Sudetenland

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Talen in westelijk Oostenrijk-Hongarije

██ Tsjechisch

██ Duits

██ Slowaaks

██ Pools

██ Hongaars

Sudetenland (Tsjechisch en Slowaaks: Sudety; Pools: Kraj Sudetów), vernoemd naar het Sudetengebergte, was de naam die van 1918 tot 1945 werd gebruikt voor een regio die in meerderheid werd bewoond door Duitstaligen, de zogeheten Sudeten-Duitsers. Van 1918 tot 1938, en na 1945, was het een deel van Tsjecho-Slowakije, sinds 1993 van Tsjechië. Steden zijn onder andere Cheb (Eger), Karlovy Vary (Karlsbad), České Budějovice (Budweis), Mariánské Lázně (Mariënbad), Ústí nad Labem (Aussig an der Elbe) en Liberec (Reichenberg).

Uiteenvallen van Oostenrijk-Hongarije[bewerken]

Vóór 1918 maakte het gebied, dat toen bekend werd onder de naam Sudetenland, deel uit van de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie, een multi-nationale ("veelvolkeren") staat waar onder andere Duitsers, Hongaren, Tsjechen, Slowaken en Polen, Kroaten en Roemenen woonden. Na het uiteenvallen van Oostenrijk-Hongarije werd het deze volkeren toegestaan om staten naar min of meer etnische grenzen te gaan vormen. Soms werden grote aantallen mensen, behorende tot een ander volk dan het staatsvolk bij zo'n nieuwe nationale staat inbegrepen, waarin zij op hun beurt vervolgens een nationale minderheid vormden. Vooral Duitse Oostenrijkers en Hongaren werden hiervan slachtoffer. Duitstalige Oostenrijkers riepen op 21 oktober 1918 de republiek Duits-Oostenrijk uit. Hiervan wilden ook Duitstalige gebieden in de Habsburgse kroonlanden Bohemen, Moravië en Zuid-Tirol deel uitmaken. Tsjecho-Slowakije verklaarde zich op 28 oktober 1918 onafhankelijk en om te voorkomen dat de Duitstaligen in de genoemde twee kroonlanden zich zouden gaan aansluiten bij Duitsland of Oostenrijk, bezetten Tsjechische nationale milities in november 1918 deze Duitstalige gebieden. Toen de Duitstaligen in de kroonlanden (provincies) (Bohemen en Moravië) stemlokalen inrichtten voor de eerste na-oorlogse Oostenrijkse verkiezingen, werden deze met geweld door de Tsjechische milities gesloten en protest daartegen gewelddadig onderdrukt ten koste van tientallen doden. Bij het Verdrag van Saint-Germain (1919), dat de overwinnaars van de Eerste Wereldoorlog op 10 september 1919 sloten met Oostenrijk, werden zowel het Tsjechischtalige als het Duitstalige gebied van de kroonlanden (provincies) Bohemen en Moravië, definitief bij de nieuwe republiek Tsjecho-Slowakije gevoegd. Daarmee werden in het nieuwe Tsjecho-Slowakije de Duitstaligen een minderheidsbevolking van ca. 3 miljoen mensen. Deze zogenaamde etnische of Volksduitsers, hier Sudeten-Duitsers genoemd, verloren hun minderheidstaalrechten in het Tsjechische taalgebied, behielden ze echter wel in hun eigen taalgebied, al moesten ze daar, door de toenemende inwijking van Tsjechen, wel steeds meer plaats inruimen voor het Tsjechisch. Veel voorheen Duitstalige gemeenten kregen een tweetalig statuut en veel eentalig Duitssprekende ambtenaren verloren dientengevolge hun positie en werden vervangen door (tweetalige) Tsjechen. De economische crisis van 1930 trof het Sudetenland onevenredig tengevolge van zijn hoge graad van industrialisatie die na inkrimping en sluiting van bedrijven naar verhouding dan ook meer Duitsers dan Tsjechen met werkloosheid trof. Duitslands oorlogsindustrie bood daarentegen na 1933 aan Sudetenduitse vakmensen werk en velen van hen werden grensarbeiders en in Duitsland object van nazistische propaganda. Dat legde een basis voor de opkomst van de Sudetenduitse Partij onder Konrad Henlein, die eerst steun en later aansluiting bij de NSDAP in Duitsland zocht. In de laatste vrije, alhoewel door agressieve propaganda sterk beïnvloede, verkiezingen van 1936 behaalde zijn partij twee derde van de uitgebrachte stemmen in de Sudetenduitse districten.

Tweede Wereldoorlog[bewerken]

Hitler liet zijn oog vallen op dit gebied, in het kader van de "Heim-ins-Reich-Politik". Na de Anschluss van Oostenrijk in 1938 was het Sudetenland voor hem een tweede testcase om de weerstand van de Europese grote mogendheden te beproeven. Militair-economisch was het gebied voor Duitsland van groot belang. De Tsjechische provincies waren aan drie zijden als een grote enclave omgeven door Duitsland en Oostenrijk. Zij waren was al in de Oostenrijkse tijd industrieel sterk ontwikkeld en beschikte nu ook over een modern leger, maar dat had zijn verdedigingslinie aan de staatsgrenzen en dus juist in het Sudetenland geïnstalleerd. De industrie in het Sudetenland sloot aan bij die van Duitsland en kon de Duitse herbewapening goed dienen. Mogelijk was ook het voorkomen van uranium vindplaatsen van betekenis. De tegenstellingen liepen steeds hoger op en werden vanuit Duitsland met geld en knokploegen aangewakkerd.

De Wehrmacht verwelkomd door etnische Duitsers in Komotau (Chomutov).

Nadat de situatie door de Tsjechoslowaakse autoriteiten niet meer te beheersen bleek, werd op de Conferentie van München aan Hitler door het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en Italië toegestaan om met ingang van 10 oktober 1938 die delen van Bohemen en Moravië, waar de meerderheid van de bevolking uit Duitsers bestond, in bezit te nemen, in ruil voor vredesgaranties. Voor de Volkenbond was de annexatie van het Sudetenland ook toelaatbaar vanwege het grondrecht op zelfbestemming van elk volk. Het Sudetenland werd immers voor 95% door etnische Duitsers bewoond die zich in meerderheid met hun woongebieden bij Duitsland, waartoe inmiddels ook Oostenrijk behoorde, wilden aansluiten. De noordelijke en westelijke delen van Sudetenland werden als een aparte 'Reichsgau' geïnstalleerd, terwijl de zuidelijke delen bij de 'Reichsgau Niederösterreich' werden gevoegd. Vervolgens werd het restant van Tsjechië door Duitsland bezet en ingericht als een Duits Protectoraat Bohemen en Moravië. Slowakije mocht zich in maart 1939 afscheiden en tot soevereine, hoewel bondgenootschappelijk aan Duitsland en Italië verbonden, staat uitroepen.

Na de Tweede Wereldoorlog[bewerken]

Na de Tweede Wereldoorlog werden bijna 3 miljoen Sudetenduitsers uit hun woonplaatsen verdreven, voor zover ze nog niet gevlucht waren (zie Verdrijving van Duitsers na de Tweede Wereldoorlog). Tsjechische milities pleegden etnische zuiveringen, vaak met grootschalig toegepast dodelijk geweld, zoals in onder meer Aussig an der Elbe en in Brünn, en in massa-executies binnen gevangenissen en interneringskampen. Volgens de Benes-decreten werden de Duitsers van hun staatsbugerschap ontheven verklaard, van hun bezit onteigend en uitgewezen. Etnische Tsjechen mochten hun grond, fabrieken, winkels en huizen en de achter te laten inventarissen in bezit nemen. Omdat er te weinig Tsjechische kolonisten gemobiliseerd konden worden, werden onder druk ook grote aantallen Roma uit Slowakije naar het Sudetenland gestuurd. Alleen Sudetenduitsers die zich aantoonbaar verzet hadden tegen de nazi-autoriteiten mochten blijven; in de praktijk kwam het er op neer dat vrijwel alle Duitsers verdreven werden die tijdens de oorlogsjaren geen lidmaatschap van de communistische partij konden aantonen. Zelfs Joden die uit de kampen of als vluchtelingen terugkwamen, werden vanwege hun Duitstaligheid ook onteigend en van hun staatsburgerschap vervallen verklaard, hoewel onder internationale druk daarop teruggekomen moest worden. Ook de Hongaarse minderheid in Slowakije viel onder deze bepalingen hoewel ze te aanzien van deze Hongaren slechts ten dele werden uitgevoerd. Voor de aantallen slachtoffers, zie etnische zuiveringen. Het Sudetenland bleef nog vele jaren onderbevolkt en enkele tientallen dorpen en ook enkele stadjes werden opgeheven en afgebroken. Marginale landbouwgronden werden grootschalig bebost. Vandaag de dag herinneren de Duits en Oostenrijks aandoende stadscentra en gebruik van Sudetenduitse plaatsnamen op richtingaanwijzers in Duitsland en Oostenrijk nog aan de Duitstalige geschiedenis van het Sudetenland.

Recent speelde de Sudetenduitse kwestie nog een rol bij de ondertekening van het Verdrag van Lissabon die door de Tsjechische Republiek werd geweigerd waar het om de paragrafen betreffende mensenrechtenschendingen ging. Daarvoor wilde Tsjechië geen verantwoordelijk nemen waar het misdaden betreft die vóór de ondertekeningsdatum zouden zijn gepleegd. Het achterliggende motief was de vrees voor claims door (de nabestaanden van) verdreven Sudetenduitsers op de teruggave van hun onteigend onroerend goed.[1]

Bronnen, noten en/of referenties