Zambia

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Republic of Zambia
Vlag van Zambia Wapen van Zambia
(Details) (Details)
Zambia
Basisgegevens
Officiële landstaal Engels
Hoofdstad Lusaka
Regeringsvorm Republiek
Staatshoofd Michael Sata
Religie christelijk 87%, islam, hindoeïsme, natuurgodsdiensten[1]
Oppervlakte 752.612 km² [2] (1,6% water)
Inwoners 13.046.508 (2010)[3]
14.222.233 (2013)[4] (18,9/km² (2013))
Overige
Volkslied Stand and Sing of Zambia, Proud and Free
Munteenheid Zambiaanse kwacha (ZMW)
UTC +2
Nationale feestdag 24 oktober
Web | Code | Tel. .zm | ZMB | 260
Topografie
Zambia
Portaal  Portaalicoon   Landen & Volken

Zambia (soms ook wel geduid als Zambië, vroeger Noord-Rhodesië), officieel de Republiek Zambia is een land in Afrika dat grenst aan Congo-Kinshasa, Tanzania, Malawi, Mozambique, Zimbabwe, Botswana, Namibië en Angola. Zambia is een onafhankelijke republiek met als belangrijkste economische factor de mijnindustrie (koper).

Geschiedenis[bewerken]

Er zijn bewijzen gevonden dat Zambia reeds 300.000 jaar geleden werd bewoond door mensachtigen. Waarschijnlijk waren Pygmeeënvolken de eerste bewoners van Zambia.

In de 18de en 19de eeuw floreerde er een slavenhandel in Zambia. Deze slavenhandel bezorgde de bevolking veel leed. In 1895 werd Zambia 'eigendom' van de British South Africa Company (BSA). In 1924 werd Zambia een Britse kroonkolonie onder de naam Noord-Rhodesië. De Britten introduceerden het systeem van indirect rule (indirect heersen), dat betekende dat de Britten via de traditionele stamhoofden haar gezag uitoefenden. Toch kregen vooral de blanken het voor het zeggen.

Zwarte nationalen richtten het African National Congress (ANC) op, om het nationaal bewustzijn te versterken. In 1953 werd Kenneth David Kaunda secretaris-generaal van de ANC. In datzelfde jaar werden Noord-Rhodesië (het huidige Zambia), Zuid-Rhodesië (het huidige Zimbabwe) en Nyasaland (het huidige Malawi) tot één federatie samengevoegd. Deze Centraal-Afrikaanse Federatie (die onder Britse protectie fungeerde) werd fel bestreden door Kenneth Kaunda. Hij vond echter dat zijn ANC een te afwachtende houding aannam. In 1957 stapte Kaunda uit het ANC en richtte United National Independence Party (UNIP; Verenigde Nationale Onafhankelijkheidspartij) op, waarvan Kaunda de voorzitter werd. Harry Nkumbula volgde Kaunda als secretaris-generaal van het ANC op.

De Centraal-Afrikaanse Federatie werd op 31 december 1963 opgeheven en een dag later (op 1 januari 1964 dus) werd Kaunda minister-president van Noord-Rhodesië. Op 24 oktober 1964 verklaarde Noord-Rhodesië zich onder de naam Zambia onafhankelijk met Kaunda als president en (tot 1970) tevens minister van Defensie. De regering verzette zich fel tegen de eenzijdige onafhankelijkheidsverklaring van het buurland Zuid-Rhodesië door de blanke minderheid onder leiding van Ian Smith.

In oktober 1970 zette Kaunda vicepresident Simon Kapepwe af en liet hem enige tijd gevangenzetten. Toen Kapepwe in 1972 een eigen partij oprichtte, voerde de president een eenpartijstelsel in. Het ANC van Harry Nkumbula en tal van kleinere partijtjes fuseerden met de UNIP. De UNIP werd daarna de enige toegestane partij.

President Kaunda voerde sindsdien een beleid van Zambiaans humanisme. Het Zambiaans humanisme greep terug op de Zambiaanse tradities, maar ook een vorm van socialisme werd geïntroduceerd. Daarnaast drukte het christendom zijn stempel op het Zambiaans humanisme.

Tussen 1968 en 1991 werden er staatsbedrijven opgericht, daarnaast bleef echter ook de privé-sector bestaan.

Kaunda werd in de Westerse wereld een gevierd en gezien staatsman. Zijn politiek van non-raciale, geweldloze verzoening en democratie, kende een grote populariteit. De president steunde bovendien de Afrikaanse meerderheidsbewegingen in Zuidelijk-Afrika (Zuid-Afrika, Mozambique en Zimbabwe). In de jaren tachtig verslechterde de economie en ontstond er serieuze oppositie tegen het bewind van president Kaunda.

In 1987 werd de overeenkomst met het IMF tijdelijk verbroken. In 1990 werden de onderhandelingen met het IMF hervat.

In 1990 werd onder binnen- en buitenlandse druk het meerpartijenstelsel ingevoerd. Vakbondsleider Frederick Chiluba richtte in 1990 de oppositiebeweging Movement for Multiparty Democracy (MMD) op. In 1991 nam het parlement een nieuwe grondwet aan en president Kaunda kondigde voor 1992 verkiezingen aan. Bij deze verkiezingen werd Frederick Chiluba tot president gekozen. Kaunda trad af. President Chiluba voerde direct een grootscheepse privatisering door. Hierdoor verkreeg Zambia meer krediet. In juli 1992 schold de Club van Parijs de helft van Zambia's schulden kwijt.

In 1993 pleegden aanhangers van ex-president Kaunda een mislukte staatsgreep.

De regering-Chiluba werd geteisterd door schandalen en was vrij autocratisch. In 1995 stelde ex-president Kenneth Kaunda zich kandidaat voor de aankomende presidentsverkiezingen. Om ervoor te zorgen dat Kaunda niet opnieuw president kon worden nam het parlement een wet aan dat een president slechts eenmaal herkozen kon worden. Dit sloot deelname van Kaunda uit, die reeds vele malen herkozen was. In 1996 werd Chiluba herkozen. De UNIP startte daarna een campagne van geweldloze burgerlijke ongehoorzaamheid. Desondanks kon Chiluba tot 2002 president blijven.

Op 2 januari 2002 werd Levy Patrick Mwanawasa, jurist van beroep, president. Door de economische hervormingen die onder zijn bewind tot stand kwamen kreeg hij sympathie en steun van Westerse donoren en zijn eigen volk. In 2006 werd hij voor een tweede termijn gekozen. Mwanawasa overleed op 19 augustus 2008 in een ziekenhuis in Parijs, waar hij begin juli naartoe was gevlogen nadat hij tijdens een top van de Afrikaanse Unie in Egypte een beroerte had gekregen. Op 2 november 2008 werd Rupiah Banda beëdigd als nieuwe president, nadat hij oppositieleider Michael Sata had verslagen. Deze uitslag wordt betwist door Sata, hij wijst op (mogelijke) stembusfraude. Banda wil de economische politiek van Mwanawasa voortzetten.

Op 23 september 2011 werd Michael Sata de vijfde president van Zambia. Na de verkiezingsstrijd verloren te hebben in 2001, 2006 en 2008 behaalde Sata van het Zambiaans Patriottisch Front in 2011 ruim 43% van de stemmen, waarmee hij zittend president Rupiah Banda ruim achter zich liet. Sata kenmerkt zijn ambtstermijn door zijn felle kritiek richting Chinese investeerders, die de Zambianen volgens Sata als slaven behandelen.

Bevolking en taal[bewerken]

Talen[bewerken]

De officiële taal in Zambia is Engels. In Zambia worden ruim 70 talen (voornamelijk Bantoe-talen) gesproken. Door Ohannessian en Kashoki in Language in Zambia (1978) (in het vervolg OKLIZ) is een indeling in 15 groepen voorgesteld. Zeven talen hebben een officiële status gekregen van de overheid. De keuze is gevallen op deze talen op grond van de aantallen eerste en tweede taal-sprekers. Etnisch is Zambia erg divers. No one tribe dominates Zambia in terms of either areal extent or population numbers, schreef George Kay in 1967, en in 1978 was dat nog steeds zo volgens Kashoki en Ohannessian (OKLIZ p. 24). Dat maakt het heel erg moeilijk om één van de inheemse talen te gebruiken als nationale taal, zoals gebeurd is in Tanzania en Kenia met Swahili. Er zijn echter wel grote verschillen tussen de verspreidingsgraden van de diverse talen; dit maakte de keuze voor zeven semiofficiële talen mogelijk: Bemba, Kaonde, Lozi, Lunda, Luvale, Nyanja, en Tonga, die dagelijks elk op zijn beurt een half uur televisie zendtijd krijgen op ZNBC (Zambia National Broadcasting Corporation). De Zambiaanse taal Ila is een van de 55 talen waarin de boodschap op de Voyager Golden Record is opgenomen.

De rol van een aantal van de inheemse talen is in de loop van de jaren belangrijker geworden. Bemba en Nyanja bijvoorbeeld, vervullen in bepaalde urbane gebieden (resp. Copperbelt en Lusaka) de rol van lingua franca, en doen dat soms op grotere schaal dan Engels. Over het algemeen hebben alle inheemse talen die door de overheid een officieel statuut kregen meer (tweede taal)sprekers gekregen.

Taalpolitiek[bewerken]

Taalpolitiek is in veel Afrikaanse landen een complex en ook een gevoelig onderwerp. De eerste taalpolitieke keuze na de onafhankelijkheid was meestal die voor de (relatief objectieve) taal van de ex-kolonisator, om de nationale eenheid van de intern als los zand aan elkaar hangende prille staten te bevorderen. Zambia vormt daarop geen uitzondering. Bij de onafhankelijkheid in 1964 werd niet alleen gekozen voor het Engels als nationale taal (een voor de hand liggende keuze in een meertalige voormalige Britse kolonie zonder inheemse lingua franca), maar ook voor het Engels als het eerste en enige medium van instructie (dus niet als vak) in het onderwijs.

Naast het Engels als onderwijstaal bood de taalpolitiek van Zambia van begin af aan de mogelijkheid tot lesgeven in zeven Zambiaanse talen (als vak) in officieel voorgeschreven regio's: Bemba, Kaonde, Lozi, Lunda, Luvale, Nyanja en Tonga. Verder werd in de Constitution of Zambia gegarandeerd dat "The State shall take measures to promote the practice, enjoyment and development by any person of that person's culture, tradition, custom and language insofar as these are not Inconsistent with this Constitution" (Deel 9, Artikel 112, Lid g).

Religie[bewerken]

Zambia is officieel een christelijk land volgens de grondwet van 1991 (gewijzigd in 1996)[5], maar er bestaat een grote verscheidenheid aan religieuze tradities. In veel van de syncretische kerken in het land mengen traditionele religieuze ideeën zich gemakkelijk met christelijke opvattingen. De katholieken vormen de grootste bevolkingsgroep. Daarnaast zijn er ook anglicanen, de Pinksterbeweging, de Nieuw-apostolische kerk (>14% van de bevolking), lutheranen, zevendedagsadventisten, jehova's getuigen en een verscheidenheid aan evangelische denominaties. Deze groeiden, ontwikkelden zich en bloeiden vanuit de oorspronkelijke missionaire nederzettingen (Portugees en katholiek in het oosten van Mozambique) en anglicaans (Engelse en Schotse invloeden vanuit het zuiden). Afgezien van enkele technische posities (bijvoorbeeld doktoren) zijn westerse zendingsrollen ingenomen door gelovigen uit de oorspronkelijke bevolking. Nadat Frederick Chiluba (een pinkstergelovige) president werd in 1991, groeiden Pinkstergemeenschappen in het land aanzienlijk.[6]

Ongeveer 5% van de bevolking bestaat uit moslims die voornamelijk in stedelijke gebieden wonen.[7] Ook bestaat een kleine Joodse gemeenschap die voornamelijk wordt gevormd door Asjkenazim. Belangrijke Joodse Zambianen betreffen Simon Zukas, voormalig minister, parlementslid en een lid van het Forum for Democracy and Development en eerder van het MMD en de Verenigde Nationale Onafhankelijkheidspartij. Daarnaast is de econoom Stanley Fischer, huidig gouverneur van de Bank of Israël en voormalig hoofd van het IMF, geboren en deels opgegroeid in de Joodse gemeenschap van Zambia. De Baha’i-bevolking van Zambia overtreft de 160.000[8], of 1,5% van de bevolking. De William Mmutle Masetlha Foundation[9] die door de Baha’i-gemeenschap wordt geleid, is voornamelijk actief op het gebied van onderwijs en gezondheidszorg.

Armoede[bewerken]

Volgens het Ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties leeft in Zambia 68% van de bevolking onder de armoedegrens.[10]

Bestuurlijke indeling[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie het hoofdartikel: Provincies van Zambia

Zambia bestaat uit negen provincies:

Geografie[bewerken]

Toerisme[bewerken]

Het toerisme is in Zambia vooral geconcentreerd in het Zuiden, rond de stad Livingstone. Deze stad bevindt zich aan de oever van de rivier de Zambezi vlak bij de bekende Victoriawatervallen. Omdat er relatief weinig toeristen vanuit de Zambiaanse kant naar deze watervallen gaan, is het hier veel rustiger en kan men meer van de natuur genieten. Bovendien zijn de watervallen van deze zijde minstens zo mooi als van de Zimbabwaanse zijde. Tevens is het South Luangwa National Park (in de buurt van Chipata) in opkomst. Er is een grote populatie olifanten te vinden.

Gezondheidszorg[bewerken]

Zoals in veel Afrikaanse landen, vormt aids een grote bedreiging. Vruchtbare oplossingen om de verspreiding van aids tegen te gaan, zijn er in Zambia nog niet gevonden.

In mei 2009 werd door Nederland in afwachting van de resultaten van een corruptieonderzoek alle financiële hulp aan het Zambiaanse ministerie van Gezondheid opgeschort. Daartoe werd door minister Bert Koenders besloten naar aanleiding van beschuldigingen die waren geuit over verduistering van hulpgelden. Een klokkenluider had de Zambiaanse anticorruptie-commissie getipt over mogelijk misbruik van hulpgelden in de gezondheidszorgsector. Alle donoren waren vervolgens ingelicht en er werd direct gestart met een onderzoek.

De Nederlandse financiële bijdrage aan de gezondheidssector in Zambia bedroeg in 2008/2009 per jaar 13 miljoen euro. Deze steun wordt onder meer gebruikt voor eerstelijnszorg op het platteland, de bestrijding van malaria, tuberculose en HIV/aids en training van medisch personeel.

Bibliografie[bewerken]

  • Kashoki, Mubanga E. en Ohannessian, Sirarpa. (1978) Language in Zambia. Londen: International African Institute.
  • Kashoki, Mubanga E. (1990) The Factor of Language in Zambia. Lusaka: Kenneth Kaunda Foundation.
  • Tordoff, William (ed.) (1974) Politics in Zambia. Manchester: Manchester University Press
  • [Republic of Zambia]. Constitution of Zambia 1991 (as amended by Act no. 18 of 1996).

Zie ook[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Bevolkingsdata
  2. (en) Verenigde Naties 2011
  3. (en) Laatste census 16 oktober 2010 (via V.N.)
  4. (en) Niet officiële schatting CIA Factbook juli 2013 (berekend door US Bureau of the Census)
  5. (en) Grondwet van 1996
  6. Matthew Steel (2005). Pentecostalism in Zambia : Power, Authority and the Overcomers. MSc Dissertation. University of Wales.
  7. Bureau of Democracy, Human Rights and Labor (U.S. Department of State). International Religious Freedom Report 2003 Geraadpleegd op 2007-10-29
  8. Adherents.com. The Largest Baha'i Communities Geraadpleegd op 2007-10-29
  9. DL Publicaciones. About DLP Geraadpleegd op 2007-10-29
  10. UNDP: Human development indices - Table 3: Human and income poverty (Population living below national poverty line (2000-2007))