Karl Dönitz

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Karl Dönitz
Karl Dönitz.jpg
Rijkspresident van Duitsland
Ambtstermijn 30 april 1945 – 23 mei 1945
Voorganger Adolf Hitler
Opvolger (in 1949 in de Bondsrepubliek Duitsland: Theodor Heuss)
Geboren 16 september 1891
Overleden 24 december 1980
Portaal  Portaalicoon   Politiek

Karl Dönitz (Grünau, 16 september 1891 - Aumühle, 24 december 1980) was een Duitse marinecommandant tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hij startte zijn carrière in de Duitse Marine (Kaiserliche Marine, of "Keizerlijke Marine") vóór de Eerste Wereldoorlog. In 1918, toen hij het bevel had over de UB-68, werd de onderzeeboot tot zinken gebracht door Britse troepen en werd Dönitz gevangengenomen. Terwijl hij in een krijgsgevangenenkamp zat, formuleerde hij hetgeen hij later de Rudeltaktik noemde ("roedeltactiek"). Aan het begin van de Tweede Wereldoorlog was hij de officier over alle duikboten in de Duitse Marine. In januari 1943 behaalde Dönitz de rang van Großadmiral (grootadmiraal) en verving grootadmiraal Erich Raeder als opperbevelhebber van de Duitse Marine (Oberbefehlshaber der Kriegsmarine). Na de dood van Adolf Hitler en in overeenstemming met zijn laatste wil en testament, werd Dönitz benoemd tot Hitlers opvolger als Staatsoberhaupt (staatshoofd) met de titel van rijkspresident en opperbevelhebber van de strijdkrachten. Op 7 mei 1945 beval hij Alfred Jodl de Duitse overgave te tekenen in Reims, Frankrijk. Dönitz bleef aan het hoofd van de Flensburgregering, zoals het bekend kwam te staan, totdat het ontbonden werd door de geallieerden op 23 mei.

Inhoud

Jonge jaren [bewerken]

Dönitz volgde een opleiding bij de Kaiserliche Marine van het Duitse Keizerrijk en werd in 1910 adelborst. In de Eerste Wereldoorlog diende hij op verschillende onderzeeboten als officier. Tegen het einde van de oorlog was hij kapitein van een eigen onderzeeboot. Na de oorlog was hij net als vele andere Duitsers gefrustreerd door de verdwijning van het Duitse Keizerrijk en de in zijn ogen daardoor veroorzaakte chaos en onrust in het Duitsland van de Weimarrepubliek. Hij verlangde naar de herstelling van orde en rust en zocht een nieuwe 'sterke leider'. Hij werd tenslotte lid van de nazi-partij (NSDAP) omdat hij in Hitler de oplossing zag van Duitslands problemen, maar ook uit angst voor het communisme.[1]

Tweede Wereldoorlog [bewerken]

In 1939 kreeg hij het bevel over de onderzeeboten van de Duitse marine. Dönitz wist deze onderafdeling uit te bouwen tot het effectiefste wapen van de marine. Hij gold als een groot strateeg, die met zijn U-boten (onderzeeboten) de geallieerden in de Tweede Wereldoorlog grote verliezen wist toe te brengen. Op 30 januari 1943 werd hij tot opvolger benoemd van Erich Raeder (1876-1960), tot dan toe de bevelhebber van de Duitse Kriegsmarine. Dönitz had toen de handen vrij om de Kriegsmarine nog meer te oriënteren op het U-bootwapen, dat had bewezen effectiever te zijn dan de kostbare kruisers en slagschepen van Raeder. De U-boten hadden hun beste tijd echter al bijna achter de rug: in mei 1943 verbeterden de geallieerden hun U-bootbestrijding aanzienlijk; de verliezen liepen die maand zodanig op (waarbij de jongste zoon van Dönitz zelf om het leven kwam) dat de U-boten zelfs tijdelijk teruggetrokken werden van de Atlantische Oceaan. De U-boten zouden het nooit meer zo makkelijk hebben als voor mei 1943. In mei 1944 sneuvelde Dönitz' enige andere zoon, aan boord van een Schnellboot.

Dönitz en Hitler

Voordat Hitler op 30 april 1945 zelfmoord pleegde, benoemde hij Karl Dönitz in zijn politiek testament tot zijn opvolger. Dönitz werd door Hitler benoemd tot Rijkspresident en niet tot Führer omdat er volgens Hitler maar een Führer kon zijn in de Duitse geschiedenis. Dönitz zelf was zeer verbaasd over zijn opvolging, omdat hij gedacht had dat een topfiguur in de nazi-hiërarchie (bijvoorbeeld Heinrich Himmler) de Führer zou opvolgen. Op 1 mei 1945 nam de regering-Dönitz in Plön bij de Noord-Duitse stad Flensburg de leiding over. Deze regering werd ook wel de Flensburgregering genoemd. Dönitz begon zijn ambt als president met een radiotoespraak, waarin hij verklaarde dat hij de Duitse bevolking wou redden van de bolsjewistische vijand (de Sovjet-Unie) en dat daarom de oorlog voortgezet werd.

Hij zond een aanbod voor capitulatie naar de Britse veldmaarschalk Montgomery, maar wilde verder vechten tegen de Russen. Churchill weigerde dit echter en de geallieerden eisten een onvoorwaardelijke overgave van Duitsland. Dönitz ging ermee akkoord, omdat de geallieerden dreigden met nieuwe bombardementen op Duitse steden en op 7 mei 1945 gaf Duitsland zich over. Op 9 mei werd nogmaals een capitulatie ondertekend, nu in bijzijn van de Russen. Dönitz en zijn regering (waar onder anderen generaal Alfred Jodl en minister Albert Speer deel van uitmaakten) werden niet meteen gearresteerd.

Toen Dönitz bericht kreeg over de concentratie- en vernietigingskampen, wilde hij dat er onmiddellijk een onderzoek naar de misdaden zou worden ingesteld. Zover kwam het niet meer, omdat de regering-Dönitz op 23 mei alsnog werd gearresteerd.

Dönitz na zijn arrestatie

Proces van Neurenberg [bewerken]

Karl Dönitz stond terecht tijdens het Proces van Neurenberg waar hij schuldig werd bevonden aan het plegen van misdaden tegen de vrede en het plegen van oorlogsmisdrijven. In de gevangenis legde hij een IQ-test af (net als alle andere gevangenen), waarop hij 138 scoorde, wat hem onder de gedetineerden een gedeelde derde plaats met Göring opleverde.

Dönitz' veroordeling was interessant omdat Dönitz werd gezien als een 'soldaat die slechts zijn plicht deed'. Dönitz' uiteindelijke veroordeling tot 10 jaar gevangenisstraf werd door sommigen (inclusief hemzelf) gezien als 'overwinnaarsjustitie'. De ware reden zou wraakneming zijn geweest, omdat hij het de geallieerden met zijn onderzeewapen zo moeilijk had gemaakt.

Hoe dan ook, hij werd aangeklaagd op punt 1 (misdaden tegen de vrede), 2 (oorlogsmisdaden) en 3 (misdaden tegen de menselijkheid) van de aanklacht wegens:

  • De onbeperkte duikbootoorlog en het Laconia-bevel (zie hieronder);
  • In functie blijven nadat Hitler, woedend over schade toegebracht door Britse commando's, het bevel had uitgevaardigd dat iedere geallieerde commando aangetroffen in bezet gebied moest worden gedood, ook wanneer hij in uniform was of zich overgaf. Dönitz bracht hier tegenin dat dit niet de marine betrof en dat de marine zich ook nooit schuldig aan deze oorlogsmisdaden had gemaakt.
  • Het feit dat 12 000 buitenlandse dwangarbeiders in de scheepswerven werkten en Dönitz hier niets tegen deed.
  • Toen Hitler Dönitz vroeg of de Geneefse Conventie verworpen kon worden om zo geallieerde krijgsgevangenen te kunnen straffen en Duitse soldaten te weerhouden zich over te geven, had Dönitz moeten antwoorden dat de Geneefse Conventie altijd zou moeten worden nageleefd. In plaats daarvan zei hij dat het op dit moment beter was zich aan de Conventie te houden waarmee hij suggereerde dat de Conventie wellicht later toch verworpen kon worden. Omdat Duitsland dit echter nooit gedaan had en Dönitz zich zelf jegens krijgsgevangenen aan de Conventie hield, woog dit punt niet zwaar mee.

Tijdens dit proces kwam het zogenaamde Laconia-bevel uit 1942 aan de orde. U-bootbemanningen werd toen opgedragen niet langer overlevenden van vernietigde schepen te redden nadat een U-boot bij een dergelijke reddingsactie was aangevallen (het Laconia-incident). Dit Laconia-bevel werd niet meegewogen bij het rechterlijk oordeel, mede omdat de geallieerden ook geen overlevenden van hun aanvallen meer redden. Toch bleef er voldoende over.

Dönitz werd veroordeeld tot tien jaar opsluiting, welke straf hij tot 1 oktober 1956 in de Berlijnse Spandaugevangenis uitzat.

Na zijn ontslag uit de gevangenis trachtte hij het beeld van de 'onpolitieke soldaat' uit te dragen, die voor de misdaden van het naziregime geen verantwoordelijkheid had. Hij zou onder andere niets hebben geweten van de Holocaust. In 1968 publiceerde hij zijn autobiografie, Mein wechselvolles Leben, waarin hij zichzelf beschrijft als een militair die zich van het nationaalsocialisme distantieerde. Gedocumenteerde antisemitische uitlatingen en lofprijzingen op Hitler, door Dönitz gedaan tijdens de oorlog, spreken dit door hem geconstrueerde beeld echter enigszins tegen.

Karl Dönitz overleed op 89-jarige leeftijd.

Werken [bewerken]

  • Die Fahrten der "Breslau" im Schwarzen Meer (1917)
  • Die Kreuzerfahrten der Goeben und Breslau (samen met Theodor Krauss; 1933)
  • Die U-Bootswaffe (1939)
  • Feind im Fadenkreuz. U-Boot auf Jagd im Atlantik (door Werner Hartmann en Gerhart Weise met voorwoord van Dönitz, 1942)
  • Zehn Jahre und zwanzig Tage (1958)
  • Angriff, ran, versenken. Die U-Boot-Schlacht im Atlantik (door Karl Alman, met voorwoord van Dönitz, 1965)
  • Mein wechselvolles Leben (1968)
  • Deutsche Strategie zur See im Zweiten Weltkrieg. Die Antworten des Großadmirals auf 40 Fragen (1970)

Noten [bewerken]

  1. L. Goldensohn - ed. anot. R. Gellately, The Nuremberg Interviews: Conversations with the Defendants and Witnesses, New York, 2004, p. 11.

Referenties [bewerken]

  • L. Goldensohn - ed. anot. R. Gellately, The Nuremberg Interviews: Conversations with the Defendants and Witnesses, New York, 2004
Wikiquote Wikiquote heeft een collectie Engelse citaten gerelateerd aan: Karl Dönitz