie, verkeerde hij in de positie om in de nabijheid van Hitler te komen.

Von Stauffenberg vond dat deze mogelijkheid moest worden benut. De tijd voor de aanslag begon te dringen. Begin juni waren de geallieerden geland in Normandië en Von Stauffenberg had nu toegang tot Hitler. Daarmee was het duidelijk geworden dat Von Stauffenberg de aanslag zou gaan plegen.

Julius Leber, de geplande vice-kanselier, werd op 5 juli 1944 gearresteerd, kort na een ontmoeting met andere samenzweerders. Een groot deel van de samenzweerders was het niet met Von Stauffenberg eens. Ze stemden echter met tegenzin in, aangezien er geen goed alternatief was. Ze waren wel van mening dat hij, zodra de aanslag was gepleegd, naar Berlijn moest vliegen om daar de staatsgreep te leiden. Niemand had echt het gevoel dat alles goed zou gaan.[bron?] De kans op succes was klein. Toch vonden de samenzweerders dat er een aanslag moest worden uitgevoerd en er een staatsgreep moest plaatsvinden. Of de aanslag gelukt was of niet, er móest een staatsgreep komen.

Op 3 juli had Von Stauffenberg een ontmoeting met generaal-majoor Hellmuth Stieff, een mede-samenzweerder. Ze ontmoetten elkaar in Berchtesgaden. Stieff overhandigde hem twee bommen voor de aanslag. Stieff kon zelf vanwege zijn functie ook dicht bij de Führer komen en had in het verleden al eens aangeboden een aanslag te plegen, maar achteraf weigerde hij. Hij had na het lange wachten de moed opgegeven en wilde nu niet weer zulke risico’s nemen.

De eerste kans deed zich voor op 11 juli. Von Stauffenberg moest naar Berchtesgaden komen om een verslag uit te brengen van het Erstzheer. Von Stauffenberg had een bom meegenomen in zijn tas en er stonden een auto en een vliegtuig klaar om hem direct na de aanslag naar Berlijn te brengen
De samenzweerders waren het er echter over eens geworden dat niet alleen Adolf Hitler, maar ook Heinrich Himmler, hoofd van de SS, en het liefst ook Hermann Göring moesten worden gedood. Himmler was niet aanwezig op de bespreking en daardoor keerde Von Stauffenberg terug naar Berlijn, mét de bom. Drie dagen daarna verplaatste Hitler zijn hoofdkwartier van Berchtesgaden naar de Wolfsschanze, in een bos in de buurt van Rastenburg .

Op 15 juli deed zich de tweede kans voor. Von Stauffenberg vloog naar de Wolfsschanze. Himmler was echter opnieuw afwezig. Dit gaf Von Stauffenberg met een speciale code door aan de samenzweerders in Berlijn. Ze besloten de aanslag nogmaals af te blazen. Echter het waren Olbricht en Albrecht Ritter Mertz von Quirnheim die Von Stauffenberg ervan overtuigden de aanslag alsnog te plegen en alleen Hitler te vermoorden.
Von Stauffenberg keerde na een korte afwezigheid terug in de kamer waar Hitler zich bevond. Hij zag dat Stieff zijn aktetas uit voorzichtigheid al had weggehaald. Von Stauffenberg belde direct Olbricht op. Deze had echter al de eerste order voor operatie Walküre gegeven. Olbricht nam op zijn beurt weer contact op met von Quirnheim. Deze kon de operatie nog net afdoen als een test voor het echte werk.

Op 20 juli zou Von Stauffenberg weer een bijeenkomst met Hitler hebben. De samenzweerders besloten dat het op die dag moést gebeuren, of Himmler en Göring er nu bij waren of niet. Die dag zou Von Stauffenberg moeten toeslaan.

De aanslag[bewerken]

Stauffenberg (links) op de Wolfsschanze (15 juli 1944)

De dag was aangebroken waarop de aanslag zou plaatsvinden, of Himmler en Göring nu aanwezig waren of niet. Om 12:30 uur zou in de Wolfsschanze een vergadering beginnen. Het was dan ook vanzelfsprekend dat hier de aanslag zou worden gepleegd.

Een kwartier voor de vergadering had Von Stauffenberg een kwartier vrijaf gekregen om zich te gaan opfrissen. Een officier bracht hem naar de toiletten. Op weg naar de toiletten kreeg Von Stauffenberg gezelschap van onderofficier Werner von Haeften. Von Haeften had een aktetas bij zich, waarin twee bommen waren verborgen. Bij het toilet aangekomen nam Von Stauffenberg de aktetas mee naar binnen en trok een schoon overhemd aan. Tegelijkertijd activeerde hij echter de bommen die in de aktetas zaten.
De bommen moesten met een apart tangetje worden geactiveerd. Met het tangetje brak Von Stauffenberg een glazen buisje met zuur. Het zuur zou zich door een draad heen vreten om een soort hamertje tegen een ontsteker te laten slaan. De geschatte tijd dat dit proces besloeg lag rond de tien minuten. Dit was echter een zeer ruwe schatting, want de snelheid waarmee het zuur zich door de draad heen vrat was afhankelijk van verschillende factoren.

Net op het moment dat Von Stauffenberg de tweede bom wilde activeren werd hij gestoord door een Oberfeldwebel. Deze Oberfeldwebel kwam hem halen aangezien de vergadering op het punt van beginnen stond. Von Stauffenberg kon zijn werk niet volbrengen en von Haeften nam de tweede, niet geactiveerde, bom weer mee. Met één geactiveerde bom in zijn tas, liep de graaf naar buiten. Binnen tien minuten zou de bom ontploffen.

Het was al 12:30 uur en ze waren wat aan de late kant. Een officier die ze tegen het lijf liepen bood Von Stauffenberg aan om de tas te dragen. Von Stauffenberg weigerde. Dat was niet verdacht, omdat iedereen wist en het ook respecteerde dat Von Stauffenberg zich niet graag liet helpen.

Von Stauffenberg hoopte dat ze naar de bezoekersbunker gingen. Dit was een ruimte waar de muren van dik beton waren en dat zou de kracht naar binnen hebben gericht. Dit maakte de kans op slagen groter. De vergaderingen werden echter sinds 15 juli in de aangrenzende kaartenkamer gehouden. Dit was een houten barak, ongeveer twaalf bij vijf meter met drie grote ramen. De explosie had hierdoor veel minder uitwerking dan in een stevige ruimte met betonnen muren. Hierdoor was de kans op slagen een stuk kleiner dan in de bezoekersbunker. Eenmaal binnengekomen verzocht Von Stauffenberg om zo dicht mogelijk bij Hitler te mogen staan. Als reden gaf hij op dat zijn gehoor minder goed was. Dit was aangetast door zijn oorlogsverwonding.

De vergadering was al bezig toen er nog enkele officieren de ruimte binnenkwamen. Himmler of Göring waren niet te bekennen. Generaal-luitenant Adolf Heusinger bracht verslag uit over de situatie aan het oostfront. De meeste aanwezigen stonden over een grote, massieve, eikenhouten kaartentafel gebogen. Von Stauffenberg zette zijn aktetas op de grond en duwde hem met zijn laars wat verder onder de tafel. Wilhelm Keitel stelde voor dat Von Stauffenberg verslag zou uitbrengen over de status van het Ersatzheer, zodra Heusinger klaar was. Hitler vond dit wel een goed idee. Het was inmiddels al 12:37 uur en Von Stauffenberg had nog maar een paar minuten om weg te komen. Hij verliet de ruimte met het excuus dat hij dringend met Berlijn moest bellen.[1] Von Stauffenberg passeerde de ruimte van de telefonist, liep de gang door en kwam uiteindelijk buiten. Hier passeerde hij de binnenste controlepost en stak een grasveld over. Hij was op weg naar Erich Fellgiebel die hem aan de andere kant van het terrein opwachtte.

Om 12:42 hoorden Von Stauffenberg, die inmiddels bij Fellgiebel was aangekomen, en Fellgiebel een oorverdovende explosie. Ze deden alsof ze schrokken en zagen rook opstijgen van uit de Wolfsschanze. Von Haeften reed met een geleende auto naar de bunker waar Von Stauffenberg samen met Fellgiebel stond te wachten. Von Stauffenberg stapte in en ze vertrokken direct. Ze moesten uit Rastenburg zijn, voordat het hele gebied werd afgegrendeld. Dan zou de staatsgreep zonder Von Stauffenberg moeten plaatsvinden of, in het ergste geval, niet kunnen doorgaan.
De auto reed op 50 meter langs de Wolfsschanze. Veiligheidsmensen renden over en weer. Er werden personen naar buiten gedragen, maar Von Stauffenberg kon niet zien of ze nog leefden. De Wolfsschanze zelf leek totaal verwoest en dus geloofde Von Stauffenberg er heilig in dat niemand de explosie had overleefd.

De staatsgreep[bewerken]

De eerste twee controleposten kon Von Stauffenberg moeiteloos passeren. Bij de derde werd de wagen echter staande gehouden door een Oberfeldwebel. Er was groot alarm geslagen; niemand mocht het terrein verlaten. Von Stauffenberg stapte uit, greep de telefoon uit het wachthuisje en belde de adjudant van de commandant van Rastenburg. Toevallig kende deze Von Stauffenberg van de lunch eerder die dag. Hij gaf Von Stauffenberg toestemming te passeren. De Oberfeldwebel wilde de orders zelf ook horen en deed vervolgens de slagboom omhoog. De auto reed met spoed naar het vliegveld. Onderweg demonteerde Von Haeften de tweede, ongebruikte bom en gooide hij de onderdelen uit de auto. Omstreeks 13:15 uur steeg de Heinkel He 111 met Von Stauffenberg en Von Haeften op, terug naar Berlijn. Von Stauffenberg had geen officiële bevestiging van Hitlers dood, maar twijfelde hier geen moment aan. De Führer kon de explosie nooit hebben overleefd. De staatsgreep was begonnen.

Wat Von Stauffenberg niet wist was dat een officier, Heinz Brand, nota bene een sympathisant van het verzet, zich gestoten had aan de tas. Hij had deze daardoor iets verder naar achter gezet. De tas stond nu achter één van de dikke tafelpoten. Deze tafelpoot heeft Adolf Hitler grotendeels beschermd tegen de kracht van de explosie. Oberst Brand, Günther Korten (Generaal 'der Flieger'), Heinrich Berger (stenograaf) en Rudolf Schmund (Generaal-luitenant) overleden allen later aan hun verwondingen. Negen anderen werden zwaargewond in het ziekenhuis opgenomen en de rest raakte lichtgewond.
Hitlers haar was geschroeid, zijn rechterarm was tijdelijk verlamd, zijn rechterbeen was lelijk verbrand, zijn trommelvliezen waren gescheurd en hij was totaal versuft. De trillingen waaraan hij leed, een symptoom van zijn zenuwaandoening, werden nog ernstiger. Verder had hij enkele brandwonden en een gescheurde broek. Zijn eerste reactie was woede, omdat zijn nieuwe broek vernield was. Zijn tweede reactie was de SD bevel te geven alle verbindingen met de buitenwereld te verbreken; niemand mocht weten wat er gebeurd was.

Vlak nadat Von Stauffenberg vertrokken was, liep Fellgiebel naar de kaartenbarak. Hij stond stomverbaasd toen hij Hitler, ondersteund door Keitel, naar buiten zag komen. Fellgiebel wist dat Von Stauffenberg ervan overtuigd was dat Hitler dood was en belde snel naar Berlijn om te melden dat de aanslag was mislukt. Hij zei het volgende: "Er is iets vreselijks gebeurd: de Führer leeft!" Deze vage melding verschafte in Berlijn geen duidelijkheid. Fellgiebel kwam na het telefoontje tot de ontdekking dat de hele verbindingsdienst al onder bevel van de SS stond. Stieff, die bij hem was, was van mening dat een staatsgreep geen optie meer was en dat de samenzweerders zichzelf maar moesten proberen te redden.

Ondertussen had Hitler zijn rechterhand Himmler laten komen en hem belast met het onderzoek naar de explosie. Diens hoofdkwartier was vlakbij, dus was Himmler snel ter plaatse en kon het onderzoek al snel beginnen. Na een korte tijd was al duidelijk geworden dat de bom niet was afgeworpen door een bommenwerper, zoals aanvankelijk even werd gedacht, maar dat Von Stauffenberg erachter zat, de man die overhaast was vertrokken. Hitler liet intussen het bezoek van de Italiaanse dictator Mussolini gewoon doorgaan.

In de loop van de morgen ging de jurist Hans Bernd Gisevius, ook een samenzweerder, naar het kantoor van Wolf-Heinrich Graaf von Helldorf. Zij konden de onzekerheid niet langer verdragen en belden SS-Brigadeführer Arthur Nebe, een sympathisant van de samenzweerders, op. Hij was te weten gekomen dat er een explosie in de Wolfsschanze had plaatsgevonden en dat Himmler een onderzoek had laten instellen. Hij sprak met Gisevius af elkaar ergens te treffen om ongestoord te kunnen praten. Ze vergisten zich echter in de plaats van samenkomst en zaten zodoende elk op een andere plaats op elkaar te wachten.
Op het Ministerie van Oorlog verstreek de middag zonder bericht uit de Wolfsschanze. Von Stauffenberg zou pas laat in de middag arriveren en er was nog steeds geen telefoontje geweest van Fellgiebel. De enige persoon in Berlijn die wist van de explosie was Joseph Goebbels. Hij was de enige hoge nazi in Berlijn en hoorde rond 13:00 uur van de explosie, maar ook hij wist niet of Hitler het had overleefd.

Pas om 15:30 uur waren de verbindingen voor een klein deel hersteld. Generaal-Luitenant Fritz Thiele, hoofd van Olbrichts verbindingsdienst, kreeg een vaag verhaal te horen vanuit Rastenburg. Uit het verhaal bleek dat er een aanslag op Hitler was gepleegd. In het bericht werd niet gezegd of Hitler de aanslag had overleefd. Thiele spoedde zich naar Olbricht. Olbricht stond voor een zeer zware beslissing. Von Stauffenberg werd pas rond kwart voor vijf op vliegveld Rangsdorf terug verwacht. Hij kon zekerheid geven, maar het zou voor de staatsgreep noodlottig zijn, als het zou worden uitgesteld. De strijdkrachten die Hitler steunden mochten geen gelegenheid krijgen tegenmaatregelen te nemen. Olbricht had, vanwege de afwezigheid van Von Stauffenberg en von Tresckow, alleen generaal Erich Hoepner en kolonel Albrecht von Quirnheim om hem advies te geven, maar de eerste was besluiteloos en zenuwachtig. Maar Von Quirnheim drong aan op het doorgeven van de orders.
Om kwart voor vier kwam Olbricht tot de conclusie dat er een besluit moest worden genomen. Zonder met zijn compagnon Fromm te overleggen, besloot hij de orders voor operatie Walküre te geven. Vijf minuten later gingen de orders naar alle onderdelen van het Ersatzheer.

Veel eerder dan verwacht, namelijk om vier uur, landde Von Stauffenberg samen met Von Haeften op het vliegveld te Rangsdorf. De vervroegde landing had als reden dat een vergadering eerder plaatsvond dan was gepland. Er stond geen auto paraat zoals afgesproken en ongerust belde Von Stauffenberg het ministerie op. Hij hoorde dat de orders voor operatie Walküre pas net waren gegeven. Hij zei geschrokken: "Maar Hitler is dood!" Met een snel geregelde auto reed hij zo snel mogelijk naar het Ministerie van Oorlog in de Bendlerstraße.

Nadat Olbricht de stem van Von Stauffenberg had gehoord, had hij de moed gekregen om Friedrich Fromm met de situatie te confronteren. Olbricht vroeg toestemming van Fromm om de orders voor operatie Walküre uit te laten gaan naar alle onderdelen van het Ersatzheer, hoewel dat al gebeurd was zonder medeweten van Fromm. Fromm wilde echter eerst een bevestiging van Hitlers dood hebben. Keitel werd opgebeld en deze zei dat Hitler de aanslag had overleefd. Fromm zei tegen Olbricht dat het geven van de orders voor operatie Walküre totaal zinloos was. Olbricht begreep er niets van en nam aan dat Keitel over de situatie had gelogen. De staatsgreep moest hoe dan ook doorgaan. Von Witzleben en Ludwig Beck, die ieder ogenblik konden arriveren, moesten Fromm maar voor hun rekening nemen.
Beck arriveerde al snel en vlak daarna kwam Von Stauffenberg met Von Haeften binnen. Von Witzleben was nog niet gearriveerd. Ook waren inmiddels al enkele andere officieren aangekomen, waaronder Gisevius en graaf Von Helldorf. De spanning nam toe en men ging langzamerhand het plan uitwerken. Zo belde Von Stauffenberg met zijn neef in Parijs, Caesar von Hofacker, die Karl-Heinrich von Stülpnagel mededeelde dat Hitler dood was en hij stappen kon ondernemen tegen de SS en de Gestapo. Beck twijfelde aan de bewering die Wilhelm Keitel deed. Hij had vage vermoedens dat hij wel eens gelijk zou hebben. Echter zei Von Stauffenberg dat het onmogelijk was om het te overleven. Hij zei het volgende: "Het was alsof een 15 cm granaat ingeslagen was. Het is onmogelijk dat er iemand levend uit gekomen is."

Von Stauffenberg had echter geen verklaring voor het feit dat Keitel nog in leven was. Er werd besloten om te handelen alsof Adolf Hitler verleden tijd was. Er moest wel nog het een en ander gebeuren. Gisevius vond het een slechte zaak dat de radiostations nog steeds niet bezet waren. Bovendien was hij geen voorstander van het feit dat Fromm zou worden doodgeschoten als hij hen niet zou steunen. Von Stauffenberg wilde niets van zijn mening weten en om vijf uur gingen alle samenzweerders naar Fromm. Deze was woedend toen hij hoorde dat Von Stauffenberg de aanslag had gepleegd. Hij zei dat Von Stauffenberg het beste zelfmoord kon plegen. Toen deze weigerde, zei Fromm dat hij alle samenzweerders zou laten arresteren. Olbricht besloot dat Fromm moest worden opgesloten op het kantoor. Het opperbevel over het Ersatzheer ging naar hun compagnon Hoepner.

In Rastenburg, nabij de Wolfsschanze, waren enkele hoge nazi’s hun steun komen betuigen aan Hitler. Zo waren Himmler, Hermann Göring, Dönitz en Von Ribbentrop naar Rastenburg gevlogen. Joseph Goebbels was in Berlijn achter gebleven om nog enkele belangrijke zaken te regelen.

Ondertussen had Heinrich Himmler het bevel gegeven om Von Stauffenberg op het vliegveld Rangsdorf te arresteren. Hij was van mening dat de aanslag het werk was geweest van een enkele krankzinnige officier. De auto, die met de arrestatie belast was, passeerde de auto van Von Stauffenberg, die op weg was naar de Bendlerstraße (het Ministerie van Oorlog). Ook was er na enig onderzoek duidelijk geworden dat de Walküre-orders waren uitgegaan, waardoor duidelijk was geworden dat de aanslag niet het werk was van één persoon. De nazi-top dacht dat Fromm, als opperbevelhebber van het Ersatzheer, waarschijnlijk betrokken was bij de staatsgreep. Daarom werd Himmler door Hitler benoemd tot de nieuwe opperbevelhebber van het Ersatzheer. Himmler vertrok direct naar Berlijn.

Rond half zes begonnen er telefoontjes binnen te komen op het Ministerie van Oorlog. Ze kwamen uit alle hoeken van het Derde Rijk. Von Stauffenberg, Olbricht en Beck konden de hoeveelheid telefoontjes bijna niet beantwoorden. Von Stülpnagel was gearriveerd en Beck had een gesprek met hem. Deze verzekerde hem dat de samenzweerders op zijn steun konden rekenen. Enkele minuten na het gesprek arriveerde Piffräder met twee SS’ers op het Ministerie van Oorlog. Het had hem geen moeite gekost binnen te komen. Hij meldde dat hij Von Stauffenberg wilde spreken. Von Stauffenberg wist wat hij van plan was en ze namen Piffräder gevangen.

Gedenksteen met de namen van de aanslagplegers

Ondertussen werd Gisevius ongeruster, doordat de eenheden die het regeringscentrum moesten afsluiten nog steeds niet waren gearriveerd. Ook waren de radiostations nog niet bezet en de hoge nazi’s in Berlijn nog niet gevangengenomen of vermoord. Pas tegen zessen kwamen de “Walküre-eenheden” op de Bendlerstraße aan. Deze ‘eenheden’ bestonden onder andere, naast eenheden van verschillende scholen, uit het “Wachtbatajon Großdeutschland” onder leiding van Majoor Otto-Ernst Remer. Remers commandant was Paul von Hase, de stadscommandant van Berlijn en mede-samenzweerder. Remer was echter een fanatieke nazi. Troepen waren er genoeg, maar niemand kreeg opdracht de radiostations te bezetten. De hele bezetting van Berlijn werd slecht en ongecoördineerd uitgevoerd. Mede-samenzweerder Von Helldorf, commandant van de politie, deed samen met zijn politie-eenheden ondertussen niets. De samenzweerders hadden besloten dat de staatsgreep een leger-aangelegenheid moest zijn. Von Stauffenberg en Olbricht hadden het veel te druk met andere zaken. Ze konden zich dus niet op de zaken concentreren die, buiten hun weten om, helemaal verkeerd gingen.
Door de slechte coördinatie kreeg de fanatieke nazi Remer de opdracht om topnazi Goebbels te arresteren. Hitler had rond vijf uur naar Goebbels gebeld en hem gemeld dat er in Berlijn een staatsgreep zou worden gepleegd. Ook gaf hij hem opdracht een radiobericht te maken om een einde te maken aan de geruchten dat Hitler dood zou zijn. Goebbels deed dit samen met Albert Speer, die hem vertelde dat in de straat waar hij woonde troepen bij elkaar waren gekomen. Intussen kwam luitenant Hans Hagen binnen. Deze was ook een van de samenzweerders. Hij stelde Goebbels voor om Remer te vervangen. Aangezien Remer trouw aan Hitler was, moest hij uit zijn functie worden ontheven. Na lang discussiëren stemde Goebbels toe en Hagen ging Remer zoeken. Von Hase, die bij nader inzien Remer toch niet vertrouwde, had het bevel dat hij Goebbels moest arresteren herroepen. Hagen had Remer gevonden en hem ervan overtuigd von Hases bevelen te negeren en met Goebbels te gaan praten.
Om 18:45 werd het bericht dat Goebbels en Speer hadden opgesteld eindelijk verzonden. Het bericht, waarin stond dat Hitler nog leefde en slechts lichte verwondingen had, werd over heel Europa verspreid. Toen Günther von Kluge, die de staatsgreep nog niet steunde, via de telefoon door Beck werd overgehaald, kwam het bericht op de radio. Beck bekende dat de situatie in Rastenburg onzeker was, maar dat ze bijna zeker wisten dat Hitler het niet had overleefd. Von Kluge, die geen risico wilde nemen, gaf te kennen dat hij de situatie eerst met zijn officieren wilde bespreken. Beck kende von Kluge echter goed genoeg om te weten, dat hij voor de zaak van het verzet verloren was.

In de Bendlerstraße had men het radiobericht ook gehoord. Daardoor groeide hun ongerustheid en naar alle instanties waarmee ze in contact stonden, werd het volgende bericht verzonden: “Het door de radio uitgegeven communiqué is onjuist. De Führer is dood. De maatregelen die bevolen zijn, moeten zo snel mogelijk worden uitgevoerd." De telefoons in de Bendlerstraße bleven nu onophoudelijk gaan en hielden Beck, Olbricht en Von Stauffenberg voortdurend bezig. De samenzweerders moesten te veel dingen uitleggen. Het was duidelijk dat, wat er ook met Hitler gebeurd was, de nazi's de leiding nog stevig in handen hadden.
Om half acht arriveerde Von Witzleben eindelijk op het Ministerie van Oorlog. Hij was erg slecht gehumeurd. Iedereen ging staan, maar Von Witzleben sprak alleen maar met Beck, die als enige als nieuw staatshoofd hoger in rang was. De beschermingseenheden begonnen uit de straten te verdwijnen toen duidelijk werd dat Hitler de aanslag had overleefd.

Ondertussen was Remer bij Goebbels gearriveerd. Goebbels vroeg hem of hij nog trouw was aan Hitler. Remer antwoordde zonder te aarzelen bevestigend. Nadat Remer zijn woord had gegeven liet Goebbels hem bellen met Hitler. Hitler stelde Remer direct onder zijn bevel en promoveerde Remer tot Oberst. In afwachting van de komst van Himmler, lag de veiligheid van Berlijn tot die tijd in de handen van Remer. Deze haastte zich weg om een aanval voor te bereiden met enkele eenheden.
Von Kluge was ondertussen bezorgd over wat hij zich op de hals had gehaald. De ‘gevaarlijke’ telefoontjes met de samenzweerders zaten hem dwars. Von Stülpnagel was samen met onder andere von Hofacker onderweg naar von Kluge om hem over te halen de maatregelen die in Parijs zonder zijn medeweten genomen waren, te bekrachtigen. Von Hofacker vertelde over het belang van de actie in Frankrijk en de macht van von Kluge. Von Kluge zei: “Heren, de zaak is misgegaan”. Ook von Stülpnagel wist nu dat von Kluge voor de zaak van het verzet verloren was gegaan. Pas na het gesprek werd von Kluge op de hoogte gesteld van het feit dat von Stülpnagel op eigen initiatief de SS- en Gestapo-officieren had laten arresteren. Von Kluge was woedend en eiste de mannen vrij te laten. Nadat hij weer kalm was geworden deelde hij mee dat von Stülpnagel vanaf nu was geschorst en dat hij maar beter weg kon gaan.

Het einde[bewerken]

In de Bendlerstraße was men intussen wanhopig geworden. Ondertussen was ook nog eens duidelijk geworden dat Hitler het volk de volgende dag zou toespreken. Daarnaast was duidelijk geworden dat de beschermingstroepen weg waren en dat ze zichzelf moesten gaan verdedigen. De officieren uit het Ministerie van Oorlog die tegenmaatregelen wilden nemen, hadden wapens naar binnen weten te smokkelen en besloten om Fromm te bevrijden. Ze vluchtten weg van de samenzweerders en hoopten, dat ze niet zouden worden gepakt en bestraft. Een paar minuten voor 11 uur lanceerden aanhangers van Hitler een aanval op de kantoren van de samenzweerders. Ze gingen eerst naar Olbricht en beschuldigden hem ervan dat er dingen gebeurden die tegen Hitler waren gericht. Ze wilden Fromm spreken. Een secretaresse die dit allemaal had meegekregen, meldde Von Stauffenberg hoe de situatie was. Deze ging, samen met Von Haeften, naar Olbricht toe om hem te bevrijden. Toen ze echter bij het huis aankwamen, werden ze ontvangen door een regen van kogels. Von Stauffenberg werd in zijn linkerarm geraakt en bloedde hevig. Er ontstond een vuurgevecht tussen het verzet en de aanhangers van Hitler. Kort daarop werden ze overmeesterd en in de boeien geslagen. Niet lang daarna werd de aanval op de kantoren van de Bendlerstraße ingezet. In dit gebouw werd iedereen die ook maar enigszins verdacht was gearresteerd. Het gebouw werd in hoog tempo ontruimd.
Om 23:15 waren de leiders van de samenzweerders, Beck, Hoepner, Olbricht, von Haeften, ridder von Quirnheim en graaf von Stauffenberg, gearresteerd. De staatsgreep was mislukt.

De gevolgen voor de samenzweerders[bewerken]

De binnenplaats waar graaf Claus von Stauffenberg, Olbricht en de anderen werden geëxecuteerd.

Nadat de kopstukken van de samenzweerders waren gearresteerd, werden ze in snel tempo veroordeeld. Fromm, die om elf uur was bevrijd, moest na zijn bevrijding een korte krijgszitting houden. Hij moest bewijzen dat hij niets met de aanslag te maken had. Dit lukte hem in eerste instantie. Hij mocht later zelfs het executiepeloton samenstellen.
Nog voordat de samenzweerders werden veroordeeld, had Beck gevraagd of hij zelfmoord mocht plegen. Zijn eerste poging mislukte. Het bloed vloeide weliswaar uit zijn hoofd, maar hij was niet dood. Hij vroeg aan Fromm of hij nog een tweede poging mocht doen. Fromm gaf hiervoor toestemming. Becks tweede poging liep weer uit op een mislukking. Vlak voordat hij vuurde, trok hij zijn hoofd bij de loop vandaan. Fromm begon ongeduldig te worden en liet Beck in een kamer ernaast door een sergeant-majoor executeren.

Er werd een soort van ‘krijgszitting’ gehouden. Fromm functioneerde als 'rechter' en zou het lot van de verzetslieden bepalen. Hoepner was de eerste die aan de beurt was. Hij zei: “Ik kan mijn onschuld bewijzen. Mijn gedrag komt voort uit eervolle motieven. En het spijt me zeer….” Fromm 'veroordeelde' hem tot de dood en liet hem alvast afvoeren naar een cel. Nadat Hoepner was afgevoerd en veroordeeld was het de beurt aan Von Stauffenberg, von Haeften en Von Quirnheim. Fromm vroeg of zij een verklaring hadden en of ze hun onschuld konden bewijzen. Alle drie bleven ze echter zwijgend voor zich uit staren. Fromm zei: "Ik neem aan, dat jullie je geen illusies maken over je lot. Ik moet mijn plicht doen. Ik geef jullie nog enige minuten de tijd om afscheidsbrieven te schrijven." Nadat ze die brieven hadden geschreven, werden ze onder begeleiding van zes gewapende soldaten afgevoerd naar de cel, waar ook Hoepner zich bevond. Het is aannemelijk dat Fromm de samenzweerders zo snel mogelijk wilde executeren om zijn eigen betrokkenheid bij de coup te verbergen. Hier slaagde hij overigens niet in: toen hij Goebbels bezocht merkte deze schamper op dat hij 'wel erg veel haast had zijn getuigen onder de grond te stoppen'. Fromm werd ter plekke gearresteerd en zou uiteindelijk zelf nog voor het eind van de oorlog gefusilleerd worden.

Om 00:15 uur werden Von Stauffenberg, Olbricht, von Haeften en Mertz von Quirnheim voor een zandwal opgesteld. In het licht van de koplampen van een auto moesten ze in volgorde van hun rang worden doodgeschoten door het executiepeloton. Toen het peloton aanlegde om graaf Von Stauffenberg neer te schieten, wierp Von Haeften zich voor hem en ving zo de kogels voor hem op. Het executiepeloton richtte opnieuw en een moment voordat hij door de fatale schoten werd getroffen, riep de graaf iets naar zijn beulen. Te midden van de weergalmende echo’s van het lawaai waren zijn woorden niet goed te verstaan. Volgens sommigen riep hij: "Es lebe unser heiliges Deutschland!" ("Leve ons heilige Duitsland!"). Volgens anderen - en dat lijkt waarschijnlijker - verwezen Von Stauffenbergs laatste woorden naar zijn grote leermeester, de dichter Stefan George, en de titel van Georges gedicht over het Duitse verzet: "Es lebe unser geheimes Deutschland!" ("Leve ons geheime Duitsland!"). De lijken werden vervolgens op het oude St.-Matthäus-Kerkhof in Berlijn begraven, met de uniformen aan en met de onderscheidingen opgespeld. Himmler gaf de volgende dag echter opdracht de lijken weer op te graven en te cremeren. Hun as werd over de velden verstrooid.

Films en documentaires[bewerken]

Films[bewerken]

  • 1955 - Der 20. Juli (De 20e juli)
  • 1955 - Es geschah am 20. Juli (Het gebeurde op 20 juli)
  • 1990 - Stauffenberg, Verschwörung gegen Hitler (Stauffenberg, het complot tegen Hitler)
  • 2003 - Die Stunde der Offiziere (Het uur van de officieren)
  • 2004 - Stauffenberg
  • 2008 - Valkyrie

Documentaires[bewerken]

  • 2008 - 42 ways to Kill Hitler (Killing Hitler)
  • 2004 - Plotting to Kill Hitler (Samenzweren om Hitler te doden)
  • 2001 - Schokkend Wereldnieuws serie 7

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties

Referenties

  1. Hoek, K.A. van den, Tweede Wereldoorlog: Verraad en Verzet, Rotterdam, Lekturama, 1978, pag. 85