Zelfbeschikkingsrecht

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Het zelfbeschikkingsrecht is een internationaal bepaald begrip dat volkeren van de hele wereld toelaat te bepalen onder welke soevereiniteit ze vallen.

Het werd het eerst geformuleerd door Woodrow Wilson in 1916. Critici vermoeden hier echter achter dat de bepaling vooral bedoeld was om het machtige blok Oostenrijk-Hongarije te versnipperen.

Tijdens de grote dekolonisatie van de jaren zestig bepaalden de Verenigde Naties in 1960 in hun resolutie 1514 de basis van het moderne zelfbeschikkingsrecht.

  • Artikel 2 bepaalt dat alle volkeren het recht hebben op zelfbeschikking; door dat recht bepalen zij hun politieke status en streven zij economische, sociale en culturele ontwikkeling na.
  • Artikel 3 bepaalt dat politieke, economische, sociale en educatieve onvoorbereidheid nooit als een grond mogen dienen om de onafhankelijkheid uit te stellen.
  • Artikel 4 stelt dat elke gewapende actie of repressie tegen de afhankelijke volkeren zal moeten stoppen opdat ze hun onafhankelijkheid kunnen bereiken.[1]
  • Artikel 6 stelt dat de nationale eenheid en de territoriale integriteit van het grondgebied van een land nooit verstoord mag worden, dus de splitsing van Tsjecho-Slowakije zou in 1960 nooit aanvaard geworden zijn.

In 1970 werd artikel 6 aangevuld met een bepaling uit resolutie 2625, namelijk dat de integriteit van een grondgebied alleen geldt wanneer de staat zich houdt aan bepaalde voorwaarden: dat gelijke rechten worden gegarandeerd aan zijn inwoners, dat de staat het zelfbeschikkingsrecht accepteert, en dat de staat een bestuur bezit dat het hele volk vertegenwoordigt zonder onderscheid van ras of geloof.

Critici hebben herhaaldelijk laten blijken dat artikel 6 en de bepaling van 1970 in feite het zelfbeschikkingsrecht van de volkeren beperkt, en een toegift is aan bijvoorbeeld de Sovjet-Unie. Deze had er alle belang bij de onafhankelijkheid van de westerse koloniën te bespoedigen om zijn eigen invloedssfeer uit te breiden. De Sovjet-Unie bestond zelf echter uit verschillende volkeren, en geannexeerde landen als Letland, Estland en Litouwen, die van dit zelfbeschikkingsrecht gebruik zouden maken. Daarom werd bepaald dat alleen gebieden die exclaves waren en dus niet grensden aan het moedergebied onafhankelijk mochten worden. Ook België stond op artikel 6 van resolutie 1514, net als Tsjecho-Slowakije en Joegoslavië; staten die allemaal te maken hadden met volkeren die de onafhankelijkheid nastreefden.[2]

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. In artikel 4 wordt echter ook bepaald ook dat de integriteit van het grondgebied bewaard zal blijven. Deze bepaling is van belang geweest om bijvoorbeeld de onafhankelijkheid van Katanga, dat deel uitmaakte van Congo, af te wijzen.
  2. Deze staten bestaan inmiddels niet meer, op België na.