Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Lady justice standing.png

Internationaal Recht

Het internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten is een verdrag geïnitieerd door de Verenigde Naties, gebaseerd op de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Het kwam tot stand op 16 december 1966 en werd van kracht op 23 maart 1976, na ratificatie door 35 lidstaten. Zowel IVBPR als BUPO zijn gebruikelijk als afkorting.

Bijna alle landen ondertekenden het verdrag. Suriname ratificeerde het op 28 december 1976; Nederland ondertekende op 25 juni 1969 en ratificeerde op 11 december 1978; België ondertekende op 10 december 1968, maar keurde het pas goed bij Wet van 15 mei 1981 en ratificeerde op 21 april 1983. Veel landen, ook België en Nederland, formuleerden een voorbehoud bij één of meer welbepaalde artikelen.[1][2] Zo maakte België bij artikel 3 het voorbehoud dat het staatshoofd (de Koning) van het mannelijk geslacht moet zijn, en behoudt Nederland zich het recht voor om verdachten uit de rechtszaal te verwijderen wanneer dat nodig is, niettegenstaande artikel 14.3 (d). China heeft wel getekend maar nog niet geratificeerd.

De beschermde rechten van de mens zijn:

Er zijn enkele aanvullende, facultatieve protocollen. Het eerste regelt behandeling van individuele klachten. Het tweede is gericht op de afschaffing van de doodstraf.

In veel gevallen geeft het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens de burger dezelfde of een ruimere bescherming.

Handhaving[bewerken]

De handhaving van het Verdrag vindt op verschillende wijzen plaats door het VN-Comité voor de Rechten van de Mens, een comité van achttien deskundigen uit verschillende landen. Allereerst zijn staten die het verdrag hebben geratificeerd, verplicht binnen een jaar na ratificatie verslag uit te brengen aan het Comité voor de Rechten van de Mens over de mensenrechtensituatie in hun land, en daarna telkens wanneer het Comité hierom vraagt. Daarnaast geldt voor landen die het Eerste Aanvullende Protocol hebben geratificeerd, dat ingezetenen het recht hebben om het Comité voor de Rechten van de Mens om een mening te vragen wanneer zij menen dat hun land in strijd met het verdrag heeft gehandeld, en wanneer naar hun mening de nationale rechtsmiddelen zijn uitgeput.[3] Het Comité kan dan zijn mening geven, en aanbevelingen doen. Zij kan die echter niet afdwingen.

Bronnen[bewerken]

  1. Voorbehouden bij het IVBPR (Nederland)
  2. Voorbehouden bij het IVBPR (België)
  3. Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten, Facultatief Protocol, artikel 2

Externe links[bewerken]