Onderwijs

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Portal.svg Portaal Onderwijs
Bioscoopjournaal uit 1972 over de nationale onderwijstentoonstelling te Utrecht, waar audiovisuele toepassingen een belangrijk onderwerp vormen.

Het onderwijs is het overbrengen van kennis, vaardigheden en attitudes met vooraf vastgelegde doelen. Daarbij houdt men rekening met een beginsituatie, volgt men een onderwijsstrategie en worden de resultaten geëvalueerd, onder meer door toetsing, zelfevaluatie en peerevaluatie (collegiale toetsing). Onderwijs wordt binnen een door de overheid bepaalde structuur gegeven door personen die daarvoor speciaal zijn opgeleid, zoals onderwijzers, leraren en docenten.

Inleiding[bewerken]

Gratis onderwijs verwijst naar onderwijs dat wordt gefinancierd via belastingen, of liefdadigheidsorganisaties in plaats van door collegegeld. De lagere school, middenschool en verder onder de leerplicht vallend onderwijs is gratis in veel landen. Onderwijs betekent min of meer hetzelfde als educatie, een woord dat meer voor onderwijs aan volwassenen gebruikt wordt. Binnen bedrijfsleven en overheid zijn de termen cursus (voor het verkrijgen van kennis) en training (voor het verkrijgen van vaardigheden) gebruikelijk.

Onderwijsaccreditatie is een vorm van kwaliteitsborging in het onderwijs, waarbij het onderwijsinstituut, het onderwijs of de faciliteiten onderzocht worden door een (onafhankelijke) accreditatieorganisatie. De wetenschap die het onderwijs bestudeert, wordt de onderwijskunde genoemd. Naast kennis en vaardigheden speelt ook het overdragen van een bepaalde houding (ook attitude genoemd), manieren, normen en waarden een (meestal) secundaire rol.

Kinderen krijgen gewoonlijk onderwijs vanaf hun derde tot minimaal hun zestiende jaar. Voor velen is de praktijk van het alledaagse leven veel leerrijker dan formeel schoolonderwijs. De dagelijkse werkelijkheid is de leerschool van het leven. Mark Twain zei in dit verband: Ik heb school nooit een belemmering laten zijn voor mijn leren. Dit zogenaamde buitenschools leren, onder meer via nieuwe media als het internet zoals E-learning, is vaak invloedrijker dan het leren op school.

Het woord 'school' is afgeleid van het Griekse 'σχολή', dat 'vrije tijd' betekent. Onderwijs was namelijk iets waarvoor je vrije tijd moest hebben: de meeste mensen (ook kinderen) besteedden al hun tijd aan werk. In het klassieke Griekenland bestonden er geen openbare scholen: alleen welgestelde kinderen ontvingen onderwijs van privédocenten. De beroemde 'school' in Athene was Plato's Academie. In deze 'school' waren er echter geen klassen of examens. Het was een plaats waar (wederom welgestelde) denkers converseerden met elkaar, met Plato's ideeën als uitgangspunt. Vandaag zouden we dit een salon noemen. Ook het lyceum van Aristoteles was gelijkaardig, hoewel Aristoteles tweemaal daags een lezing gaf.

Historische achtergrond[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Geschiedenis van het Europese onderwijs voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Mensen werkzaam in de onderwijssector in Nederland.[1]

De onderwijsstructuur in haar huidige vorm vindt haar oorsprong in sterk verzuilde tradities: de confessionele zuil (katholieke en protestantse onderwijs) en het staatsonderwijs.

Vóór de twaalfde eeuw speelde het intellectuele leven zich af in kloosters, waar vooral liturgie en gebed werd bestudeerd. In de twaalfde en dertiende eeuw was er voldoende welvaart om een professionele clerus te betalen, en bisschoppen richtten kathedraalscholen op om de clerus het canonieke recht te onderwijzen, alsook kerkelijke administratie, boekhouden, logica en retoriek (voor theologische discussies en preken). Kathedraalscholen hadden meestal slechts één leraar.

Reformatie[bewerken]

In de 16e eeuw revolteerden Luther en de humanisten tegen de scholastische methode. Het kerkelijke instituut werd bezien als een onnodige schakel tussen de mens en God, en het daaraan verbonden onderwijs werd door de humanisten afgewezen. Academische individualiteit, gebonden aan een sterke moraliteit, vormden de kern van het protestantse betoog.

Onderwijsstructuur in Nederland en Vlaanderen[bewerken]

Structuur in Nederland[bewerken]

Schematisch overzicht van het onderwijssysteem in Nederland met de verschillende doorstroommogelijkheden.

Algemeen in Nederland geldt:

  • Het onderwijs valt onder het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
  • Sinds 1900 is er in Nederland een leerplicht wet, deze stelt tegenwoordig: uitgezonderd van lichamelijke of psychologische gronden, volledige leerplicht voor iedereen van 5 (start op de eerste dag van de maand na de vijfde verjaardag, maar de meeste mensen gaan vanaf hun 4e jaar al naar school) tot en met 16 jaar. Hierna stelt de wet dat je tot en met 18 jaar gedeeltelijk leerplichtig bent. Dit houdt in dat de leerling een startkwalificatie (mbo niveau2 diploma of hoger) moet hebben om niet meer leerplichtig te zijn.
  • Leerlingen van 19 tot 23 jaar zijn kwalificatieplichtig. Dit houdt in dat de onderwijsinstelling waaraan de leerling studeert verplicht is om haar uiterste best te doen om deze leerling op tenminste mbo niveau 2 te laten diplomeren.
  • Scholen zijn in Nederland ofwel openbaar, ofwel bijzonder, vanuit levensbeschouwelijke, godsdienstige of onderwijskundige achtergrond.

Niveaus[bewerken]

Basisonderwijs
In Nederland volgden in 2000 ongeveer 1,5 miljoen kinderen basisonderwijs op circa 7000 scholen. Het basisonderwijs wordt ook vaak primair onderwijs (PO) genoemd.
Voortgezet onderwijs
In Nederland zijn er verschillende schooltypes voor het voortgezet onderwijs:
Middelbaar
Hoger onderwijs
Speciaal onderwijs
Vormen van speciaal onderwijs in Nederland zijn:
  • Cluster 1: visueel gehandicapte kinderen of meervoudig gehandicapte kinderen met een visuele handicap
  • Cluster 2: dove of slechthorende kinderen, kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden of meervoudig gehandicapte kinderen die één van deze handicaps hebben
  • Cluster 3: lichamelijk gehandicapte kinderen, zeer moeilijk lerende kinderen (ZMLK) en langdurig zieke kinderen met een lichamelijke handicap, of meervoudig gehandicapte kinderen die één van deze handicaps hebben
  • Cluster 4: zeer moeilijk opvoedbare kinderen (Z.M.O.K), langdurig zieke kinderen anders dan met een lichamelijke handicap en kinderen in scholen verbonden aan pedologische instituten
Voormalige vormen van speciaal onderwijs
Volwassenenonderwijs

Structuur in Vlaanderen[2][bewerken]

Structuur in Vlaanderen

In Vlaanderen is er voltijdse leerplicht vanaf 1 september van het kalenderjaar waarin de leerling 6 jaar wordt. Deze leerplicht duurt in de regel 12 leerjaren (zes jaar lager onderwijs en zes jaar secundair onderwijs). Vanaf 15 jaar kan ook aan de leerplicht worden voldaan in deeltijdse leersystemen DBSO en Middenstandsopleiding. Deze leerplicht komt niet overeen met schoolplicht.

Kenmerkend voor het onderwijs in Vlaanderen is de indeling in onderwijsnetten en de bevordering van de gelijke onderwijskansen (GOK). Men onderscheidt het officiële (gemeenschapsonderwijs, provinciaal onderwijs en stedelijk onderwijs) net en het vrije net (joods, protestants, Freinet, Steiner, en het grootste: katholiek onderwijs).

Sinds de onderwijsbevoegdheid van de Belgische federale overheid overgegaan is naar de Vlaamse overheid (1988) is de kwaliteit sterk verbeterd. In internationale vergelijkende studies scoort vooral het secundair onderwijs zeer goed, sinds 2000 herhaaldelijk in de top-10 (zie bijvoorbeeld PISA). Dit is één van de redenen waarom aan de grens wonende Nederlanders met duizenden (ruim 18.500 in 2006-2007) in Vlaamse scholen ingeschreven zijn[3] Ook Franstalige Belgen kiezen steeds vaker voor het Vlaamse onderwijs.

Niveaus[bewerken]

Specifieke vormen van onderwijs[bewerken]

Specifieke vormen van onderwijs zijn

Statistische indeling[bewerken]

Het CBS heeft voor Nederland een indeling gemaakt van opleidingen naar niveau en richting, de zogenaamde Standaard Onderwijsindeling (SOI). Dit classificatiesysteem wordt gebruikt voor onder andere statistische doeleinden en sluit aan bij de internationale onderwijsindeling ISCED van de UNESCO.

De niveau-indeling van de SOI 2006 is als volgt:

  • 1. Onderwijs aan kleuters
  • 2. Primair onderwijs
  • 3. Secundair onderwijs, eerste fase
    • 3.1 laag
    • 3.2 Midden
    • 3.3 Hoog
  • 4. Secundair onderwijs, tweede fase
    • 4.1 laag
    • 4.2 Midden
    • 4.3 Hoog
  • 5. Hoger onderwijs, eerste fase
    • 5.1 laag
    • 5.2 Midden
    • 5.3 Hoog
  • 6. Hoger onderwijs, tweede fase
  • 7. Hoger onderwijs, derde fase

De SOI deelt de richting van een opleiding hiërarchisch in naar sectorgroep, (sub)sector, rubrieksgroep en rubriek. Op het hoogste niveau (sectorgroep) kent de SOI de volgende indeling naar richting:

  • 0 Algemeen onderwijs
  • 1 Leraren
  • 2 Humaniora, sociale wetenschappen, communicatie en kunst
  • 3 Economie, commercieel, management en administratie
  • 4 Juridisch, bestuurlijk, openbare orde en veiligheid
  • 5 Wiskunde, natuurwetenschappen en informatica
  • 6 Techniek
  • 7 Agrarisch en milieu
  • 8 Gezondheidszorg, sociale dienstverlening en verzorging
  • 9 Horeca, toerisme, transport en logistiek

Varia[bewerken]

Digitale school[bewerken]

De informatievoorziening in het onderwijs is over het algemeen zeer papier gebonden maar gebeurd nu ook af en toe met de computer in een mediatheek of elektronische schoolborden in de klas. In 2013 waren er 10 scholen in Nederland die alleen digitaal werkten op een IPAD.[4] In 2014 deed ook de Android tablet zijn intrede en deden 44 scholen mee.[5] Inmiddels loopt het aantal tablets dat in gebruik is op school in de miljoenen.[6]

MOOC[bewerken]

Er zijn ook vele gratis MOOC's beschikbaar van prestigieuse universiteiten. Vooral studenten werken steeds meer met een laptop en via E-learning.

Lissabon[bewerken]

Met de Strategie van Lissabon[7] wordt binnen de EU geprobeerd om het aantal voortijdige schoolverlaters te verminderen, per 2006 heeft in Nederland 1 op de 4 in de leeftijd 20 tot 24 jaar geen diploma, in België is dit 1 op de 5 en in Finland, Duitsland, Griekenland, Ierland, Japan, Korea en Noorwegen 1 op de 10.[8][9]

Tevens wordt geprobeerd om met de Lissabonstrategie de educatie-vormen binnen de EU meer aansluiting op elkaar te laten hebben, en dus ook meer overeenkomsten te creëren dan wel laten zien.

Naast de scholing doet de school vaak aan opvoeding, integratie, voor en naschoolse opvang en zorg. De ene onderwijsvorm heeft meer zorgleerlingen dan de andere. Voor sommige zaken kan de school verwijzen naar specialisten zoals de huisarts, het Centrum voor Leerlingenbegeleiding, de kinderbescherming of de politie.

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. MinOCW
  2. Vanderlocht, Marc & Karine Verschueren: Het onderwijslandschap in Vlaanderen: een blik op structuren, aanbod, regelgeving en informatiebronnen - Brussel : VCLB Service, 2008. - 240 p.- ISBN 978-90-78331-55-1
  3. Ond.Vlaanderen.be
  4. Hoe gevaarlijk is de digitale school?
  5. Problemen met digitale boeken op 44 scholen
  6. Tablet Initiatives Around the World
  7. Lissabondoelstelling
  8. Education at a Glance 2007
  9. Eurostat
Zoek dit woord op in WikiWoordenboek