Karl Dönitz

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Karl Dönitz
Karl Dönitz.jpg
Bijnaam "Der Löwe" (De Leeuw)
Geboren 16 september 1891
Berlin-Grünau, Duitse Keizerrijk
Overleden 24 december 1980
Aumühle, West-Duitsland
Land/partij Flag of the German Empire.svg Duitse Keizerrijk
Flag of Germany (3-2 aspect ratio).svg Weimarrepubliek
Flag of German Reich (1935–1945).svg nazi-Duitsland
Flag of German Reich (1935–1945).svg Flensburgregering
Onderdeel Flag of German Empire (jack 1903).svg Kaiserliche Marine
Flag of Weimar Republic (jack).svg Reichsmarine
War Ensign of Germany 1938-1945.svg Kriegsmarine
War Ensign of Germany 1938-1945.svg Flensburgregering
Dienstjaren 1910 - 1945
Rang GE-NAVY-OF-10 GAdm.svg Kriegsmarine Grossadmiral OF10.gif Großadmiralflagge 1939-1945.svg Großadmiral
Eenheid Kriegsmarine
Leiding over SM UC 25
SM UB 68
Torpedoboot
Emden (kruiser)
1. Unterseebootsflottille
Führer der U-Boote
Befehlshaber der U-Boote
Oberkommando der Kriegsmarine
Opperbevelhebber der Kriegsmarine
Opperbevelhebber der Wehrmacht
Rijkspresident
Slagen/oorlogen Eerste Wereldoorlog

Tweede Wereldoorlog

Onderscheidingen Ridderkruis met Eikenloof

Karl Dönitz (Grünau, 16 september 1891 - Aumühle, 24 december 1980) was een Duitse marinecommandant en admiraal tijdens de Tweede Wereldoorlog, volgeling van Hitler, en laatste staatshoofd van nazi-Duitsland. Zijn naam is verbonden met de onbeperkte duikbotenoorlog.

Dönitz begon zijn carrière vóór de Eerste Wereldoorlog in de Duitse oorlogsvloot (Kaiserliche Marine, of "Keizerlijke Marine"). In 1918 werd de onderzeeboot waarover hij het bevel voerde tot zinken gebracht door de Britten en werd Dönitz gevangengenomen. Terwijl hij in een krijgsgevangenenkamp zat, formuleerde hij zijn zogenaamde 'roedeltactiek', d.w.z. het belagen van een in konvooi varend schip door meerdere duikboten tegelijk. Aan het begin van de Tweede Wereldoorlog voerde hij het bevel over alle duikboten van de Duitse vloot. In januari 1943 verkreeg Dönitz de rang van Großadmiral (grootadmiraal) en volgde hij grootadmiraal Erich Raeder op als opperbevelhebber van de Duitse oorlogsvloot (Oberbefehlshaber der Kriegsmarine). Na de zelfmoord van Adolf Hitler en in overeenstemming met diens testament werd Dönitz het nieuwe staatshoofd, met de titel van rijkspresident, en tevens de opperbevelhebber van de strijdkrachten. Op 7 mei 1945 gaf hij Alfred Jodl opdracht de Duitse overgave te tekenen in Reims. Dönitz bleef ruim twee weken in functie, totdat de geallieerden op 23 mei 1945 het gezag in Duitsland overnamen en een einde maakten aan de laatste nazistische regering (de zg. 'Flensburgregering'). Het zojuist aangetreden staatshoofd werd samen met zijn ministers gearresteerd en moest in Neurenberg terechtstaan.

Eerste Wereldoorlog en Weimar-republiek[bewerken]

Dönitz volgde een opleiding bij de Kaiserliche Marine van het Duitse Keizerrijk en werd in 1910 adelborst. In de Eerste Wereldoorlog diende hij op verschillende onderzeeboten als officier; tegen het einde van de oorlog was hij duikbootkapitein. Net als vele andere Duitsers kon hij de verdwijning van het Duitse Keizerrijk niet verkroppen. De politieke chaos en communistische agitatie in het Duitsland van de Weimarrepubliek deden hem uitzien naar een sterke man. Hij werd lid van de nazi-partij (NSDAP) en volgeling van Hitler.[1]

Bevelhebber over de duikboten[bewerken]

In 1939 kreeg Dönitz het bevel over de onderzeeboten van de Duitse marine. Dönitz wist deze onderafdeling uit te bouwen tot het effectiefste wapen van de marine. Hij gold als een groot strateeg, die met zijn U-boten (onderzeeboten) de geallieerden in de Tweede Wereldoorlog grote verliezen wist toe te brengen. Op 30 januari 1943 werd hij tot opvolger benoemd van Erich Raeder (1876-1960), tot dan toe de bevelhebber van de Duitse Kriegsmarine. Dönitz had nu de handen vrij om de Kriegsmarine nog meer te richten op het U-bootwapen, dat had bewezen effectiever te zijn dan de kostbare kruisers en slagschepen van Raeder. Niettemin hadden ook de U-boten hun beste tijd bijna achter de rug. In mei 1943 hadden de geallieerden hun U-bootbestrijding dermate verbeterd, dat de Duitse verliezen drastisch stegen en de duikboten tijdelijk teruggetrokken moesten worden van de Atlantische Oceaan. In deze zelfde maand sneuvelde Dönitz' jongste zoon, een jaar later ook zijn overgebleven zoon. Ondanks verhoogde duikbotenproductie en een kamikaze-achtige oorlogsvoering, werd het Duitse zeeoverwicht niet meer herwonnen.

Dönitz en Hitler

Opvolger van Hitler[bewerken]

Voordat Hitler op 30 april 1945 zelfmoord pleegde, benoemde hij in zijn zg. 'politiek testament' zijn trouwe volgeling Dönitz tot opvolger. Dönitz werd Rijkspresident en geen Führer, omdat Hitler's rol uitzonderlijk en onherhaalbaar was. Dönitz zelf had overigens een andere opvolger verwacht. Op 1 mei 1945 trad de regering-Dönitz aan in het Noord-Duitse Plön; vanaf 3 mei hield men verblijf in het nabijgelegen Flensburg (vandaar 'Flensburgregering'). Dönitz begon zijn ambt als president met een radiotoespraak, waarin hij verklaarde dat hij de Duitse bevolking wou redden van de bolsjewistische vijand (de Sovjet-Unie) en dat daarom de oorlog voortgezet werd. Toen hij dus een aanbod voor capitulatie naar de Britse veldmaarschalk Montgomery zond, wilde hij verder vechten tegen de Russen. Churchill weigerde dit echter en de geallieerden eisten een onvoorwaardelijke overgave. Dönitz zwichtte, omdat de geallieerden dreigden met nieuwe bombardementen op Duitse steden. Op 7 mei 1945 gaf Duitsland zich over; op 9 mei werd nogmaals een capitulatie ondertekend, nu in bijzijn van de Russen. Dönitz en zijn regering (waar onder anderen generaal Alfred Jodl en minister Albert Speer deel van uitmaakten) mochten nog even doorvergaderen, tot ze op 23 mei werden gearresteerd..

Dönitz na zijn arrestatie

Berechting in Neurenberg[bewerken]

Karl Dönitz stond terecht tijdens het Proces van Neurenberg. Hij werd aangeklaagd op drie punten: ten eerste, misdaden tegen de vrede; ten tweede, oorlogsmisdaden; ten derde, misdaden tegen de menselijkheid.

De volgende feiten speelden hierin de hoofdrol:

  • De onbeperkte duikbootoorlog.
  • Het in functie blijven nadat Hitler, woedend over schade toegebracht door Britse commando's, het bevel had uitgevaardigd dat iedere geallieerde commando, aangetroffen in bezet gebied, moest worden gedood, ook wanneer hij in uniform was of zich overgaf. (Dönitz bracht hier tegenin dat dit niet de marine betrof en dat de marine zich ook nooit schuldig aan deze oorlogsmisdaden had gemaakt.)
  • Het feit dat 12.000 buitenlandse dwangarbeiders in de scheepswerven werkten en Dönitz hier niets tegen deed.

Enkele andere belastende feiten speelden een geringere rol in de uiteindelijke afweging:

  • Toen Hitler Dönitz vroeg of de Geneefse Conventie niet verworpen kon worden om zo geallieerde krijgsgevangenen te kunnen straffen en Duitse soldaten te weerhouden zich over te geven, tekende Dönitz geen principieel bezwaar aan. Omdat aan Hitlers suggestie tenslotte geen uitvoering werd gegeven en Dönitz zich zelf jegens krijgsgevangenen aan de Conventie hield, woog dit punt niet zwaar mee.
  • Het zogenaamde Laconia-bevel. In 1942 werd U-bootbemanningen opgedragen niet langer overlevenden van vernietigde schepen te redden, nadat eerder een U-boot bij een dergelijke reddingsactie was aangevallen (het Laconia-incident). Dit bevel werd niet meegewogen bij het rechterlijk oordeel, mede omdat de geallieerden ook geen overlevenden van hun aanvallen meer redden.

Dönitz werd tenslotte schuldig bevonden aan het plegen van misdaden tegen de vrede en het plegen van oorlogsmisdrijven en vrijgesproken van misdaden tegen de menselijkheid. Hij werd veroordeeld tot tien jaar opsluiting, welke straf hij tot 1 oktober 1956 in de Berlijnse Spandaugevangenis uitzat. De veroordeling schiep een belangrijk precedent, omdat de gewezen admiraal door velen werd gezien als een 'soldaat die slechts zijn plicht deed', net als zijn geallieerde collega's. Dönitz meende zelf het slachtoffer te zijn van 'overwinnaarsjustitie', een begrip dat toentertijd algemeen was in Duitsland.

Leven na de vrijlating[bewerken]

Na zijn ontslag uit de gevangenis trachtte Dönitz het beeld van de 'onpolitieke soldaat' uit te dragen, die voor de misdaden van het naziregime geen verantwoordelijkheid had. Hij zou onder andere niets hebben geweten van de massamoorden op de Joden en van de toestanden in de concentratiekampen. Toen Dönitz als kersverse president berichten ontving over misdaden in de kampen, wilde hij dat er onmiddellijk een onderzoek zou worden ingesteld - naar individuele overtreders, niet naar de organisatoren van de kampen.

In 1968 publiceerde hij zijn autobiografie, Mein wechselvolles Leben, waarin hij zichzelf beschrijft als een militair die zich van het nationaalsocialisme distantieerde. Gedocumenteerde antisemitische uitlatingen en lofprijzingen op Hitler, door Dönitz gedaan tijdens de oorlog, spreken dit door hem geconstrueerde beeld echter tegen.

Karl Dönitz overleed op 89-jarige leeftijd.

Militaire loopbaan[bewerken]

Decoraties[bewerken]

Publicaties van Dönitz[bewerken]

  • Die Fahrten der "Breslau" im Schwarzen Meer (1917)
  • Die Kreuzerfahrten der Goeben und Breslau (samen met Theodor Krauss; 1933)
  • Die U-Bootswaffe (1939)
  • Feind im Fadenkreuz. U-Boot auf Jagd im Atlantik (door Werner Hartmann en Gerhart Weise met voorwoord van Dönitz, 1942)
  • Zehn Jahre und zwanzig Tage (1958)
  • Angriff, ran, versenken. Die U-Boot-Schlacht im Atlantik (door Karl Alman, met voorwoord van Dönitz, 1965)
  • Mein wechselvolles Leben (1968)
  • Deutsche Strategie zur See im Zweiten Weltkrieg. Die Antworten des Großadmirals auf 40 Fragen (1970)
Bronnen, noten en/of referenties
  1. L. Goldensohn - ed. anot. R. Gellately, The Nuremberg Interviews: Conversations with the Defendants and Witnesses, New York, 2004, p. 11.
  2. a b c d e f g h i j k l m n http://www.geocities.com/~orion47/


Wikiquote Wikiquote heeft een collectie Engelse citaten gerelateerd aan: Karl Dönitz