Kriegsmarine

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Kriegsmarine Vlag 1933-35
Kriegsmarine Vlag 1935-45

De Kriegsmarine was de Duitse naam voor de Duitse zeemacht van 1935 tot 1945. De marine heette sinds het einde van de Eerste Wereldoorlog Reichsmarine, de opvolger van de in 1898 door Alfred von Tirpitz opgerichte Kaiserliche Marine. Hij bleef opperbevelhebber tot 1918.

Tussen 1918 en 1933 werd de Reichsmarine ontbonden en van praktisch al haar grotere oorlogsschepen ontdaan. De Reichsmarine mocht tijdens deze periode alleen een kustwacht-functie vervullen. Weliswaar behield Duitsland enkele slagschepen van voor het Dreadnought - tijdperk, enkele monitors en een klein aantal torpedojagers, waarmee het maar net deze functie kon vervullen. U-boten en aanverwante schepen werden zonder meer verboden. Ook mocht de marine niet meer dan 100.000 man tellen.

Toen Adolf Hitler in 1933 aan de macht kwam werd de Kriegsmarine weer opgebouwd en werd admiraal Erich Raeder de nieuwe opperbevelhebber. Na diens ontslag, begin 1943, werd Karl Dönitz bevelhebber. De Kriegsmarine was tijdens deze periodes een van de onderdelen van de Wehrmacht. In die periode groeide de marine weer uit tot een geduchte zeemacht.

Voor de Eerste Wereldoorlog[bewerken]

Duitsland had voor 1900, in tegenstelling tot omringende Europese landen nauwelijks een marine. Hiervoor waren twee redenen. Duitsland had bijna geen koloniën waardoor het ook geen marine nodig had om de aanvoerroutes te beschermen. Een tweede reden was dat Duitsland honderden jaren lang opgedeeld was in allerlei koninkrijkjes, waarvan er slechts een paar aan de kust lagen en die waren te klein om een echte marine op te kunnen bouwen.

Toen Otto von Bismarck in 1860 begon om de invloed van Pruisen uit te breiden, ten koste van Oostenrijk, werd het noodzakelijk voor het in 1871 opgerichte Duitse Keizerrijk om zelf een marine te bouwen. Dit des te meer omdat het keizerrijk in deze periode zeer lucratieve handelscontracten aanging met grote zeevarende naties zoals Italië en Spanje. Hierdoor begon Duitsland met het opbouwen van een handelsvloot die naar de Filipijnen of China voer.

Rond 1890 begonnen er ernstige politieke spanningen te ontstaan tussen Groot-Brittannië en Duitsland, aangezien Groot-Brittannië de grootste en zwaarst bewapende zeevarende natie op aarde was, besloot de regerende keizer Wilhelm II in snel tempo een marine op te bouwen.

De Kaiserliche Marine[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Kaiserliche Marine voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Alfred von Tirpitz, admiraal van de Kaiserliche Marine.

Alfred von Tirpitz, een voormalig reder uit de koopvaardijwereld, werd in 1897 minister en opperbevelhebber van de marine. Zijn taak werd het de Duitse vloot op een niveau te brengen waarop het kon rivaliseren met de belangrijkste zeemogendheden. In 1900 werd zijn vlootwet aangenomen door de Rijksdag en vanaf dat jaar begon de snelle opbouw van de Hochseeflotte.

Tot 1906 waren de pantserschepen van de zeemachten voorzien van kanonnen van meerdere kalibers, die nog door geschutpoorten vuurden. De grootste schepen hadden aan dek nog 2 of 4 kanonnen van een zwaar kaliber. Toen de Duitse marine enkele van deze schepen had aangekocht, kwam de Britse marine in 1906 met een geheel nieuw scheepstype, de Dreadnought. Dit schip was groter, sneller en zwaarder gepantserd dan zijn tijdgenoten en voerde 10 kanonnen van eenzelfde zwaar kaliber in vijf draaibare geschutkoepels. Het concept was dermate vernieuwend dat men vanaf die tijd sprak van Dreadnought-type slagschepen (of kortweg: Dreadnoughts) en pre-Dreadnoughts.

De dreadnought werd al spoedig het hoogste militaire statussymbool. Elk land met enige ambitie wilde ze gaan bouwen of kopen, tot in Turkije en Zuid-Amerika aan toe. Dit opende de weg naar een wapenwedloop ter zee, die de wereld nog niet eerder had gezien. Aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog, in 1914, had het Verenigd Koninkrijk deze wedren gewonnen. Het land had 20 dreadnoughts, 12 slagkruisers, 39 oudere pantserschepen en 12 dreadnoughts in aanbouw. Duitsland stelde daar 13 dreadnoughts (en 7 in aanbouw), 6 slagkruisers en 22 pantserschepen tegenover. In het voordeel van Duitsland evenwel, was dat de Britten hun zeemacht moesten verdelen over de hele wereld. Op de Noordzee evenaarden de rivalen elkaar.

Admiraal Tirpitz had, op organisatorisch gebied, een waar huzarenstukje afgeleverd: hij was in staat geweest om in minder dan 20 jaar een marine op te bouwen met meer dan 300 grote oorlogsschepen.

De Eerste Wereldoorlog[bewerken]

Hoewel enkele eskaders der beide vloten meermaals in kleinere zeeslagen tegenover elkaar stonden, kwam het nooit tot een beslissende zeeslag tussen de Britten en de Reichsmarine. De Duitse bevelhebbers wilden liever niet riskeren dat ze bij een slag hun kapitale eenheden zouden verspelen en hielden ze dan ook meer binnengaats. Pas in 1917 was het zover, dat de beide slagvloten slaags raakten, na het incident bij Doggersbank, kort daarna gevolgd door de beroemde zeeslag bij Jutland. Hoewel de Duitsers er enkele oorlogsbodems bij inschoten (waaronder de formidabele Pommern en Blücher), haalden ze een duidelijke overwinning.

De bevelhebbers zagen dit echter anders; de oorlogskansen waren snel aan het keren, dus wilde men de schepen weer thuis hebben. In 1918, als Duitsland de oorlog definitief heeft verloren, worden de schepen door admiraal Reuter naar zee geleid. Maar waar men een vloot verwachtte die strijdend ten onder zou gaan, stoomden de machtige schepen als lammetjes, op weg naar het slachthuis, in kiellinie naar Scapa Flow om daar in ballingschap te gaan. Uiteindelijk wiste men deze schande uit door in de Britse haven op spectaculaire wijze zelf de schepen tot zinken te brengen en nagenoeg alle kapitale oorlogsbodems verdwenen half of geheel in het zwarte water van Scapa Flow.

Het interbellum[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Reichsmarine voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Na het einde van de Eerste Wereldoorlog werden de Duitse oorlogsschepen opgebracht naar de Britse marinebasis Scapa Flow. In afwachting van een akkoord brachten de Duitsers hier echter op 21 juni 1919 zelf hun slagschepen tot zinken.

De nieuwe Reichsmarine werd daarna nog teruggebracht tot 6 pre-dreadnought pantserschepen, 6 lichte kruisers en 12 torpedobootjagers. Onderzeeboten waren verboden. De kruisers en de pantserschepen mochten pas na 20 jaar vervangen worden en vervangende pantserschepen mochten de 10.000 ton niet te boven gaan. Nieuwe kruisers mochten zelfs niet boven de 6.000 ton komen, torpedobootjagers waren beperkt tot 800 en torpedoboten tot 200 ton. Veel meer dan een beperkte kustverdedigingstaak was met deze vloot niet mogelijk.

Ruim 15 jaar accepteerde Duitsland dit verbod, totdat Hitler in 1933 aan de macht kwam. De Reichsmarine werd in 1935 omgedoopt tot Kriegsmarine. Eveneens in juni 1935 kwam het merkwaardige Brits-Duitse vlootverdrag tot stand, volgens welke het aan Duitsland weer werd toegestaan slagschepen en onderzeeboten te bouwen en de marine zelfs tot 35% van de sterkte van de Royal Navy uit te breiden. Hiermee kwam in feite een einde aan het Verdrag van Versailles. Het tempo waarin daarna nieuwe slagschepen en onderzeeboten van de werven rolden toonde niet alleen aan dat de nieuwe scheepsontwerpen al klaar lagen voordat het verdrag tot stand kwam, maar dat sommige schepen zelfs al in aanbouw waren.

Binnen drie jaar nadat Hitler aan de macht was gekomen beschikte Duitsland weer over een effectieve marine. Door de slechte economie, waardoor veel koopvaardijmaatschappijen failliet waren gegaan, was het bovendien niet moeilijk om ervaren zeelui te rekruteren.

Z-Plan[bewerken]

Erich Raeder, een admiraal uit de Eerste Wereldoorlog, werd door Hitler benoemd tot Großadmiral en was hiermee de opperbevelhebber van de marine. Karl Dönitz, een onderzeebootkapitein uit de Eerste Wereldoorlog, werd benoemd tot opperbevelhebber van de U-booteenheid en hoofdadviseur. Aan hen was de taak om de marine vorm te geven, zij moesten bepalen welke schepen de marine nodig had en hoe de strategie zou worden vastgesteld. Raeder en Dönitz stelden twee mogelijke scenario's voor: eentje dat op lange termijn zou lopen, en eentje dat een volledige uitbouw tegen 1948 vooropstelde. Het tweede scenario werd tot plan van aanpak gekozen en Z-Plan genoemd.

Opbouw van de vloot volgens Z-Plan[bewerken]

Omdat de Duitse marine zeer gericht was op expansie moest deze snel en over lange afstanden kunnen opereren. Hiervoor waren vliegdekschepen noodzakelijk. Het Duitse plan was om maar liefst negen stuks te bouwen. Vanaf deze vliegdekschepen zouden vliegtuigen de wateren verkennen en diep in het vijandige grondgebied bombarderen.
Na deze bombardementen zouden landingsvaartuigen vanuit schepen naar de kust varen om daar elitesoldaten van de Waffen-SS aan land te zetten. Voor deze missies waren 28 transportschepen nodig met 200 landingsvaartuigen. Hiermee was het Z-plan al een eerste keer in strijd met het Verdrag van Versailles.

Om alle vijandige schepen uit de eigen wateren te weren had men grote oorlogsschepen nodig. Z-Plan vroeg om ruim 30 zware en lichte kruisers. Om alle gevechtsmissies te coördineren werden slagschepen gebruikt. Ieder zeegebied had een slagschip met een admiraal aan boord. Deze slagschepen waren een soort drijvende hoofdkwartieren van waaruit aanvallen werden georganiseerd en aangevoerd. Zo had men één slagschip voor de Noordelijke IJszee, een voor de Noordzee, een voor het westelijk deel van de Atlantische Oceaan, een voor het zuidelijk deel en een voor de Middellandse Zee. In totaal voorzag men 14 slagschepen van vier verschillende tonnages. Dit was een tweede inbreuk op het Verdrag van Versailles.

Als eenmaal alle benodigde gebieden in samenwerking met de Luftwaffe en Wehrmacht waren veroverd, moesten de landen bewaakt worden.

Bewaken van de kusten[bewerken]

De wateren rondom de veroverde gebieden zouden worden bezaaid met zeemijnen. Hiervoor waren ongeveer 20 mijnenleggers nodig. Mocht een schip toch door de barrière van zeemijnen komen dan zou het worden aangevallen door patrouillerende oorlogsschepen of vliegtuigen. Net als bij de uitbouw van de zwaardere eenheden was ook dit deel van het plan in strijd met de bepalingen van het Verdrag van Versailles.

Onderscheppen van transportlijnen[bewerken]

Bij het veroveren van andere landen moesten de landen zo veel mogelijk economisch lam gelegd worden. Op advies van Karl Dönitz besloot men dit volledig over te laten aan de U-boot marine. Al in de Eerste Wereldoorlog, toen de U-boot nog een experimenteel wapen was, werd duidelijk dat stiekeme aanvallen met U-boten uiterst efficiënt waren door hun onvoorspelbaarheid. De Kriegsmarine was de eerste marine ter wereld die de onderzeeboot optimaal benutte. De enige echte taak van de onderzeeboten was om vijandige transportschepen op te sporen en ze te vernietigen met torpedo's. Z-Plan vereiste ruim 300 U-boten. Volgens het Verdrag van Versailles was het Duitsland evenwel verboden een onderzeebootwapen te bezitten.

Beschermen van transportlijnen[bewerken]

Duitsland moest natuurlijk ook zelf transportlijnen hebben. Om de transportlijnen zo efficiënt en schadeloos mogelijk te laten verlopen voeren Duitse vrachtschepen nooit solitair maar altijd in grote konvooien. Deze konvooien werden altijd bewaakt door flottiljefahrzeugen (fregatten). Deze kleine maar zwaarbewapende oorlogsschepen voeren als een muur om de konvooien heen. Kleinere konvooien werden bewaakt door korvetten, kleinere versies van fregatten.
Om de wateren preventief te zuiveren van vijandige schepen die een bedreiging vormden voor de transportlijnen werden zerstörers (destroyers/torpedobootjagers) ingesteld. Dit waren snelle zwaarbewapende oorlogsschepen die wateren afzochten op zoek naar vijandige onderzeeboten, torpedoboten en vliegtuigen. Dönitz en Raeder bestelden voor hun Z-Plan ruim 200 vrachtschepen, 60 korvetten, 40 fregatten en 35 destroyers.

Uiteindelijk vereiste Z-Plan zo'n 800 schepen en ruim 200.000 manschappen. De totale begroting koste zo'n 33 miljard Reichsmark, destijds een waanzinnig groot geldbedrag.

De uitvoering van Z-Plan[bewerken]

Als Z-Plan volledig was uitgevoerd dan zou Duitsland de sterkste de marine ter wereld gehad hebben, wat de koers van de oorlog misschien had bepaald. Het verliep echter anders. Hitler was zeer onder de indruk van Z-Plan, maar kon het plan niet uitvoeren. Er was te weinig geld en de landmacht vereiste al zoveel manschappen dat er niet meer genoeg was voor de marine. Het gerucht gaat ook dat Hitler meer bevriend was met Hermann Göring (opperbevelhebber van de Luftwaffe) waardoor hij meer geld wilde uitgeven aan Luftwaffe dan aan de marine van Räeder. ("Op een tank ben ik een krijger, in een vliegtuig een Engel, op een schip ben ik een bangerd.") Ook had men te weinig tijd: toen de oorlog in september 1939 al uitbrak was marine maar voor 30% opgebouwd. Räeder had geen keus dan zich te behelpen en gedurfde strategieën uit te tekenen.

De schepen van de Kriegsmarine[bewerken]

Lijst van schepen van de Kriegsmarine

De Kriegsmarine wist van de geplande negen vliegdekschepen slechts één daadwerkelijk te bouwen. Dit was de Graf Zeppelin, een schip wat door gebrek aan geld, of interesse van het opperbevel, nooit met vliegtuigen is uitgerust. Het schip heeft de gehele oorlog voor anker gelegen, en werd aan het einde van de oorlog tot zinken gebracht in Stettin. De tweede, Flugzeugträger B, werd nooit afgebouwd.

De Kriegsmarine beschikte over slechts 7 van de 14 geplande slagschepen. Dit waren:

  1. De Bismarck (op Tirpitz na grootste Duitse slagschip, vlaggenschip op de Atlantische oceaan), een slagschip,
  2. De Tirpitz (iets langer zusterschip van de Bismarck, vlaggenschip op noordelijke IJszee), een slagschip;
  3. Scharnhorst (vlaggenschip op de Noordzee), een slagkruiser met het pantser van een slagschip;
  4. Gneisenau (identiek zusterschip van de Scharnhorst, vlaggenschip op de wateren rondom Groot-Brittannië), een slagkruiser met het pantser van een slagschip;
  5. Graf Spee (vlaggenschip zuidelijk deel van de Atlantische oceaan, nabij Zuid-Amerika en Caribisch gebied) een vestzakslagschip of pantserkruiser,
  6. Admiral Scheer (vlaggenschip voor de westelijke kust van Afrika), vestzakslagschip of pantserkruiser,
  7. Lützow (voor de Middellandse Zee), vestzakslagschip of pantserkruiser en voorheen bekend als 'Deutschland'.

Van de geplande 30 kruisers werden slechts drie zware en zes lichte kruisers gebouwd:

  1. Admiral Hipper
  2. Blücher
  3. Prinz Eugen
  4. Seydlitz (nooit afgebouwd; in 1945 opgeblazen)
  5. Lützow (nooit afgebouwd)

Lichte kruisers:

  1. Emden
  2. Nürnberg
  3. Leipzig
  4. Königsberg
  5. Karlsruhe
  6. Köln

De U-boot marine daarentegen was wel volledig volgens de planning opgebouwd. Bij aanvang van de oorlog waren er ruim 300 onderzeeboten, tijdens de oorlog kwamen daar nog eens 500 bij. In totaal heeft Duitsland meer dan 800 (1200) U-boten gehad. Nimmer heeft een marine zo'n grote onderwatervloot gehad.

Deze U-boten waren doorheen de oorlog in volgende klassen onderverdeeld:

  • Type II (binnenzee)
  • Type VII (hoogzee of mijnenlegger)
  • Type IX (oceaan)
  • Type XI (oceaan)
  • Type XIII (U-boottanker)
  • Type XXI (oceaan)
  • Type XXIII (binnenzee en ondiep water)

De inzet van de oppervlakte schepen van Kriegsmarine tijdens de oorlog[bewerken]

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd de Kriegsmarine ingezet bij diverse militaire operaties over de gehele wereld. De Kriegsmarine werd voor het eerst op grote schaal ingezet in de Slag om Noorwegen, waarbij de marine meteen al catastrofale verliezen leed. Daartoe behoorden de splinternieuwe zware kruiser Blücher, de kruisers Köln en Karlsruhe en 10 grote torpedojagers. De eigen torpedo's bleken door een fout in het ontstekingsmechanisme niet te werken, waardoor veel Britse schepen aan torpedering ontsnapten. Van juni 1940 tot het einde van de oorlog heeft Duitsland weinig gebruikgemaakt van haar Kriegsmarine. Veel schepen liepen op diverse missies zware averij op en moesten daardoor voor lange tijd de werf in. Werftijden van een half tot een heel jaar waren daarbij meer regel dan uitzondering. Ter vergelijking: bij de geallieerden werd een schip, wanneer dat nodig was, vaak in een paar dagen gerepareerd. Hitler was bijzonder bezorgd over zijn kapitale schepen, waardoor ze vaak ook niet werden ingezet. In het geval van de Bismarck en de Scharnhorst is dat uiteindelijk wel gebeurd en beide schepen werden, geholpen door een flinke dosis pech, vrijwel onmiddellijk tot zinken gebracht.

In 1941 was de Kriegsmarine van de verliezen rond Noorwegen hersteld en voerde met de Scharnhorst, Gneisenau, Admiral Hipper en de Admiral Scheer succesvolle raids uit op de Atlantische Oceaan, waarbij meer dan 40 geallieerde schepen tot zinken werden gebracht. In mei werden het nieuwe slagschip Bismarck en de nieuwe zware kruiser Prinz Eugen ingezet om het succes van de 4 andere "raiders" nog te vergroten. Vrijwel onmiddellijk werd de hele Home Fleet gealarmeerd en massaal ingezet om de Bismarck te beletten de Oceaan te bereiken. De Bismarck wist in een duel met zijn eerste 2 grote tegenstanders de verouderde grote slagkruiser Hood te vernietigen en het eveneens gloednieuwe slagschip Prince of Wales dermate zwaar te beschadigen, dat het zich uit het gevecht moest terugtrekken. Op zich was dit een staaltje van ongeëvenaarde precisie en vuurkracht. Aangezien ook de Bismarck door een granaat van de Prince of Wales getroffen was, waardoor een deel van de brandstof verloren ging, moest het schip zijn missie afbreken. De Bismarck zou op zijn terugtocht waarschijnlijk ontsnapt zijn, als de Duitse eskader commandant geen lange berichten naar het hoofdkwartier van de marine verstuurd had. Hierdoor kon de Bismarck door de Britten gepeild worden. De Britten zetten hun enige in de buurt varende vliegkampschip in en wisten bij slecht zicht een enkele, maar wel bijzonder fatale, torpedotreffer te plaatsen en een der beide roeren te ontzetten. Daarna kon de Bismarck niet meer aan zijn achtervolgers ontkomen en ondervond het in het eindgevecht bij de beschieting veel nadeel van het geblokkeerde roer. De Bismarck kreeg in het laatste en beslissende gevecht tegen 2 andere Britse slagschepen en 3 kruisers 12 minuten na opening van het duel als eerste een treffer. Deze schakelde beide voorste zware geschuttorens uit en daarna was het nog een kwestie van eenzijdig incasseren. Na een half uur was de bewapening van de Bismarck volledig uitgeschakeld en de bovenbouw, met name de brug, zwaar getroffen. De Britten schoten daarna nog een half uur op korte afstand door totdat, al hun granaten verschoten waren en hun brandstof bijna op was. Uiteindelijk konden de Britten de buitenste pantsergordel met slechts 4 van alle afgeschoten granaten doorboren. Hierdoor sneuvelden wel veel bemanningsleden van de Bismarck die benedendeks beschutting zochten voor de storm van granaten. Geen van de dozijnen daarna afgevuurde torpedos veroorzaakte ook maar enige schade of wist het citadelpantser te beschadigen. De Bismarck bleek door zijn werkelijk voortreffelijke pantsering en zeer vakkundige ontwerp werkelijk onzinkbaar. Een unieke situatie. De Duitsers brachten hun schip uiteindelijk zelf tot zinken en 2100 bemanningsleden van de Bismarck kwamen om, hoewel meer dan 1000 van hen het zinkende schip wisten te verlaten. De Britten waren "mercyless" na het verlies van hun Hood en lieten de meeste Duitsers in de oceaan achter.

In 1942 kreeg de Gneisenau na een zeer geslaagde ontsnapping door Het Kanaal een treffer van een zware bom op de voorste geschuttoren die met het hele voorschip uitbrandde. Daarna zou de Gneisenau van 38 cm geschut worden voorzien. Door de weinig succesvolle acties einde 1942 van de grote Duitse schepen (Lützow en Admiral Hipper) om konvooien naar Moermansk te onderscheppen, besloot Hitler dat de rol van de oppervlaktevloot uitgespeeld was en werden alle resterende 6 grote schepen in reserve geplaatst. De verbouw aan de Gneisenau werd gestaakt en het schip werd aan het einde van de oorlog in Gotenhafen (Gdynia) door de Duitsers tot zinken gebracht.

De Scharnhorst kreeg op zijn laatste missie in extreem slechte weersomstandigheden een fatale treffer op zijn belangrijkste radar en vervolgens na een urenlang duel met vele tegenstanders bij zijn vlucht op extreme afstand (28 kilometer) in het donker van de poolnacht een ongelofelijk ongelukkige treffer op de naad tussen het pantserdek en het citadelpantser in de boilerruimte. Daarna konden de Britten het schip inhalen en het karwei afmaken. De zeer ervaren bemanning van de Scharnhorst vocht lang tegen een modern slagschip, 4 kruisers en een dozijn jagers terug, totdat letterlijk de laatste granaat verschoten was en Britten het schip van alle kanten konden torpederen. 1900 bemanningsleden vonden de dood in de stervenskoude poolzee. In het gevecht met de Scharnhorst waren de Britten in staat met behulp van radar in het duister van de poolnacht op grote afstand op de Scharnhorst te vuren, andersom was de Scharnhorst hier niet toe in staat.

Gedurende 1944 werd de laatste gigant, de Tirpitz, voortdurend uit de lucht aangevallen en werd het schip herhaaldelijk zwaar beschadigd. In november 1944 wisten de Lancasters met de "earthquake" Tallboys de Tirpitz te laten kapseizen. 1000 bemanningsleden zaten in de romp opgesloten en kwamen om.

Aan het einde van de oorlog waren de zware kruisers Prinz Eugen, Admiral Hipper en de vestzakslagschepen Admiral Scheer en de Lützow de enige vier grote schepen, tezamen met 3 lichte kruisers, twee dozijn torpedojagers en een paar honderd duikboten en onderzeeboten, die de oorlog overleefd hadden. Zij redden nog vele duizenden vluchtelingen uit het omsingelde Oost-Pruisen uit handen van het meedogenloze Rode Leger. Daarbij werd na aankomst wel de Scheer in de haven door de RAF tot zinken gebracht, liep de Lützow op een mijn en werd de Admiral Hipper door de RAF beschadigd. De Amerikanen bombardeerden de aangekomen vluchtelingen, waarbij er dertigduizend de dood vonden (Swinemünde). De Russen torpedeerden de Wilhelm Gustloff, de Steuben en de Goya, die 3 van de grootste scheepsrampen van de geschiedenis waren en waarbij tussen de vijftien- en twintigduizend vluchtelingen verdronken. De Duitsers lieten honderden van de overlevende duikboten zinken. De weinige overlevende schepen wachtte een trieste herhaling van de tocht naar Scapa Flow, waarbij de Prinz Eugen in 1946 nog deel uitmaakte van een testvloot die met een atoombom, ter hoogte van Bikini, werd bestookt en de Nürnberg in dienst van de Russen kwam. Zie Operatie Deadlight.

Hoofdoorzaken voor de ondergang van de Duitse schepen was de Britse decodering - Ultra - de gebrekkige Duitse inlichtingendienst en communicatie en last-but-not-least het later in de oorlog zeer veel beter werkende geallieerde radar. Zo wisten de geallieerden vaak exact waar en wanneer de Duitse schepen op een missie werden gestuurd, terwijl de Duitsers, door een falende samenwerking met de Luftwaffe, niet wisten waar de vijandelijke konvooien of hun escortes zich bevonden. In de zeegevechten zelf hadden de geallieerden zeer veel voordeel van hun numerieke overmacht, hun beter werkende radar en de inzet van het luchtwapen (o.a. door de inzet van vliegdekschepen).

Enkel twee drieloopsgeschuttoren van de Gneisenau, die deel uitmaakten van de restanten van de Atlantikwall in Noorwegen, de scheepsbel van de Admiral Hipper, één der schroeven van de Eugen en een plaatselijke gedenksteen herinneren nog aan de eens zo machtige Kriegsmarine.

Operaties van de Kriegsmarine[bewerken]

september 1939 tot oktober 1939
Met de aanval van het verouderde slagschip Schleswig-Holstein op het Poolse garnizoen in Westerplatte om 04:45 op 1 september 1939 begint de Tweede Wereldoorlog. Nazi-Duitsland valt buurland Polen binnen en Groot-Brittannië verklaart de oorlog aan het Derde Rijk. Eerste grote offensief van de Kriegsmarine: Duitse oorlogsschepen moeten bevoorradingsschepen voor de kust van Polen vernietigen. Deze bevoorradingsschepen, meestal van Britse afkomst, vervoeren munitie, soldaten of wapens voor het Poolse leger. Het offensief wordt een groot succes, binnen enkele dagen komt geen een schip Polen meer binnen en Poolse leger zit al snel zonder versterking.

oktober 1939 tot november 1939
De Kriegsmarine krijgt de opdracht om alle schepen die het gecapituleerde Polen te proberen te ontvluchten te vernietigen. Veel van deze schepen bevatten munitie en wapens die naar Groot-Brittannië worden gebracht. Ook zitten er veel Poolse militairen in die vanuit Engeland de strijd tegen Duitsland willen doorzetten. Tegelijkertijd met deze missie krijgen diverse U-boten de opdracht om terreur te zaaien langs de Engelse kust. De U-boot commandant Günther Prien dringt de zwaar bewaakte marinebasis Scapa Flow binnen en vernietigt daar het slagschip Royal Oak met een dubbele aanval. Hiermee wordt hij de grootste held van de Kriegsmarine, naast onder andere de illustere Otto Kretschmer en Fritz-Julius Lemp.

december 1939
Onder leiding van het slagschip Admiral Graf Spee beginnen een groot aantal Kriegsmarine schepen aan het grootse offensief om de alle Britse koopvaardijschepen ten oosten van Zuid-Amerika te vernietigen. Het offensief begint succesvol maar eindigt voor de Duitsers in een drama. De Britten weten de meeste Duitse schepen tot zinken te brengen. Het grootse verlies is het gloednieuwe slagschip Graf Spee dat voor de kust van Montevideo vernietigd wordt door de bemanning om een overgave te voorkomen.

januari 1940 tot mei 1945
Na het verliezen van de Graf Spee besluit Erich Raeder om het vernietigen van koopvaardijschepen voortaan alleen maar aan U-boten over te laten. Vanaf januari 1940 geeft hij de opdracht aan alle U-boten om voortaan elk koopvaardijschip te torpederen. De bedoeling is dat Groot-Brittannië compleet geïsoleerd wordt van Europa en zonder bevoorrading komt te zitten. Raeder geeft hiermee het startsein voor een U-boot oorlog die bijna 5 jaar zal duren en zich over de gehele wereldkaart zal afspelen. Raeder gaat ervan uit dat Groot-Brittannië binnen een jaar van alle bevoorradingslijnen zal zijn ontdaan. Het plan pakt echter anders uit: Groot-Brittannië bouwt op grote schaal nieuwe schepen en vindt steeds weer nieuwe manieren om de U-boot kapiteins te slim af te zijn. Tijdens de U-boot oorlog brengen de Duitsers bijna 3.000 schepen tot zinken, hiertegenover staan zware verliezen: 800 schepen en ruim 40.000 man gaan ten onder.

april 1940
Duitsland begint aan de invasie van Noorwegen en Denemarken. De Kriegsmarine moet hierbij belangrijke strategische doelen aan de kust bestoken, ook moeten ze Duitse soldaten aan land zetten. Hoewel Noorwegen en Denemarken vrij snel worden ingenomen leidt de Kriegsmarine opnieuw zware verliezen: veel U-boten en kleinere oorlogsschepen gaan ten onder. De grootste nederlaag is het verlies van de zware kruiser Blücher. Het schip wordt tijdens de invasie van Oslo vernietigd omdat men vergeten was rekening te houden met (door Duitsland zelf geschonken) kanonnen die vanaf het land op de Blücher schoten. De Noren vuren slechts een schot af, deze kogel komt precies in de brug terecht waardoor de kapitein wordt gedood en het stuurloze schip op een zandbank strandt. De Noren schieten er, zonder dat er tegenstand van de Duitsers komt een paar torpedo's op af. De Blücher verdwijnt uiteindelijk in het ondiepe water.

juni 1940-april 1944
Het slagschip Tirpitz, op dat moment het grootste oorlogsschip ter wereld, wordt in juni 1940 in dienst genomen. Al kort na de tewaterlating blijkt dat de Tirpitz te groot is om flexibel in de Noorse wateren te opereren. Bijna de gehele oorlog ligt het voor anker in een Noors fjord, waar ze in 1943 succesvol wordt beschadigd door een gedurfde aanval met piepkleine onderzeeboten van X -klasse in 1943. De Tirpitz is door de aanval beroofd van haar zeewaardigheid en wordt naar een ander fjord versleept, om daar als drijvend fort ingezet te worden, alwaar het in 1944 ook wordt vernietigd. De Tirpitz heeft nooit aan een gevecht deelgenomen.

april 1941
Nadat de oppervlakteschepen van de Kriegsmarine bijna een geheel jaar niet in actie zijn geweest begint men nu aan operatie Rheinübung. Bij deze gevaarlijke missie moet de Duitse marine controle krijgen over het zeegebied ten westen van Ierland. Dit gebied wordt gedomineerd door Britse oorlogsschepen die voortdurend jacht maken op U-boten. Duitse oppervlakteschepen moeten een strooptocht beginnen tegen de Britse oorlogsbodems en vervolgens, gedurende de rest van de gehele oorlog, patrouilles varen over dit zeegebied. Voor het slagschip Bismarck is dat haar eerste gevechtsmissie. Aanvankelijk voorzag de operatie in de deelname van meerdere schepen naast Bismarck, waaronder de zware kruisers Admiraal Hipper, de gloednieuwe Prinz Eugen, de slagkruisers Scharnhorst en Gneisenau, het vliegkampschip Graf Zeppelin en een eskader snelle torpedojagers voor de lange afstand. Door allerhande factoren blijft het eskader uiteindelijk beperkt tot Bismarck en Prinz Eugen, dat in Mei 1941 de Straat van Denemarken oversteekt. Tijdens een heftige zeeslag weet de Bismarck, samen met de zware kruiser Prinz Eugen, het Britse slagschip HMS Hood tot zinken te brengen en het slagschip HMS Prince of Wales zwaar te beschadigen, die met hoge vaart poogden het Duitse eskader te onderscheppen. Enkele dagen later wordt het schip door torpedovliegtuigen aangevallen (waarbij men de Prinz Eugen had verloren, toen die in de verwarring van de eerdere zeeslag af was gedraaid). De Bismarck raakt uiteindelijk stuurloos en wordt door Britse schepen en vliegtuigen tot een brandend, ineengeschoten wrak herleid. Na het verlies van de Bismarck besluiten de Duitsers Operatie Rheinübung af te blazen. De Prinz Eugen keert onverrichter zake terug en loopt enige tijd later Brest binnen.

november 1941
Operatie Sportpalast wordt ook een mislukking van de Kriegsmarine. Duitse oorlogsschepen moeten dit keer het zeegebied ten noorden van IJsland veroveren. Het is een strategisch gebied vanwege de vele, uit Canada afkomstige, bevoorradingsschepen die naar Groot-Brittannië varen. De operatie mislukt grotendeels door het slechte weer, luchtaanvallen van de Britten en doordat de Russische marine zich plotseling met het offensief gaat bemoeien. Het slagschip Admiral Scheer gaat tijdens het offensief verloren, alsmede ook een groot aantal U-boten en torpedojagers. De verliezen voor de Britten zijn minimaal. De Prinz Eugen raakt zwaar beschadigd en blijft ruim 2 jaar lang onbruikbaar. Bij deze gelegenheid wordt de Eugen wel met een nieuwe radar uitgerust.

december 1941
Bij Operatie Wunterwasser moeten Duitse schepen een verdedigingslinie voor de kust van Zuid-Frankrijk gaan vormen. De linie van continu patrouillerende oorlogsschepen kan alleen worden opgebouwd als de zee ontdaan is van Britse vliegtuigen en schepen. Daarom moeten de slagschepen Scharnhorst en Gneisenau jacht maken op Britse schepen. Op 13 december 1941 brengt de Scharnhorst het Britse vliegdekschip Glorius tot zinken. Op 25 december wordt de Scharnhorst zelf bij een luchtbombardement vernietigd. De Gneisenau raakt zwaar beschadigd en keert terug naar de Franse kust voor een reparatie. Door gebrek aan geld zal het slagschip bijna twee jaar lang onbruikbaar blijven.

januari tot april 1942
De Kriegsmarine krijgt nu de opdracht om bevoorrading te leveren aan Duitse legertroepen die in Noord-Afrika vechten tegen de Britten. Duitse schepen, volgeladen met munitie en wapens, vertrekken vanuit Italië over de Middellandse zee op een reis naar Noord-Afrika. Tijdens deze reis krijgt de Kriegsmarine schepen de opdracht de transportschepen te verdedigen tegen Britse aanvallen. De missie kan maar half ten uitvoer worden gebracht. Omdat de straat van Gibraltar in Britse handen is, krijgt Duitsland bijna geen schepen in de Middellandse Zee. De Kriegsmarine moet het doen met een paar Italiaanse destroyers en een handjevol U-boten dat ongezien door de Straat van Gibraltar weet te komen, die uiteindelijk nooit meer uit de Middellandse Zee zullen terugkeren.

juni 1942
Duitsland doet een poging om controle te krijgen op het zeegebied tussen Zuid-Afrika en Antarctica. Ook deze missie mislukt: de zware kruiser Admiraal Hipper gaat hierbij bijna ten onder. De Hipper vaart zwaar beschadigd terug naar Frankrijk.

juli 1942- mei 1945
Na de mislukking van het bovenstaande offensief steunt Hitler de Hochseeflotte niet meer. Vanaf dat moment zullen alle Duitse oorlogsschepen alleen nog maar voor anker liggen rusten. Alleen de U-boten zijn nog actief. Hitler wilde uiteindelijk de hele vloot tot schroot omsmelten en de kanonnen in de Atlantikwal integreren. Kort daarna neemt Erich Raeder ontslag en wordt opgevolgd door Karl Dönitz. Dönitz moet leiding geven aan een marine die op sterven na dood is: slechts enkele grotere schepen zijn nog intact.

mei 1945
Karl Dönitz beseft dat de oorlog afgelopen is en hij besluit alle schepen van de Kriegsmarine tot zinken te brengen om te voorkomen dat ze in handen vallen van de vijand. Tijdens Operatie Regenboog worden de Graf Zeppelin, de Seydlitz, de Gneisenau, alle destroyers en een grote U-boot door hun eigen bemanning tot zinken gebracht. Alleen de Prinz Eugen en de Lützow worden intact door vijand veroverd.

Het functioneren van de U-boten[bewerken]

In tegenstelling tot de bovenwater marine functioneerde de U-boot marine zeer goed. In de eerste drie jaren van de oorlog werden er zoveel vrachtschepen tot zinken gebracht dat Groot-Brittannië economisch bijna helemaal instortte. De U-boten waren lange tijd onoverwinnelijk. Om de duikboten zo goed mogelijk te kunnen ondersteunen werden op 10 plaatsen nagenoeg onverwoestbare duikbootbunkers gebouwd: in Trondheim, Bergen, Hamburg, Bremen, Helgoland, Brest, Lorient (met hoofdkwartier); St.Nazaire, La Pallice en Bordeaux. Hier konden de Duikboten beschutting zoeken voor het geallieerde luchtoverwicht. Geen der bunkers werd in de oorlog door bombardenten uitgeschakeld of ernstig getroffen. Vandaag de dag kunnen de indrukwekkende bunkers in Frankrijk, die ook intact door de naoorlogse periode gekomen zijn, nog allen bezocht worden. Zij vormen de levende monumenten van de eens zo machtige Kriegsmarine.

Pas toen de Britten de Enigma codes met behulp van Ultra snel konden ontcijferen en hun radar sterk verbeterd was, kwam er een keerpunt in de U-boot oorlog. Zonder dat de Duitsers wisten dat hun codes ontcijferd werden gaven de U-boot kapiteins hun posities door. Vanaf de zomer van 1943 verloor Duitsland bijna al haar onderzeeboten zonder daar iets voor terug te krijgen. Voor meer informatie over dit onderwerp zie: Enigma en de U-bootoorlog.

Tijdens de oorlog verloor Duitsland 580 van de gevechtsklare 800 onderzeeboten en 75% van alle bovenwaterschepen. Ruim 60.000 mannen overleefden de zeegevechten niet, ongeveer gelijk verdeeld over oppervlakteschepen en de duikboten.

Na de oorlog[bewerken]

Een deel van de Kriegsmarine werd na de oorlog door de westelijke geallieerden in stand gehouden als mijnenruimdienst. Op 31 december 1947 werd ook dit laatste restant van de Kriegsmarine ontbonden. In de jaren 50 werden in West- en Oost-Duitsland respectievelijk de Bundesmarine en de Volksmarine opgericht. Na de Duitse hereniging in 1990 werden ze verenigd tot de Deutsche Marine.

Externe links[bewerken]